Levensloop van A.L.A. van Bladel
Augustinus Lambertus Antonius (Guus) van Bladel werd op 13 september 1931 geboren te Waalwijk. Hij was de oudste uit een gezin van zes kinderen. Zijn vader was bloemist. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog ging Guus van Bladel naar de Rooms Katholieke HBS in zijn woonplaats, die hij echter na drie jaar verliet om als vrijwilliger te dienen bij de Koninklijke Marine. Van Bladel kreeg een administratieve functie als schrijver der 1e klasse en hij voer mee op diverse schepen.
In 1960 zei Van Bladel de marine vaarwel en ging hij aan de slag bij de Amsterdamsche Ballast Maatschappij. Tegelijkertijd volgde hij in de weekeinden een cursus tot personeelschef bij het Onderwijs Instituut in Culemborg. Nadat Van Bladel deze met succes had afgerond, trad hij als assistent-personeelschef in dienst bij Hoechst Holland in Weert. Vier jaar later kreeg hij bij hetzelfde bedrijf een baan als personeelschef en in 1974 werd hij bevorderd tot chef van de 'Sociale Afdeling'.
Inmiddels was Van Bladel ziek geworden. In 1976 belandde hij hierdoor in de WAO en vertrok hij in 1977 op doktersadvies naar Singapore, waar hij diverse malen werd opgenomen in het ziekenhuis. De auteur Gerard van het Reve, die in 1971 bij Van Bladel in Weert was ingetrokken, emigreerde als gevolg hiervan naar Frankrijk. Aanvankelijk wilde Van Bladel slechts tijdelijk in de Aziatische stadsstaat blijven, maar uiteindelijk vestigde hij zich er permanent, omdat dit beter was voor zijn gezondheid.
Van Bladel volgde in Singapore verschillende cursussen, die hem opleidden tot hulpverlener en reclasseringsambtenaar (Volunteer After Care Officier en Volunteer Probation Officer). Als vrijwilliger begeleidde hij vervolgens drugverslaafden en ex- gedetineerden. In 1983 werd hij door de Singaporese rechtbank benoemd tot Gazetted Senior Volunteer Probation Officer. Deze functie vervulde hij, totdat hij in mei 2001 naar Maleisië verhuisde.
In 1992 werd Van Bladel voor zijn werkzaamheden onderscheiden door de Singaporese regering met The Public Service Medal en in 1995 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Tenslotte heeft hij nog verschillende publicaties op zijn naam staan, waaronder een biografie over Reve en twee boeken over het verblijf van twee Nederlanders in de gevangenis in Singapore en de rechtszaken tegen hen.
Relatie tot de stukken
Sinds zijn vestiging in Singapore stond Van Bladel Nederlandse gevangen bij, die in deze stadsstaat, Thailand of Indonesië hun straf uitzaten. In dat verband hoorde hij in september 1992 dat er twee Nederlanders gevangenen zaten wegens drugssmokkel. Van de Nederlandse en Singaporese autoriteiten kreeg hij toestemming om de sociale begeleiding van beiden op zich te nemen. Sindsdien bezocht hij Maria Krol-Hmelak eens in de twee weken en Johannes van Damme wekelijks.
Maria Krol was op 19 april 1991 gearresteerd. In de machineonderdelen, die op haar hotelkamer werden gevonden, zat 1,6 kilo heroïne verstopt. Vijf maanden later, op 27 september, werd Johannes van Damme gearresteerd op de luchthaven van Singapore. In de dubbele bodem van zijn koffer was 4,32 kilogram heroïne gevonden. In afwachting van hun proces zaten beide zakenlieden in voorlopige hechtenis. Krol en Van Damme waren voor hun arrestatie beiden woonachtig in Nigeria, maar kenden elkaar niet. Voor de twee Nederlanders zag het er niet best uit. Iemand die in het bezit is van 15 gram heroïne of meer wordt door de Singaporese autoriteiten gezien als een drugsdealer, die een halsmisdaad pleegt. Bij bewezen schuld is de rechter wettelijk verplicht om de doodstraf op te leggen.
De rechtszaak tegen Maria Krol-Hmelak begon op 17 september 1993. De openbare aanklager eiste tegen haar de doodstraf. Zelf pleitte zij onschuldig, maar haar kansen leken niet groot: ze was immers betrapt in het bezit van heroïne en over het algemeen wordt men dan, zoals hiervoor al werd opgemerkt, schuldig bevonden. Volkomen onverwacht sprak de rechter Krol echter vrij. Hij was van mening, dat zij inderdaad niet geweten had van de werkelijke lading die ze vervoerde. Maria Krol kon Singapore als vrij persoon verlaten. Het proces had bij elkaar 29 dagen geduurd.
Van Damme had geen geluk. Reeds in april 1993 was hij ter dood veroordeeld. Zijn bewering te zijn misleid door een Nigeriaanse zakenrelatie werd door het hof niet geloofd. Na het vonnis werd Van Damme overgeplaatst naar de dodencel in afwachting van zijn hoger beroep, dat eind november plaatsvond. Volgens het hof kwam er bij de behandeling van zijn zaak geen nieuw, ontkrachtend bewijs te voorschijn en de doodstraf bleef dan ook gehandhaafd. Op 6 mei 1994 diende Van Damme's advocaat vervolgens het gratieverzoek in bij de Singaporese president. De Nederlandse regering steunde het verzoek op humanitaire gronden. Het mocht niet baten, want een maand later werd het verzoek afgewezen. Alle juridische mogelijkheden waren nu verkeken. Ook een brief van koningin Beatrix aan de Singaporese president bracht geen verandering in het vonnis.
Op vrijdag 23 september tussen zes en half zeven in de ochtend werd Johannes van Damme opgehangen in de Changi Prison.