Geschiedenis van de archiefvormer
Charles Joseph Ignace Marie Welter is op 6 april 1880 te 's-Gravenhage geboren als zoon van Henri Louis Welter en Josephina Jacoba Maria Willemse
Henri Louis Welter, geboren te Batavia op 3 mei 1843 en overleden te 's-Gravenhage op 18 april 1934; gehuwd te 's-Gravenhage op 10 juli 1872 met Josephina Jacoba Maria Willemse, geboren te 's-Gravenhage op 11 augustus 1838 en overleden te 's-Gravenhage 18 januari 1908.
Zowel zijn vader als grootvader hebben in Nederlands-Indië ambtelijke functies bekleed: Henri Louis Welter werd in 1886 gepensioneerd als algemeen pakhuismeester te Padang
Algemeen Rijksarchief, Losbladige Indische pensioenregisters, A folio 1010.
; Conradus Welter was tot 1842 olie- en trasmolenaar onder Leiden, in welk jaar hij, "in nijpende omstandigheden zijnen fabriek verlaten hebbende" naar Indië vertrok, waar hij onder meer binnen-regent was van het katholiek weeshuis te Semarang en postcommies te Soerabaja.
Conradus Welter, geboren te Schiedam 29 Maart 1811 en overleden te Soerabaja 23 november 1864. Na de voortdurende achteruitgang van zijn bedrijf, vertrok hij in 1842 naar Indië (Algemeen Rijksarchief, archief van het ministerie van Koloniën, inventarisnummer 1436, exh. 15 april 1842 nummer 20); bij resolutie van 26 juli 1843 nummer 8 verleende de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië hem toestemming zich op Java te vestigen. Conradus Welter is op 1 maart 1835 te voorburg (Z.H.) gehuwd met Dorothea Louisa Constantia Cramer.
Johannes Petrus Welter, de overgrootvader van de minister van Koloniën, was vanuit Uerdingen bij Krefeld naar Schiedam getrokken, waar hij een bakkerszaak had opgericht.
Algemeen Rijksarchief, register van overledenen Schiedam, 1 maart 1844: overleden Johannes Petrus Welter, oud 63 jaar, geboren te Uerdingen in Pruisen, echtgenoot van Catharina Lammers, zoon van Conradus Welter en Adelheid Jongbloet.
Ook van moederszijde is er ambtelijke traditie: grootvader Joannes Cornelis Willemse was gedurende een 53-jarige loopbaan bij het departement voor de Rooms-Katholieke Eredienst opgeklommen van extra-ordinaris klerk tot secretaris-generaal en administrateur, de hoogste post in ambtelijke hiërarchie. Op hetzelfde departement waren ook zijn twee zoons werkzaam, zij het in lagere functies.
Algemeen Rijksarchief, archief van de administratie voor de zaken der roomsch-katholijke Eredienst, inventarisnummer 1343.
Charles Welter doorliep de vijfjarige H.B.S. aan het Bleyenburg in zijn geboortestad en het Indisch Instituut te Delft, waar hij in 1901 het grootambtenaarsexamen voor de Indische dienst aflegde. In 1902 arriveerde hij in Nederlands-Indië, waar hij de eerste zes jaren werd ingezet als aspirant-controleur en controleur bij het Binnenlands Bestuur in de gewesten Kedoe en Pekalongan: een functie bij uitstek geschikt om kennis en ervaring op te doen in de gemengde Indische samenleving.
In 1908 werd Welter overgeplaatst naar de Algemene Secretarie te Batavia, tot hij in 1911 met ziekteverlof naar Nederland werd gestuurd, waar hij gedetacheerd werd op het departement van Koloniën.
In 1915 teruggekeerd in Indië klom hij snel omhoog op de ambtelijke ladder. In 1917 werd hij gouvernementssecretaris te Batavia en in 1921, 41 jaar oud, als hoofd van de Algemene Secretarie een van de naaste medewerkers van de gouverneur-generaal. Tevens was hij lid van de in 1918 ingestelde commissie tot herziening der Indische staatsregeling.
Na een korte periode - sinds november 1924 - als lid van de Raad van Nederlands-Indië werd Welter in september 1925 voor de eerste maal minister van Koloniën in het eerste kabinet-Colijn. Na de val van dit ministerie in maart 1926 werd hij herbenoemd in de Raad van Indië en drie jaar later vice-voorzitter van dit hoogste adviescollege.
Na zijn repatriëring in 1931 werd hij voorzitter van de staatscommissie tot verlaging der rijksuitgaven. Het door de commissie uitgebrachte rapport, dat drastische bezuinigingen voorstelde, ondervond veel weerstand en werd slechts ten dele uitgevoerd. In november 1933 volgde Welter de tot minister van Waterstaat benoemde ir. J.A. Kalff op als voorzitter van de Ondernemersraad voor Nederlands-Indië.
In julie 1937 werd Welter opnieuw minister van Koloniën, nu in het vierde kabinet-Colijn. Een belangrijk moment tijdens dit ministerschap was de afwijzing door de regering - gesteund door het parlement - van de petitie-Soetardjo, die zelfstandigheid van Indië met behoud van het Rijksverband beoogde. Bij de kabinets-crisis van juni 1939 toonde Welter zich solidair met de overige katholieke ministers in het conflict inzake de werkloosheidsuitkeringen, dat leidde tot de val van het kabinet. Reeds in augustus van dat jaar werd hij echter opnieuw minister van Koloniën in het door jhr. De Geer gevormde kabinet. Met de overige ministers week hij in de meidagen van 1940 naar Engeland uit. Op 20 november van 1941 trad hij samen met zijn katholieke collega Steenberghe af als minister, na meningsverschillen met minister-president Gerbrandy. Als minister van Koloniën te Londen wantrouwde Welter de bedoelingen van het oorlogvoerende Engeland, met name de Engelse houding tegenover Nederlands-Indië.
L. de Jong, het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel I, blz. 689. Enquêtecommissie regeringsbeleid 1940-1945, deel 2C blz. 130, deel 5A blz. 47 e.v.
Van februari 1942 tot augustus 1943 verbleef hij in Brits-Indië als vertegenwoordiger van Nederland en Nederlands-Indië in Eastern Group Supply Council, de economisch-politieke oorlogsraad in het Verre Oosten. In de zomer van 1944 kreeg Welter de opdracht de mogelijkheden te onderzoeken van uitbreiding van de economische relaties tussen Nederland en Zuid-Amerika, waartoe hij een jaar lang dit werelddeel bereisde.
Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945, deel 5C blz. 83.
Van november 1945 tot juli 1946 was Welter lid van de Eerste Kamer voor de Katholieke Volkspartij. Het door deze partij gevoerde Indonesië-beleid vond in hem echter een steeds actiever bestrijder. De coalitie van de K.V.P. met de partij van de Arbeid beschouwde hij als een heilloos verbond, dat de ondergang van ons trotse koloniale imperium ten gevolge moest hebben en derhalve krachtig diende te worden bestreden. Het begin 1947 opgerichte Voorlopig Katholiek Comité van Actie onder leiding van Welter en generaal M.L.F. Bajetto ageerde binnen de K.V.P. tegen de roomsrode coalitie. Op de partijraad van 29 maart 1947 veroordeelde de K.V.P. de activiteiten van het Comité als in strijd met partijreglementen.
Deze en andere gegevens over de K.N.P. uit Keesings Historisch Archief, jaargangen 1945 tot 1956.
Lang heeft Welter geaarzeld zich af te scheiden van de moederpartij. Op 9 mei 1948 drong het episcopaat aan op het bewaren van de politieke eenheid onder de Nederlandse katholieken, maar kort daarna besloot het Voorlopig Comité de aanstaande verkiezingen voor de Tweede Kamer met een eigen lijst in te gaan: de zogenaamde lijst-Welter. Met 1,26% van de stemmen en één zetel in de Tweede Kamer ging deze groepering vanaf juli 1948 een eigen parlementair leven leiden.
Tijdens zijn vergadering te Utrecht op 11 december 1948 besloot het Voorlopig Comité tot de oprichting van een eigen politieke partij, de Katholieke nationale Partij, toevluchtsoord van de katholieken voor wie de K.V.P. te zeer in links vaarwater dreigde te verzeilen en actiecentrum voor het behoud van de band tussen Nederland en Indonesië. Welter werd de eerste algemeen voorzitter.
Nauwe banden heeft Welter in de jaren 1946 tot 1950 ook gehad met het Nationaal Comité Handhaving Rijkseenheid, waarin hij met prof.mr. P.S. Gerbrandy, prof.dr. F.C. Gerretson, dr. W.J. Meyer Ranneft en anderen gestalte gaf aan de voornamelijk buiten het parlement gevoerde oppositie tegen het Indonesië-beleid.
In maart 1952 ging de K.N.P. een fusie aan met de Katholieke Onafhanklijke Partij, een groepering die zijn aanhang voornamelijk uit Noord-Brabant recruteerde. Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer van dat jaar bereikte de partij zijn hoogtepunt: 144.520 stemmen (2,7%), wat resulteerde in een tweede zetel in het parlement, bezet door prof.mr. W.L.G. Lemaire.
Bij het eeuwfeest ter gelegenheid van het herstel der kerkelijke hiërarchie in mei 1953 drong kardinaal De Jong aan op eenheid onder de katholieken, waarna de K.V.P. in juli 1953 een eenheidsgesprek voorstelde met de K.N.P. en de Katholieke Werkgemeenschap in de Partij van de Arbeid. Begin 1954 begonnen deze besprekingen. Kort na het bisschoppelijk mandement van mei 1954 verklaarde de voorzitter van de Katholieke Werk gemeenschap, G. Ruygers dat terugkeer tot de K.V.P. voor zijn groepering niet meer mogelijk was. Nadat het partijcongres van de P.v.d.A. van februari 1955 deze visie had bevestigd, werd het eenheidsgesprek nog slechts door K.V.P. en K.N.P. gevoerd.
Op 23 september 1955 tenslotte bereikten delegaties van beide partijen overeenstemming inzake een opgaan van de K.N.P. in de K.V.P., binnen welke partij georganiseerde groepsopvattingen niet mogelijk zouden zijn. De 29e oktober van dat jaar keurde de partijraad van de K.N.P. dit opheffingsvoorstel goed. De beide vertegenwoordigers in de Kamer zouden tot de verkiesingen van 1956 als partijlozen blijven zitten.
Van 1956 tot 1963 had Welter zitting in de Tweede Kamer als een der meest markante figueren van de K.V.P.-fractie.
Welter is op 21 april 1903 te 's-Gravenhage gehuwd met Geertruida Catharina Constantia Burger.
Geboren te Mangliengoet op Java, 24 juni 1882, dochter van Dionijs Burger, administrateur van de onderneming Goenoeng Melatie te Soekaboemi, en van Johanna Frederika Wilhelmina Kiesfeld. Zie: Nederlands Patriciaat, 21e jrg. (1933-34) blz. 45.
Uit dit huwelijk zijn geboren: Henri Fréderic Joseph, geboren op 8 april 1904, Ellen Mary, geboren op 16 april 1906, en Louis Joseph, geboren op 18 oktober 1910 en gevallen op Java in de strijd tegen de Japanners gedurende de Tweede Wereldoorlog.
Welter overleed in 1973 te 's-Gravenhage.