2.21.191.01 Inventaris van het archief van prof. mr. dr. G.W.J. Bruins [levensjaren 1883-1948], (1852) 1895-1948 (1953)

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Levensloop
Voor gedetailleerder beschrijving van de activiteiten van Bruins wordt verwezen naar de korte inleiding bij de beschrijving van de desbetreffende stukken.
Gijsbert Weyer Jan Bruins werd geboren te Zutphen op 6 juli 1883 als zoon van dr Dirk Bruins, rector van het gymnasium aldaar, en Evadina ten Cate Fennema.
Zie voor genealogische gegevens "Nederland's Patriciaat" 1919, blz. 26-28.
Hij bezocht het gymnasium in zijn geboortestad, deed zowel in de a- als in de ß-richting eindexamen en liet zich vervolgens als student in de rechten inschrijven aan de Rijksuniversiteit te Leiden, waar hij in 1905 cum laude promoveerde tot doctor in de rechtswetenschap op het proefschrift: "De rechtsgrond der schadevergoeding" en drie jaar later op stellingen tot doctor in de staatswetenschap.
Van 1906-1913 was hij verbonden aan de Provinciale Griffie van Zuid-Holland, op het laatst als chef van de afdeling Financiën. Bij de oprichting van de Nederlandsche Handels-Hoogeschool in 1913 werd hij tot hoogleraar benoemd en met de organisatie van de instelling belast, in verband waarmee hij de eerste vijf jaren als rector-magnificus fungeerde. In 1916 nam hij het initiatief tot de oprichting van het bekende weekblad "Economisch-Statistische Berichten" en belastte zich tot en met 1924 met de leiding van het tijdschrift.
In dat jaar werd hij benoemd tot Volkenbondscommissaris voor de bankbiljettencontrole bij de Reichsbank in Berlijn, ingevolge het Dawes-plan, in verband waarmee hij het ambt van hoogleraar neerlegde. Deze post werd algemeen, zowel in binnen- als in buitenland, als zeer belangrijk beschouwd, hetgeen de hieronder volgende uitweiding moge rechtvaardigen.
In november 1923 werden door de "Reparation Commission" (het herstelcomité) van de Volkenbond twee commissies van deskundigen ingesteld om, na de val van de mark in augustus 1923 en de daaropvolgende sanering van het Duitse geldwezen en de rijksbegroting, de solvabiliteit van Duitsland te onderzoeken, m.a.w. te onderzoeken wat Duitsland aan herstelbetalingen kon opbrengen, zonder dat de Duitse economie in gevaar gebracht zou worden.
Voorzitter van het eerste comité was de Amerikaanse zakenman Charles G. Dawes.
Het Dawes-comité bracht rapport uit op 9 april 1924. Dit rapport, beter bekend als het zogenaamde Dawes-plan, leverde de praktische basis voor de regeling der herstelbetalingen, zoals bereikt werd op de Londense Conferentie van 16 augustus 1924.
Reeds in september 1924 werd begonnen met de vorming van een aantal organisaties ter uitvoering van het plan.
Door de Reparation Commission van de Volkenbond werd een "Agent-general for reparation payments" benoemd, die de betrekkingen tussen Duitsland en de Volkenbond moest onderhouden. Alle herstelbetalingen werden op zijn konto bij de Reichsbank gestort.
Voor de overdracht in vreemde valuta zorgde het "Transfer Committee", waarvan de agent-general medelid en voorzitter was.
De jaarlijkse betalingen van Duitsland zouden gefinancierd moeten worden uit de rijksbegroting, de Duitse spoorwegen, de vervoersbelasting en uit de industrie.
Een aantal buitenlandse commissarissen en trustees werd aangesteld om contrôle op de betalingen uit te oefenen.
Om het uitwisselen van informatie tussen de verschillende commissarissen en trustees te vereenvoudigen, werd tussen hen een samenwerkingsverband opgericht, de zogenaamde "General Coordinating Board". Dit lichaam bezat slechts adviserende bevoegdheden. Eén van de uitgangspunten van het Dawesplan was de stabilisatie van de Duitse mark en het in evenwicht brengen van de Duitse begroting; reorganisatie van de oude Reichsbank was derhalve noodzakelijk. De oude marken werden binnen vier maanden na het in werking treden van het Dawes-plan uit de roulatie genomen en er werd een nieuwe Reichsmark ingevoerd.
Er werd een "Generalrat" (raad van beheer) ingesteld, bestaande uit 14 personen, nl. 7 Duitsers en 7 buitenlanders, welke toezicht moest uitoefenen op de Duitse directie van de Reichsbank, het "Reichsbankdirectorium".
Bruins werd in september benoemd tot lid en vertegenwoordiger van de neutrale mogendheden in de Generalrat, en namens de leden van de raad tot gedelegeerd commisaris bij de Reichsbank.
Zijn taak als commissaris bestond uit het toezicht houden op de uitgifte, intrekking en vernietiging van de nieuwe bankbiljetten en op de goud- en deviezendekking daarvan.
Uit hoofde van zijn functie was hij tevens lid van de General-Coordinating Board en gerechtigd om de vergaderingen van het Reichsbankdirectorium bij te wonen. Hij bracht maandelijks rapport uit aan de Generalrat van de Reichsbank en halfjaarlijks aan de Reparation Commission van de Volkenbond over de economische gesteldheid van het Duitse rijk, in verband met de te voeren bankpolitiek en de regeling der schadevergoeding.
In 1926, nog tijdens zijn verblijf in Berlijn, volgde hij mr dr A. van Gijn op als Koninklijk Commissaris bij De Nederlandsche Bank, welke functie hij, met uitzondering van de laatste oorlogsjaren, tot in 1946 zou vervullen.
In 1930 keerde Bruins naar ons land terug, toen ingevolge het in werking treden van het Young-plan en de wijziging van de Duitse bankwet elke buitenlandse invloed op de bedrijfsvoering bij de Reichsbank kwam te vervallen.
Na de val van de Oesterreichische Kreditanstalt in mei 1931 trad hij op als adviseur van de Oesterreichische Nationalbank.
Hij fungeerde daarbij tevens als vertrouwensman van de Bank voor Internationale Betalingen en de tien circulatiebanken, die de Oesterreichische Nationalbank deviezenkredieten ter beschikking stelden om uit de financiële moeilijkheden te geraken.
Met ingang van 1 januari 1933 verzocht Bruins ontheffing uit zijn functie, ongetwijfeld in verband met destijds in de Tweede Kamer gestelde vragen, of zijn adviseurschap van de Oesterreichische Nationalbank wel verenigbaar was met zijn functie van Koninklijk Commissaris bij De Nederlandsche Bank. De minister gaf in antwoord daarop te kennen, dat het wenselijk zou zijn, dat Bruins één van beide functies opgaf.
Na de beëindiging van zijn werkzaamheden in Wenen was er niet dadelijk een nieuwe taak voor hem beschikbaar, zeker niet op het internationale niveau, dat het zijne geworden was.
In mei 1934 werd Bruins benoemd tot president-directeur van het Nederlandsch Clearinginstituut, het overheidslichaam belast met de uitvoering van maatregelen betreffende het internationale betalingsverkeer, voor zover dit op grondslag van verrekening (clearing) plaatsvindt.
Onder zijn leiding werden diverse clearingverdragen met het buitenland tot stand gebracht.
In 1940 werd hij tevens president-directeur van het in dat jaar opgerichte Deviezeninstituut. Dit instituut was belast met de uitvoering van deviezenwetten en -verordeningen, uitgevaardigd door de regering de facto van bezet Nederland.
Een besluit van de Duitse bezetter om de verstrekking van deviezenvergunningen voor de invoer van goederen voortaan door Rijksbureaus te laten geschieden, dit in verband met de aanwijzing van Duitse "Beauftragten" bij deze bureaus, alsmede Duitse plannen om het Clearing- en Deviezeninstituut onder te brengen bij De Nederlandsche Bank, van welk instituut de nog van vóór de oorlog overgebleven directieleden eind juni 1943 waren afgetreden, deden Bruins en zijn naaste medewerker J. Deknatel besluiten te verzoeken van hun functie ontheven te worden. Per 31 juli 1943 werd hun daarop ontslag verleend.
Kort na de oorlog werden Bruins en Ir. J.F.W.G. Bolderdijk, employé van "De Koninklijke", belast met het beheer van het Nederlandse vermogen van het Deutsches Kalisyndikat, en het bestuur van de reeks vennootschappen die dit syndicaat, dat zijn buitenlandse belangen hoofdzakelijk in Nederland had geconcentreerd, hier bezat. In verband met zijn benoeming in maart 1946 tot executive director voor Nederland en Zuid-Afrika bij het Internationaal Monetair Fonds was Bruins gedwongen af te zien van bovengenoemde werkzaamheden en tevens van het beheer van het vermogen van Wintershall A.G. en Salz-detfurth A.G.
Slechts korte tijd heeft hij deze functie bij het Internationaal Monetaire Fonds kunnen bekleden. Professor Bruins overleed op 64-jarige leeftijd te Washington op 22 maart 1948. Als financieel-economisch deskundige heeft Bruins zitting gehad in talrijke commissies,ingesteld door de overheid en het bedrijfsleven in binnen- en buitenland; in sommige daarvan heeft hij wegens zijn vertrek naar Duitsland niet tot aan de beëindiging der werkzaamheden kunnen meewerken.
Ook in verenigingen ontplooide hij vele activiteiten. Hij was voorts arbiter in nationale en Internationale geschillen en commissaris van diverse banken en andere bedrijven. Voor de overige activiteiten op financieel-economisch en ander gebied moge verwezen worden naar de inhoudsopgave.
Voor zijn verdiensten ontving Bruins talrijke binnen- en buitenlandse onderscheidingen.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Lotgevallen van het archief
Zie ook het archief van de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief, 1980 Dossier Bruins. Tijdens de inventarisatie is ook enige documentatie over prof. Bruins verzameld, die in dit dossier bewaard wordt.
Na de dood van Bruins is zijn archief nogal verspreid geraakt. Door zijn weduwe zijn nl. delen van het archief geschonken aan verschillende instellingen. Het hoofdbestanddeel, ca. 8 m', werd in 1952 afgestaan aan de Vereniging "Het Nederlands Economisch-Historisch Archief" te Amsterdam.
Bij de decentralisatie van het archiefbestand van de vereniging werd dit deel van het archief van Bruins in twee fasen, in 1972 en in 1974, voor een periode van tien jaar in bruikleen overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief. In het kader van de opleiding tot middelbaar archiefambtenaar werd ons dit gedeelte ter inventarisatie gegeven.
Tijdens de inventarisatie bleek, dat andere delen van het oorspronkelijke archief nog berustten bij de zoon van prof. Bruins, mr D. Bruins, te Deventer, de bibliotheek van het Vredespaleis, het archief van De Nederlandsche Bank te Amsterdam en bij de Vakgroep Economische Geschiedenis van de Economische Faculteit van de Erasmus Universiteit.
De bij mr D. Bruins en de Erasmus Universiteit berustende gedeelten zijn in de periode 1978-1980 in eigendom overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief.
Het bij De Nederlandsche Bank berustende gedeelte werd in 1979 verworven, met uitzondering van de stukken met betrekking tot Bruins' functie van Koninklijk Commissaris bij de bank, en zijn lidmaatschap van de commissie inzake de herziening van het statuut van De Nederlandsche Bank,die in het archief van de bank achterbleven en in principe op verzoek voor onderzoek beschikbaar zijn. Pogingen om het gedeelte van het archief dat in de bibliotheek van het Vredespaleis berustte te verwerven zijn helaas (nog) zonder resultaat gebleven
verworven in 1981. Zie supplement blz. 314 e.v.
. Deze stukken handelen over twee internationale arbitrages, waarbij Bruins als arbiter betrokken was.
Zie blz. 164.
Tijdens de inventarisatie groeide het archief door de aanwinsten van ca. 8 tot ca. 13 m'. Hiervan is ca. 1 m' aan dubbele exemplaren vernietigd.
Het hoofdbestanddeel van het archief van Bruins, ca. 8 m', werd in twee fasen, in 1972 en in 1974, voor een periode van tien jaar in bruikleen overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief.
De bij mr D. Bruins en de Erasmus Universiteit berustende gedeelten zijn in de periode 1978-1980 in eigendom overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief.
Een deel van het bij De Nederlandsche Bank berustende gedeelte werd in 1979 verworven.
In 1981 werden de, in de bibliotheek van het Vredespaleis berustende stukken, in eigendom overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief.