2.21.394 Inventaris van het archief van prof.mr. Herman Hendrik Maas (1915-1995) over de periode 1940-1995

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Herman Hendrik Maas werd op 3 januari 1915 in Rotterdam geboren. In 1933 rondde hij zijn studie in de medicijnen af met een promotie. Zijn proefschrift Onvolwaardig voedsel en krop, dat het product was van een test op honden wijst op een specialisatie in de voedingsleer en doet vermoeden dat hij zich vooral richtte op preventieve geneeskunde, wat vooral zijn neerslag heeft in de leerstof van de toenmalige scholen voor maatschappelijk werk. Van 1938 tot 1941 was hij secretaris van de Stichting tot opleiding van maatschappelijke werkers in Haarlem. Uit zijn archief blijkt een zekere betrokkenheid met de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij, waarvan hij moest meemaken dat die door de bezetter werd opgeheven.
Tijdens de bezetting was hij secretaris van de Gemachtigde van de Arbeid, een instelling die in oktober 1942 werd ingesteld door Seyss-Inquart als opvolger van het College van Rijksbemiddelaars. Doel was bemiddeling bij arbeidsconflicten onder te brengen bij het Nederlands Arbeidsfront. In de praktijk kwam daar niets van terecht, omdat de staf van het bureau daaraan geen medewerking verleende. In mei 1943 begon het kantoor zijn werkzaamheden, dat op grond van besluiten van de regering-Gerbrandy in Londen vanaf 3 mei 1945 was opgeheven. Na de bevrijding bleef Maas in ambtelijke dienst en ging hij over naar het Ministerie van Waterstaat, Handel Nijverheid en Landbouw, waar hij zich met economische vraagstukken bezig hield. In het kabinet-Beel werd dit het ministerie van Economische Zaken. In 1951`was hij referendaris van afdelingen belast met “structurele zaken” dat zich volgens de Staatsalmanak van 1952 bezig hield met ‘export en tariefproblemen’, wat in feite internationale contacten inhield. Want de belangrijkste vraagstukken hadden betrekking met de pas opgerichte Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en andere organen die in het Plan Schuman konden worden voorzien om die export- en tariefproblemen uit de wereld te helpen, en Maas adviseerde daarover. In 1954 was hij administrateur, en hoofd van de subdirectie Internationale en Structurele Vraagstukken. In dit kader adviseerde hij zijn chefs over de ontwikkelingen van de Europese integratie na het mislukken van een politieke unie door de afwijzing van een Europese Defensiegemeenschap door het Franse parlement Maas adviseerde nu de ontwikkelingen naar een economische gemeenschap, en onderhield daarvoor contacten met onderhandelaars als Paul Kapteyn en met leden van de Hoge Autoriteit van de EGKS.. Opmerkelijk is dat deze correspondentie niet geschiedde onder de paraplu van het hoofddirectoraat Buitenlandse Economische Betrekkingen, maar van de afdeling, belast met industrialisatie.
Maas’ inzet voor de totstandkoming van het verdrag voor de oprichting van een gemeenschappelijke markt voor Europa, de Europese Economische Gemeenschap, leidde ertoe dat hij ook formeel een rol kreeg bij de Europese integratie. In 1968 kreeg hij een secretariaatspost bij de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging bij de Europese Gemeenschappen in Brussel. Spoedig trad hij daarop als Handelsraad, dus als verbindingsman bij het Nederlandse ministerie van Economische Zaken. Hij zette zich in voor de eenmaking van Europese regelgeving via richtlijnen en verordeningen en ontwikkelde zich daarbij als een pionier op het gebied van het Europese recht. Van 1963 tot 1967 mocht hij als bijzonder docent economisch recht van de gemeenschappelijke markt aan de Vrije Universiteit van Brussel studenten opleiden - een wetenschap die hij door zijn praktijk had opgedaan. Van 1967 tot 1969 was hij daar buitengewoon hoogleraar met als leeropdracht internationale economische instellingen, economisch recht van de gemeenschappelijke markt en bijzondere institutionele vraagstukken van de Europese organisaties
In november 1967 werd Maas benoemd tot gewoon hoogleraar internationaal publiekrecht aan de rijksuniversiteit in Leiden. Daarmee kwam aan zijn diplomatieke loopbaan een einde, maar als hoogleraar bleef hij internationale contacten houden om de eenmaking van het Europees recht te bevorderen. Het streven naar een politieke unie moest parallel lopen met grotere bevoegdheden voor een Europees hof en van Europese rechtsbeginselen.
Maas werd benoemd in een periode van universitaire bestuurshervormingen. Hij werd betrokken bij de democratiseringsbeweging van de studenten, die inspraak vorderden en verkregen in de organisatie van het universiteitsbestuur. Hij voelde zich met name betrokken bij de bestuursorganisatie, zoals die door minister Veringa in 1970 werd ingevoerd krachtens de Wet op het Universiteitsbestuur WUB, en maakte zich sterk voor de instandhouding van de Universiteitsraad. Aan de democratie kwam echter een einde, met name toen onder druk van de bezuinigingen op het hoger onderwijs door de kabinetten-Lubbers het beleid steeds meer werd bepaald door regeringsingrijpen. Maas ging in 1979 met emeritaat, maar was van 1978 tot 1985 Staatsraad in buitengewone dienst en diende de regering nog lang van advies over de organisatie van het universitaire onderwijs en de Europese integratie. Grote staatsrechtelijke bezwaren had hij tegen de door minister Deetman voorgestelde en in 1993 vastgestelde Wet op de Studiefinanciering (WSF).
Maas overleed op 15 juli 1995 in Den Haag.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Op 11 februari 2002 werd het archief door zijn schoonzoon Otto Chrispeels uit Tervuren bij wijze van schenking naar het Nationaal Archief overgebracht.

De verwerving van het archief

Het archief is door schenking verworven.