Geschiedenis van de archiefvormer
De familienaam Vosmaer komt reeds in de vijftiende eeuw in het graafschap Holland voor. Simon van Leeuwen vermeldt in zijn Batavia Illustrata dat een zekere Jan Muysz. van de Velde, lid van een ridderlijk geslacht uit Maasland, zich ook Vosmaer noemde. Hij was in 1401 schepen in Delft. Ook in de regeringen van 's -Gravenhage en Leiden bekleedden leden van de familie Vosmaer in die zelfde tijd ambten
Simon van Leeuwen, Batavia Illustrata [...], 's Gravenhage 1685, p. 1130. Zie ook inv. nr. 1.
. Of zij in een rechtstreekse familierelatie stonden met de personen, wier archiefstukken in deze inventaris zijn beschreven, valt door gebrek aan bronnen uit deze periode niet te bewijzen.
Sinds het midden van de zestiende eeuw leefden in Delft verschillende personen met de achternaam Vosmaer of Vosmeer van wie wij evenmin kunnen vaststellen of zij onderling verwant waren: de magistraat Michiel Corneliszoon Vosmeer, wiens zoons Tielman, Michiel en Sasbout bekendheid genoten als geleerden; een familie Vosmaer die goud- en zilversmeden voortbracht, en sinds het midden van de zeventiende eeuw de kunstschilders Christiaan, Daniël, Jacob en Nicolaas Vosmaer. De patroniemen doen vermoeden dat de schilders en de goud- en zilversmeden tot één familie behoorden.
Van hen is de goudsmid Wouter Arentsz. Vosmaer te beschouwen als de stamvader van de leden van de familie Vosmaer, die onderwerp van deze inventaris zijn
Voor genealogie van de familie Vosmaer, zie Nederland's Patriciaat, jrg. 30, 1944, p. 365-379.
. Zijn nakomelingen behoorden tot het midden van de achttiende eeuw tot de gegoede middenstand.
Jacob Vosmaer (1717-1781) was de eerste van de familie die openbare functies bekleedde. Door zijn vrouw, Louisa Maria Mosburger, wier familie een goede relatie onderhield met stadhouder Willem IV, kwam ook hij in contact met de stadhouderlijke familie. Deze goede verstandhouding werd na hem door verschillende familieleden onderhouden. Zo werd zijn broer Arnout (1720-1799) - vermaard verzamelaar van munten, penningen, prenten en voorwerpen van natuurlijke historie - in 1752 aangesteld als directeur van de stadhouderlijke Kabinetten van Natuurlijke Historie en in 1770 bovendien belast met het beheer van de stadhouderlijke menagerie op het Kleine Loo te Voorburg
Zie inv. nr. 57 en zijn levensbeschrijving door C[arel] V[osmaer] in De Navorscher, jrg. 7, 1857, p. 18-19.
.
Ook deze Willem Carel (1749-1818)[zoon van Jacob Vosmaer, broer van Wouter Arentsz.] was vurig aanhanger van de Oranjepartij. Als advocaat-fiscaal en procureur-generaal bij het Hof van Holland kreeg hij te maken met aantijgingen tegen onder meer prinses Wilhelmina. Zijn orangistische houding in dezen werd hem noodlottig: hij werd in 1795 uit zijn ambten gezet. Dit zelfde lot trof ook de vader van zijn tweede vrouw, Isaac Scheltus; deze werd in dat jaar ontslagen als 's lands drukker.
Isaac was het zevende lid van een geslacht, waarvan de leden van 1669 tot 1795 onafgebroken deze functie hadden vervuld. Dit hield in dat de particuliere drukkerij Scheltus de Staten van Holland ten dienste stond voor verzorging van publikaties
M. Schneider, De voorgeschiedenis van de "Algemeene Landsdrukkerij", 's -Gravenhage 1939.
.
Aanvankelijk dreef Willem Carel de drukkerij "Vosmaer en Zoonen" met de twee zeer jeugdige jongste zoons uit zijn eerste huwelijk, Gualterus en Willem Carel jr. Toen hij tijdens het koningschap van Lodewijk Napoleon weer openbare functies mocht uitoefenen, droeg hij in 1809 de drukkerij over aan Gualterus, die haar zelfstandig voortzette
Zie ook E.F. Kossmann, De boekhandel te 's-Gravenhage tot het eind van de 18e eeuw, in Bijdragen tot de geschiedenis van den Nederlandschen Boekhandel, vol. 13, 's -Gravenhage 1937.
. In de lijn van de familietraditie volbracht Gualterus in 1813 de riskante onderneming de befaamde proclamatie van Gijsbert Karel van Hogendorp te drukken. Was het deze uiting van trouw aan het huis van Oranje, die in 1814 werd beloond met zijn benoeming tot directeur van de in dat jaar opgerichte Algemeene Landsdrukkerij
Schneider, p. 185.
, of zou het feit dat hij de erfgenaam van de laatste landsdrukker was (het enigszins verwarde interregnum van de Franse tijd niet meegerekend) een rol hebben gespeeld bij zijn benoeming
Kossmann, p. 444.
? Vaststaat dat Gualterus een solide man was, die een groot vertrouwen genoot, zowel in zijn ambtelijke betrekking als bij zijn familie. Dit laatste is, zoals wij zullen zien, van groot belang geweest voor de vorming van het familiearchief.
Gualterus was in 1813 getrouwd met een dochter uit een vooraanstaand en gefortuneerd Zeeuws geslacht, Wilhelmina Dana Radermacher. Zij had, toen zij trouwde, vijf zusters en twee broers; niets deed toen vermoeden dat het geslacht spoedig in mannelijke lijn zou uitsterven.
Ook voor zijn beide broers en zijn halfbroers en -zusters vervulde Gualterus [een] vertrouwensfunctie. Het voert in dit bestek te ver hen één voor één de revue te laten passeren. Enkelen genoten in hun eigen tijd een zekere faam; de neerslag van hun handelen rechtvaardigt daarom een nadere bespreking.
Gualterus' al eerder genoemde oudste broer Jacob (1783-1824) ging na het verlaten van de Latijnse school medicijnen studeren. Hij was enige tijd als geneesheer werkzaam in Zutphen en Haarlem. In 1815 werd hij hoogleraar in de kruid-, schei- en artsenijkunde aan de Hogeschool te Harderwijk, in 1818 buitengewoon hoogleraar in dezelfde vakken aan de universiteit te Utrecht en in 1820 hoogleraar in de scheikunde, leer der geneesmiddelen en artsenijmengkunde aan de pas opgerichte Veeartsenijschool aldaar. Naast publikaties op zijn vakterrein heeft hij zich door zijn letterkundige geschriften een plaats verworven in de Nederlandse literatuur; zijn "mr. Maarten Vroeg" beleefde nog in 1978 een herdruk
Jacob Vosmaer, Het leven en de wandelingen van Meester Maarten Vroeg, ingeleid en toegelicht door J. Wagelaar, Culemborg 1978.
.
Twee van Gualterus' halfbroers, Jan Henrik Gabriel en Jaques Nicolas trokken op betrekkelijk jonge leeftijd naar Nederlands-Indië en vervulden functies in het binnenlands bestuur. De eerste trouwde daar en werd de stichter van de Indische tak van de familie. De avontuurlijk ingestelde Jaques - zijn brieven aan de familie in Nederland getuigen daar van - nam spoedig na zijn aankomst in Indië deel aan acties van het gouvernement tegen inlandse vorsten; zijn verdienste ligt vooral in de door hem ondernomen ontdekkingstochten van de wateren om Celebes. Deze ontdekkingen, waarvan hij schriftelijk verslag deed, droegen mede bij tot de ontplooiing van de handel in dit gebied. Behalve in het familiearchief berust ook in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam een dergelijk verslag
Jacques Nic. Vosmaer, Korte beschrijving van het Zuidoostelijk schiereiland van Celebes, in het bijzonder van de Vosmaer's baai of van Kendari. Verrijkt met eenige berigten omtrent den stam der drang Badjo's en meer andere aanteekeningen, 1835, in Bibliotheek der Universiteit van Amsterdam. Catalogus der Handschriften, II, Amsterdam 1902, nr. 1293. Voor zijn levensbeschrijving, zie ook Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, deel 7, 1927.
.
Carel Vosmaer (1826-1888), zoon van Willem Carel Vosmaer en Wilhelmina Dana Radermacher
Over Carels leven en werk zij - daar het in dit bestek onmogelijk is daarvan een volledig overzicht te geven het volgende kortheidshalve vermeld
Een gedetailleerde studie, gebaseerd op het nu beschreven archiefmateriaal is F.L. Bastet, Mr. Carel Vosmaer, zijn achtergronden, zijn reizen, zijn tijdgenoten, zijn invloed, den Haag 1967. Zijn voorganger als onderzoeker in het familiearchief, J.P. Boyens heeft in zijn Utrechtse dissertatie Mr. Carel Vosmaer, Helmond 1931 een selectief gebruik gemaakt van het archiefmateriaal; het werk komt door zijn eenzijdigheid voor raadpleging als biografie minder in aanmerking.
: na zijn school tijd in Den Haag, waar hij een klassieke opvoeding genoot aan het Stedelijk Gymnasium, studeerde hij rechten in Leiden. De in hem aanwezige literaire en artistieke talenten kwamen in zijn studententijd al tot uiting. Aanvankelijk koos hij zich, na de afronding van zijn studie, een loopbaan in de rechterlijke macht: hij werd in 1853 griffier bij het kantongerecht in Oud-Beijerland. In datzelfde jaar trad hij in het huwelijk met Abrahamina Cornelia Charlotte Georgette Clant; uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren, van wie er één op jonge leeftijd overleed.
De periode in Oud-Beijerland, waar het ambtelijk leven hem niet al te zeer in beslag nam, gebruikte hij ter verdere ontwikkeling en ontplooiing en ter voorbereiding van enkele essays die in de jaren daarna verschenen.
Bastet, p. 18.
Hij keerde in 1856 terug in Den Haag, waar hij benoemd was tot substituut-griffier bij het Gerechtshof van Zuid-Holland. Het culturele leven in Den Haag werd grotendeels bepaald door het letterkundig genootschap "Oefening kweekt kennis" en het schilderkundig genootschap "Pulchri Studio"; hun leden hadden een grote onderlinge band. Enkele van hen waren redacteur van de in Den Haag geredigeerde tijdschriften.
Nop Maas, 'Liberale Literatuur. Een en ander over 'De Nederlandsche Spectator' en de letterkunde', in Literatuur, jrg. 4, nr. 5, 1987.
Ook Carel Vosmaer was van beide genootschappen lid en leverde spoedig letterkundige en essayistische bijdragen aan die tijdschriften, zoals de Algemeene Konst- en Letterbode en het door hem met anderen in 1858 opgerichte De Tijdstroom. De redacties van deze tijdschriften verenigden zich in 1860 met de toen vier jaar oude De Nederlandsche Spectator. Ook van de redactie van dit progressief-liberale weekblad maakte Carel Vosmaer deel uit. In de eerste jaren van het bestaan ervan drukte vooral Reinier Cornelis Bakhuizen van den Brink zijn stempel op de Spectator. Na diens overlijden in 1865 werd Carel Vosmaer de toonaangevende figuur. De redactie gaf haar opinie over de meest uiteenlopende onderwerpen zoals letterkundige, maatschappelijke, politieke, godsdienstige zaken, over kunsten en wetenschappen. Dat deed ze vooral in de rubrieken "Vlugmaren", "Pluksel" en de wekelijkse prent. Aanvankelijk werden de Vlugmaren door Gerard Keiler onder het pseudoniem "Flanor" geschreven. Na diens vertrek in 1864 nam Carel Vosmaer deze taak over en werd de nieuwe Flanor. Hij bleef redacteur tot zijn overlijden in 1888
Nop Maas, De Nederlandsche Spectator. Schetsen uit het letterkundig leven van de tweede helft van de negentiende eeuw, Utrecht/Antwerpen 1986.
Daarnaast redigeerde hij "De Schilderschool" (vanaf 1868) en de "Kunstkronijk" (1875-1876) en schreef hij talloze bijdragen voor andere periodieken, merendeels op het gebied van kunst, kunstgeschiedenis, archeologie en letterkunde.
Kenmerkend voor Vosmaers liberale houding is dat hij anderen de ruimte gaf. Zo brak hij een lans voor Multatuli - met wie hij zeer bevriend was - in zijn artikelen in Het Vaderland, getiteld 'Een en ander' (later gebundeld onder de titel Een zaaier). Hij was een vaderlijke vriend voor de jonge generaties, inclusief de tachtigers, die hij desgevraagd van advies diende en aan wie hij bovendien de gelegenheid gaf in De Spectator te publiceren.
Aanvankelijk combineerde hij het schrijven met het vervullen van zijn ambt; in 1866 had hij het griffierschap van het Gerechtshof verruild voor dat van de Hoge Raad. In 1873 nam hij evenwel ontslag om zich geheel in te kunnen zetten voor zijn publicistisch werk. Hij zette zich aan het vertalen in metrische verzen van Homerus; de Ilias verscheen in 1878, de Odyssee postuum in 1888. Hij maakte reizen naar Londen en Italië; de daarin opgedane indrukken - vastgelegd in reisdagboeken en schetsboeken - vormden stof voor zijn letterkundig werk als Londinias, Amazone, Nanno en Inwijding. Hij overleed vrij plotseling in Territet bij Montreux in 1888. Uit zijn papieren nalatenschap blijkt hoe groot zijn aanzien was in het culturele en wetenschappelijke leven van zijn tijd, waarin hij een sleutelpositie bekleedde. Hij onderhield een briefwisseling met vele vooraanstaande kunstenaars, met personen die zich bewogen op het gebied van kunst en kunstgeschiedenis, met letterkundigen, classici en verzamelaars.
Carels weduwe bleef nog een aantal jaren wonen in het huis in de De Ruyterstraat in Den Haag, waar het gezin zich in 1866 had gevestigd. [Oudste zoon] Gualtherus woonde en werkte in die tijd als zoöloog aan de Nederlandse werktafel van het Zoölogisch Station in Napels.
Deze had in Den Haag op de Hoogere Burgerschool zijn opleiding gekregen en had daarna in Leiden en Graz plant- en dierkunde gestudeerd. Toen hij met zijn studie begon, maakte vooral de dierkunde een grote ontwikkeling door. Tot het midden van de 19e eeuw hielden voornamelijk medici zich met de zoölogie bezig
Gualtherus zou zich later als hoogleraar beijveren voor het bestuderen van zijn vak door medici, zie inv. nr. 693.
. De evolutietheorie van Charles Darwin luidde een nieuwe tijd in. De wetenschap werd een specialisme; zij richtte zich op afstammingsonderzoek waarin vooral de morfologie belangrijk was. Bovendien stond de biologie van de zee volop in de belangstelling; onderzoek werd mogelijk gemaakt door uitrusting van expedities op zee en in zoölogische stations, die aan de kustplaatsen werden gevestigd. Het aantal diersoorten dat door deze onderzoeksmogelijkheden bekend werd, steeg enorm. Als typische exponent van zijn tijd bekwaamde Gualtherus zich tijdens zijn studie in kennis van sponzen. Na zijn studietijd in Leiden studeerde hij bij de spongioloog Franz Eilhard Schulze in Graz en rondde hij zijn studie af met het verdedigen van een Leidse dissertatie over sponzen
Aanteekeningen over Leucandra aspera H. Bijdragen tot de kennis van de kalksponzen, Leiden 1880.
. In 1880 werd hij door de Nederlandse regering uitgezonden naar Napels, waar hij, met een korte onderbreking in 1881, tot 1889 in het Zoölogisch Station van Anton Dohrn werkzaam was als onderzoeker van sponzen in de Baai van Napels. Dit onderwerp heeft hem zijn gehele leven bezig gehouden. Daarnaast bedreef hij - zijn opvoeding verloochende zich niet! - de geschiedenis van zijn vak. Hoewel hij niet op het gymnasium was geweest, evenaarde hij zijn vader later in kennis van de klassieke oudheid; hij beheerste Latijn en Grieks. Evenals zijn vader was hij zeer bedreven in het hanteren van potlood en tekenpen, hetgeen hem in de uitoefening van zijn vak van groot nut was. Zijn vader stimuleerde hem tot publiceren, waartoe hij hem ruimte in De Nederlandsche Spectator beschikbaar stelde. Daarnaast namen vele binnen- en buitenlandse tijdschriften artikelen van zijn hand op, veelal door hem zelf geillustreerd
Zie inv. nrs. 641-660.
. Al in 1880 kondigde hij aan dat hij een spongiologische bibliografie had samengesteld, waarvan het oudste werk uit 1551 dateerde.
Spoedig na het overlijden van zijn vader keerde hij naar Nederland terug en werd privaat-docent aan de universiteit van Utrecht. In 1904 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de universiteit van Leiden als opvolger van zijn leermeester C.K. Hoffmann. Eén van zijn studenten, Catalina Suzanna Röell, werd in 1906 zijn vrouw. Zij bewoonden het pand Rapenburg 83 in Leiden.
Geschiedenis van het archiefbeheer
Na het overlijden van Wouter Arentsz. Vosmaer in 1799 werd zijn boedel geveild
Zie bijlage
; ca. 300 aan hem gerichte brieven, alsmede het verslag van een door hem met baron De Hochepied gemaakte reis zijn later aangekocht door Universiteitsbibliotheek van Leiden
Bibliotheca Academiae Lugduno-Batavae. Catalogus deel XXII. Inventaris van de handschriften, tweede afdeeling, eerste helft. Leiden 1934, Bibliotheca Publica Latina nr. 246 (brieven) en 2058 (reisverslag), zie ook inv. nr. 53.
. Vermoedelijk heeft de zoon van zijn broer Jacob, Willem Carel Vosmaer, als executeur van zijn ooms nalatenschap de overige archivalia onder zijn hoede genomen
Het overlijden van zijn schoonvader in 1799 stelde Willem Carel Vosmaer in staat de drukkerij Scheltus over te nemen om op deze wijze in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Niet alleen het drukkersmateriaal, maar ook een deel van het familiearchief Scheltus kwam zo in zijn bezit.
De oudste zoon van Willem Carel was Jacob, op wie wij hierna zullen terugkomen. Evenwel niet bij hem, maar bij Gualterus (1784-1849) vond na het overlijden van Willem Carel het archief onderdak.
Bij de vele sterfgevallen in de familie van zijn vrouw trad Gualterus op als executeur-testamentair; zo moeten de archivalia van de oudere leden van dit geslacht bij hem terecht zijn gekomen
Voor genealogie Radermacher, zie Nederland's Adelsboek, jrg. 14, 1916, p. 180-182. Meer stukken, afkomstig van leden van deze familie berusten in het Rijksarchief in Zeeland, in de familiearchieven Radermacher en Schorer, zie M.P. de Bruin, Gebundelde Inventarissen [van het] Rijksarchief in Zeeland, 's-Gravenhage 1962 en G.F. Sandberg, Inventaris van het archief van de familie Schorer, Middelburg 1983, en in het Algemeen Rijksarchief, eerste afdeling, familiearchief Radermacher.
.
Hoe Jacobs papieren hun plaats hebben gekregen in het familiearchief is niet bekend. Wellicht zijn zij na het overlijden van zijn vrouw in 1833 terecht gekomen bij Gualterus, die toen voogd over de vier minderjarige kinderen werd. Het is ook mogelijk dat zij na het kinderloos overlijden in 1871 van de laatste van de vier kinderen bij het familiearchief zijn gevoegd.
Gualterus heeft de papieren van en over zijn jong overleden halfbroers zorgvuldig bewaard. Als behoeder van de familietraditie en van haar papieren neerslag gaf hij zijn enig kind Carel (1826-1888) deze geestelijke en materiële erfenis mee; het viel bij Carel in goede aarde..
Kwalitatief en kwantitatief vormen de archivalia van Carel een substantieel bestanddeel binnen het totale familiearchief. Hij kende de waarde van een goed gevormd en bewaard archief en deed er zijn voordeel mee. Want zowel het archief dat hij zelf had gevormd als zijn familiearchief gebruikte hij voor zijn werken.
Toch zal de onderzoeker bepaalde bestanden, waarvan de aanwezigheid in het familiearchief verwacht zou mogen worden, niet aantreffen. Dat zijn de manuscripten van het merendeel van zijn boeken. Van de werken, die door zijn oudste zoon Gualtherus C.J. postuum zijn uitgegeven, de onvoltooid gebleven roman Inwijding en de vertaling van de Odyssee werden de manuscripten aangetroffen in diens archivalia. De vertaling van de Ilias bijvoorbeeld ontbreekt echter. Uit de nalatenschap van Carels kinderloos overleden tweede zoon, Willem, kwamen, met diens archivalia de manuscripten van Amazone en Nanno mee. Het is mogelijk dat de manuscripten zijn verdeeld over de vijf kinderen, hoewel dat niet blijkt uit de stukken. Dergelijke lijstjes bestaan wel van de realia
Inv. nr. 305.
.
Het is niet waarschijnlijk dat het familiearchief na het overlijden van Carel direct onderdak heeft gevonden bij zijn oudste zoon Gualtherus Carel Jacob (1854-1916).
Gualtherus had het familiearchief al onder zijn beheer toen hij in Utrecht woonde; op één van de foto's die van zijn kamers aldaar zijn gemaakt staan althans de portefeuilles afgebeeld, waarin het archief, totdat het werd geïnventariseerd, was opgeborgen. Dankzij zijn goede relatie met verschillende familieleden en zijn faam als kenner van de familiegeschiedenis, verwierf hij archivalia van aanverwante families: zijn nicht Antoinette van Meerten schonk hem de archivalia Van Meerten, van zijn nicht Wilhelmina Boursse Wils kreeg hij stukken betreffende haar vader, alsmede enkele stukken Radermacher, en vermoedelijk van zijn tantes Maria Charlotte en Cornelia Theodora Henriëtte Clant het archiefbestand Clant
Voor genealogie Clant zie Nederland's Patriciaat, jrg. 30, 1944. De archieven van leden van de familie Clant zijn nogal verspreid bewaard. Het grootste bestanddeel, Clant van Hanckema, bevindt zich in het Rijksarchief in Groningen, zie Gebundelde inventarissen [van het] Rijksarchief in Groningen, deel 1, Groningen 1968. Voor de verblijfplaats van de overige bestanddelen raadplege men het Centraal Register van Particuliere Archieven te 's-Gravenhage.
. Na het overlijden in 1916 van Gualtherus zag mevrouw Vosmaer-Röell zich geplaatst voor de taak de erfenis van haar man te beheren. Enerzijds stelde zij zich ten doel met behulp van anderen zijn nagelaten wetenschappelijk werk gepubliceerd te doen krijgen, waartoe zij door haar studie zeer wel was toegerust, anderzijds had zij tot taak het familiearchief te beheren. Daar haar zoon Carel J.J.G. toen pas 9 jaar oud was, stond zij daar aanvankelijk alleen voor. De verschijning van de bibliografie van de sponzen en de monografie over de sponzen in de Baai van Napels werd door allerlei redenen zo vertraagd
Zie inv. nrs. 701-708 en 710-716.
dat Carel - inmiddels student in Leiden daarin zijn aandeel kon leveren. Ook in het beheer van het familiearchief werd hij door zijn moeder betrokken
Zie inv. nrs. 995-996.
. Beiden hebben vele onderzoekers aan zich verplicht door hun de daartoe benodigde faciliteiten te verlenen.
Aan het eind van de jaren dertig kreeg het archief opnieuw aanvullingen. Allereerst de archivalia van Willem Vosmaer (1856-1936), tweede zoon van Carel en Abrahamina Clant. Hij doorliep een carriére als beroepsmilitair, en werd tenslotte generaal-majoor titulair. Ook hij kreeg op jonge leeftijd van zijn vader de gelegenheid zijn beroepservaringen in de Spectator mee te delen
Zie inv. nr. 785.
. Hij trok zich na het overlijden van zijn broer Gualtherus veel aan van diens gezin; hij was toeziend voogd over Carel. Daar hij zelf geen kinderen had, was het min of meer vanzelfsprekend dat zijn archivalia na zijn overlijden naar Leiden werden overgebracht.
Bij het archief kwam bovendien nog het bestanddeel Röell, afkomstig van de moeder van mevrouw Vosmaer-Röell, Wilhelmina Frederika François
Voor genealogie Röell zie Nederland's Adelsboek, jrg. 24, 1926, voor genealogie François zie Nederland's Patriciaat, jrg. 34, 1948. Van enkele leden van de familie Röell is archief gedeponeerd in het Algemeen Rijksarchief, tweede afdeling, n.1. van jhr. J. Röeil, jhr. J.A. Röell en W.F. baron Röell. Voor de verblijfplaats van de archieven van andere leden van deze familie raadplege men het Centraal Register van Particuliere Archieven te 's-Gravenhage.
. Zij woonde tijdens de laatste jaren van haar leven bij haar dochter in Leiden, waar zij in 1940 overleed.
Het familiearchief Vosmaer bleef ook na het overlijden in 1970 van mevrouw Vosmaer-Röell in het huis aan het Rapenburg berusten.
De verwerving van het archief
Het archief is voor langere tijd in beheer, niet in eigendom verkregen.