2.21.328 Inventaris van het archief van Adriaan van der Willigen [levensjaren 1766-1841], 1797-1836

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Biografie van Adriaan van der Willigen ( 1766-1841)

Adriaan van der Willigen werd op 12 mei 1766 te Rotterdam geboren. In 1770 kreeg hij een grote erfenis van zijn grootmoeder. Het geld werd voorlopig belegd bij de Haarlemse Weeskamer.
Op zestienjarige leeftijd trad hij in dienst bij een koopmanskantoor in Rotterdam. Het werk beviel hem echter niet. Daarom werd hij in 1785 militair. Op zijn verzoek werd hij in 1789 uit de militaire dienst ontslagen. Na zijn ontslag ging hij eerst in Oss wonen. In 1792 vertrok hij naar Tilburg en sloot daar vriendschap met radicale patriotten als Pieter Vreede en Cornelis den Tex. Van der Willigen had veel belangstelling voor politiek, reizen en kunst. Hij werd lid van een leesgenootschap. In 1794 werd Tilburg bezet door Franse troepen. Van der Willigen werd aangesteld tot adjunct-secretaris. In 1795 werd hij tot drossaard gekozen.
Tijdens zijn verblijf in Tilburg schreef hij verschillende boeken en toneelstukken.
Schoolfeest gevierd te Tilburg, den 17. January 1796, het tweede jaar der Bataafsche Vryheid (Tilburg, J.C. Vieweg), Volks-feest gevierd te Tilburg, den XIX. Mei MDCCXCVIII het vierde Jaar der Bataafsche Vryheid ('s-Hertogenbosch, J.B. van Gulpen en Zoonen, 1798), Toneelstukken: Selico (1794), Claudine (Haarlem, 1797) en De Recommandatie-brieven (Haarlem, 1800).
In 1801 werd een nieuwe staatsregeling ingevoerd. In december 1802 beëindigde Van der Willigen zijn politieke loopbaan. Hij besloot zich te wijden aan reizen, kunst en wetenschap.
In 1802 vertrok hij naar Parijs. Hij trok door Frankrijk, Italië, Oostenrijk, Zwitserland en Duitsland. In 1805 kwam hij terug in Nederland. Hij ging in Haarlem wonen. Tijdens zijn reis heeft hij regelmatig gecorrespondeerd met de Haarlemse uitgever P. Loosjes. Deze brieven werden in 1805 gepubliceerd.
Reize door Frankrijk in Gemeenzame Brieven (Haarlem, P. Loosjes, 1805)
Naar aanleiding van zijn buitenlandse reizen schreef hij nog vier andere boeken.
Parijs in den Aanvang van de Negentiende Eeuw (Haarlem, P. Loosjes, 1806-1807; 3 delen; 2e druk in 1814), Aanteekeningen op eener Reize van Parijs naar Napels door het Tirolsche en van daar door Zwitserland en langs den Rhijn terug naar Holland (Haarlem, P. Loosjes, 1811-1813; 4 delen), Aanteekeningen op een togtje door een gedeelte van Engeland in het jaar 1823 (Haarlem, P. Loosjes, 1824), en Aanteekeningen op een togtje door een gedeelte van Duitschland in het jaar 1828 (Haarlem, P. Loosjes, 1829).
Hij schreef ook liederen
By het uittrekken der Bataafsche Troupen aan boord van 's Lands Vloot (z.d.). Hij werkte onder het pseudoniem Hoogeveen mee aan de bundel Democritische Tafelliedjes (Haarlem 1822), waarin drie bijdragen van hem stonden: 'Het Vaderland en de Koning', 'De Verjaring van Democriet', en 'Het Lagchen'.
en toneelstukken.
Willem en Klaartje of de Voorbeeldige pastoor, zedelijk toneelstukje met zang (Haarlem, 1806) en De oude verliefde dichter alleen (Haarlem, 1814; op verzoek van de toneelspeler Majofski pas na zijn dood in 1836 uitgegeven). Ook vertaalde hij het Lied van de Klok naar Schiller (1814; 2e druk 1829).
Van der Willigen was bestuurslid van verschillende genootschappen.
Maatschappij Tot Nut van 't Algemeen (1806), het Arnhemsch Genootschap (1809), van Oeffening en Wetenschappen (Haarlem, 1811), Teyler's Tweede Genootschap (Haarlem, 1812) en de Nederlandsche Huishoudelijke Maatschappij (1813). In Haarlem was hij lid van het dichtlievende genootschap Democriet . Hij was ook lid van de Haarlemse rederijkerskamers 'Trouw moet Blijken' en de 'Wijngaardranken' (1824), en van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden (1815). Van 1816-1841 was hij daar factor (dichter-leider) van 'Trouw moet Blijken', en schreef hij er de jaarzangen.
In de periode 1815-1819 was hij schoolopziener in het 2e district van Noord-Holland. Omdat de inkomsten uit zijn beleggingen verminderden is hij in 1819 in kunst gaan handelen. In samenwerking met R. van Eijnden publiceerde hij de "Geschiedenis der Vaderlandsche Schilderkunst, sedert de helft der XVIII eeuw (Amsterdam, C. Weddepohl, 1816-1840." Hij is op 17 januari 1841 te Haarlem overleden.

Geschiedenis van het archiefbeheer

In 2002 werd het archief door de secretaris van het Tijdschrift voor Geschiedenis te Nijmegen geschonken aan het Nationaal Archief. Daar werd een eenvoudige inventaris op het archief vervaardigd. Het archief is verpakt in 10 omslagen en 1 pak.
In het Gemeentearchief van Tilburg berusten zijn dagboeken en een verzamelband met losse stukken.
Zijn verzameling Nederlandse dichtwerken en toneelspelen is na zijn dood gelegateerd aan de stadsbibliotheek van Haarlem.

De verwerving van het archief

Schenking (van een niet overheidsarchief)

De verwerving van het archief

Het archief is door schenking verworven.