De voorgeschiedenis van het GAK
Vanaf de vroegste regeling van een verplichte verzekering heeft de uitvoering ervan de politieke gemoederen flink bezig gehouden. Begin jaren '90 van de vorige eeuw is hevig gediscussieerd over de vraag of de staat, dan wel het particuliere bedrijfsleven, de uitvoering ervan ter hand moest nemen.
Eind 1900 werd de Ongevallenwet in gewijzigde vorm door beide Kamers aangenomen en verscheen in 1901 in het Staatsblad. De wijziging nu was een overwinning voor de voorstanders van het 'zelf' doen, want de mogelijkheid tot risico-overdracht werd geschapen. Dit betekende dat werkgevers hun financiële risico, wat uit de ongevallenverzekering voortsproot, konden overdragen aan een n.v. of een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging. Deze mogelijkheid heeft tot gevolg gehad dat de Vereeniging van Nederlandsche Werkgevers, met als belangrijkste initiator Mr. H.P.L.C. de Kruijff jr. het initiatief nam tot de oprichting van de vereniging 'Centrale Werkgevers Risico Bank' (CWRB) in 1902.
Hiermee werd de grondslag voor het latere Centraal Beheer en het nog latere Gemeenschappelijk Administratiekantoor gelegd.
Aangezien de Ongevallenwet 1901 alleen betrekking had op de industriële arbeider bestond er voor de land- en tuinbouwsector nog steeds geen wettelijke ongevallenverzekering. De organisaties in deze sector besloten om niet te wachten op de wetgever en 'de hand aan eigen ploeg te slaan'. In samenwerking met De Kruijff, inmiddels directeur van de CWRB, werd in 1909 de Centrale Landbouw Onderlinge (CLO) opgericht. Ook de Tuinbouw Onderlinge (TO) kwam in dat jaar tot stand. Conform de CWRB waren de CLO en de TO opgebouwd uit respectievelijk onderlinge land- en tuinbouwverenigingen. In 1909 had de land- en tuinbouwsector via deze twee organisaties dus zelf een stelsel van vrijwillige ongevallenverzekering opgezet.
Op 14 januari 1909 werd de coöperatieve vereniging 'Centraal Beheer' (CB) opgericht. Naast administrateur van de CWRB, CLO, TO en Wet Risico, had zij ook de functie van belangenbehartiger voor haar leden. De eerste president-directeur van de nieuwe vereniging werd vanzelfsprekend De Kruijff.
De sociale verzekeringszijde van CB onderging in 1916 een uitbreiding met de oprichting van 'Ziekte Risico'. Deze organisatie beoogde gehele of gedeeltelijke loonuitbetaling aan werknemers in geval van ziekte. Hiermee was dus, net zoals bij de ongevallenverzekering voor de land en tuinbouw, een vrijwillige regeling tot stand gekomen, vóórdat de overheid een wet op dit gebied had ingevoerd. Weliswaar werd een verplichte ziekteverzekering al vanaf 1905 in de Tweede Kamer behandeld maar het zou tot 1930 duren voordat de Ziektewet daadwerkelijk in werking trad. Toen dit gebeurde werd 'Ziekte Risico' dan ook geliquideerd. De Land en Tuinbouwongevallenwet was inmiddels in 1922 tot stand gekomen. De uitvoering ervan werd niet uitsluitend bij de Rijksverzekeringsbank gelegd maar ook bij 'bijzondere instellingen' (bedrijfsverenigingen). Deze bepaling was van groot belang omdat het een precedent schiep voor de uitvoering van latere wetten, zoals de Ziektewet.
De uitvoering hiervan werd aan nieuwe 'volwaardige' bedrijfsverenigingen toevertrouwd. De besturen van de bedrijfsverenigingen werden voortaan samengesteld uit werkgevers- en werknemersleden. Zij kregen samen een centraal overlegorgaan in de Federatie van Bedrijfsverenigingen voor ziekengeldverzekering (FBV) en ook zij lieten hun administratie doen door Centraal Beheer. De uitvoering van de Kinderbijslagwet (1941) werd ook aan hen opgedragen.
De uitvoering van de sociale verzekeringswetten was rond 1945 dus verdeeld over een 'lappendeken' van organen. De Rijksverzekeringsbank en de Raden van Arbeid vormden de publiekrechtelijke kant; onderlinge risico-verenigingen en bedrijfsverenigingen, de privaatrechtelijke. De twee laatstgenoemde instellingen konden, indien zij dit wensten, hun administratie aan CB opdragen.
Kunnen we het ontstaan van de sociale verzekeringsgedachte in Nederland situeren aan het einde van de vorige eeuw, zo'n vijftig jaar later vatte de gedachte van de sociale verzorging post. Terwijl de regering te Londen in ballingschap verbleef, maakte ze kennis met de ideeën op het gebied van sociale wetgeving van Lord Beveridge. Ideeën die gericht waren op het welzijn van de individuele burger en die in 1942 openbaar werden gemaakt in het zogenaamde 'Beveridge-rapport'. Mede hierdoor geïnspireerd besloot de nederlandse regering een commissie in te stellen, die moest onderzoeken of de doelstellingen van de sociale verzekering in Nederland zouden moeten worden verruimd: de commissie Van Rhijn.
Opnieuw leverde de uitvoeringskant het oude twistpunt op, staat versus particuliere organen. Werkgevers en werknemers hadden inmiddels in 1945 de Stichting van de Arbeid opgericht, die het 'zelf doen' hoog in het vaandel had en door minister Drees van Sociale Zaken als adviesorgaan van de regering werd erkend.
In 1950 werd een wetsontwerp tot herziening van de uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekering ingediend. Hierin werd de mogelijkheid van een gemeenschappelijke administratie van bedrijfsverenigingen in het vooruitzicht gesteld. Niet iedereen was gecharmeerd van bepaalde aspecten van het voorgestelde gemeenschappelijk administreren. Zo vroegen vertegenwoordigers van de Stichting van de Arbeid zich af waarom het gemeenschappelijk apparaat door de Sociale Verzekeringsraad zou moeten worden opgericht en beheerd, zoals beoogd in het wetsontwerp. Weliswaar was in het ontwerp de mogelijkheid voor het voeren van de eigen administratie door de bedrijfsverenigingen open gelaten maar dit zou dan wel onder de strikte voorwaarden, gesteld door de Sociale Verzekeringsraad, dienen te geschieden.
De Tweede Kamer bracht een oplossing voor dit geschil en wel door het amendement-Stapelkamp. Deze wijziging van het wetsvoorstel hield in dat indien een bedrijfsvereniging haar administratie niet zelf wenste te voeren, deze gevoerd zou worden door een door de minister erkend gemeenschappelijk administratiekantoor. Een administratiekantoor dat opgericht en in stand gehouden zou worden door het georganiseerd bedrijfsleven en niet door de Sociale Verzekeringsraad. De taak voor deze laatste zou liggen in het toezicht houden op de bedrijfsverenigingen en het gemeenschappelijk administratiekantoor.
Aldus werd het wetsontwerp van 1950 gewijzigd en door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen. In deze Organisatiewet Sociale Verzekering, die in 1953 in werking trad, werden de 26 bedrijfsverenigingen belast met de wettelijke uitvoering van de ongevallenverzekering, ziekteverzekering, invaliditeitsverzekering, kinderbijslagverzekering en de wachtgeld- en werkloosheidsverzekering.
De bedrijfsverenigingen konden, als zij dat wilden, hun administratie laten uitvoeren door de op 30 december 1952 bij beschikking van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid erkende vereniging Gemeenschappelijk administratiekantoor(Gak).
Vóór de organisatiewet in het Staatsblad werd afgekondigd waren door organisaties van werkgevers en werknemers, samenwerkend in de Federatie van Bedrijfsverenigingen, al voorbereidingen getroffen voor de oprichting van een Gemeenschappelijk administratiekantoor. Twee instanties kwamen hiervoor het meest in aanmerking namelijk de centrale Onderlinge (een algemene bedrijfsvereniging voor ziekengeld- en kinderbijslagverzekering) en Centraal beheer. Deze laatste, die immers de administratie van de Federatie van Bedrijfsverenigingen verzorgde, was in feite al een gemeenschappelijk administratiekantoor.
Op 4 juni 1952 werd de vereniging Gemeenschappelijk administratiekantoor in overgangstijd (Gak i.o.) opgericht door 12 centrale organisaties van werkgevers en werknemers. 'In overgangstijd' omdat pas op 1 januari 1953 de organisatiewet, welke een wettelijke basis aan het Gemeenschappelijk administratiekantoor zou geven, in werking zou treden. Tot die tijd zou het Gak i.o. de administratie voeren van de aangesloten bedrijfsverenigingen, die de Wachtgeld- en Werkloosheidswet van 1 juli 1952 uit moesten voeren. Tevens werd de administratie verzorgd van de 'oude' bedrijfsverenigingen die belast waren met de uitvoering van de ziektewet en de kinderbijslagwet en zich hiertoe bij het Gak i.o. hadden aangesloten. Het Gak i.o. ging aldus werkzaamheden verrichten voor veertien 'nieuwe' en negen 'oude' bedrijfsverenigingen.
Het Gak, 1953-2001
De vereniging Gak kent een bestuur dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van centrale werkgevers- en centrale werknemersorganisaties. Het heeft een werkgevers- en een werknemersvoorzitter, die elkaar beurtelings om het jaar afwisselen als voorzitter respectievelijk plaatsvervangend voorzitter. Uit het bestuur wordt een dagelijks bestuur gevormd dat ook paritair (werkgevers-werknemers) is samengesteld. Vanaf 1 januari 1958 (met de toetreding van de bedrijfspensioenfondsen) heeft het bestuur 28 leden, waarvan naast vertegenwoordigers van centrale organisaties ook leden van de bedrijfsverenigingen, bedrijfspensioenfondsen en overige (aangesloten) instellingen deel uitmaken. Tenminste éénmaal per jaar komt de Algemene ledenvergadering bij elkaar. In ieder geval worden dan het jaarverslag, de balans en de rekening en verantwoording besproken.
Vervolgens kent het Gak al vanaf haar oprichting het Orgaan van Overleg. Het bestaat uit de leden van het bestuur en twee bestuursleden van elke aangesloten organisatie. Daar niet alle aangesloten instellingen in het bestuur zitting kunnen hebben, maar wel omdat er wel de behoefte bestond '....in ruimere mate bij de gestie van de vereniging te worden betrokken', is tot de instelling van dit orgaan overgegaan. Een commissie van scheidslieden maakt ook al vanaf het begin deel uit van de structuur van de vereniging. Aan dit college werd:
'met uitsluiting van de gewone rechters, de beslechting in hoogste ressort opgedragen van alle geschillen naar aanleiding van of in verband met de statuten, respectievelijk betreffende de uitlegging of toepassing daarvan, tussen een lid enerzijds en het bestuur anderzijds.' (in: jaarverslag 1953 van het Gak)
Ook zijn er commissies, door het bestuur ingesteld, die zich bezig houden met meer specifieke zaken die de vereniging aangaan. De balanscommissie en de in 1985 in het leven geroepen 'begeleidingscommissie preventie-activiteiten Gak' zijn hier voorbeelden van.
De directie van het Gak wordt door het bestuur benoemd. Sinds de oprichting hebben vijf president-directeuren de scepter over de vereniging gezwaaid.
Toen het Gak vanaf 1 januari 1953 voor een aantal bedrijfsverenigingen 'nieuwe stijl' de administratie ging voeren, kon het hiervoor beschikken over het administratieve apparaat van Centraal Beheer en de 'Centrale Onderlingen'. Dit was echter niet ideaal. De hoofdadministratie was zo verspreid over twee gebouwen, die ook nog eens in verschillende steden stonden (Amsterdam en 's-Gravenhage). Een nieuw hoofdkantoor was een dringende noodzaak. Dit verrees aan het Bos en Lommerplantsoen in Amsterdam-West en werd op 1 september 1960 officieel geopend.
Het Gak kan zijn werkzaamheden pas goed verrichten dankzij een ver doorgevoerde regionalisatie. Hiertoe kende het al vanaf de oprichting districtskantoren. Zij hebben tot taak om de binnen hun regio aangevraagde uitkeringen te beoordelen, vast te stellen en te betalen. De districtskantoren zelf krijgen hierbij weer hulp van rayonkantoren (tot 1976 controle-districtskantoren genaamd), spreekuuradressen en correspondenten. De mate van decentralisatie is over de gehele periode gezien alleen maar toegenomen. Het huidige aantal districtskantoren is dertig.
In de taken, die het Gak kreeg te verrichten, zijn sinds de oprichting heel wat veranderingen gekomen. Zo werd de uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet, die in 1962 tot stand kwam, aan de Raden van Arbeid opgedragen. Tot die tijd waren de bedrijfsverenigingen belast geweest met de uitvoering van de Kinderbijslagwet. Deze functie ging voor het Gak verloren. Vele andere kwamen. Al in 1954 droegen de Centrale Werkgevers Risico Bank, de Centrale Land- en Tuinbouwonderlinge en Zee Risico hun administratie aan het Gak op. Zij kwamen van Centraal beheer, dat haar sociale verzekeringstaken aan het Gak had overgedragen
Van kwantitatief grotere betekenis was de toetreding van 10 bedrijfspensioenfondsen op 1 januari 1958. Tien jaar eerder was de wet verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds tot stand gekomen. Hiermee werd beoogd een behoorlijke oudedagsvoorziening (boven een bodemvoorziening) voor werknemers bedrijfstakgewijze te regelen. De weg van vrijwillige verzekering had dit slechts in geringe mate bereikt. Deze bedrijfstakgewijze regeling kwam geheel overeen met de lijn van de maatschappelijke ontwikkelingen toentertijd. Het verzet wat rees tegen de mogelijkheid, die de minister bezat om de deelneming in een bedrijfspensioenfonds verplicht te stellen, had succes. Een verzoek van een voldoende representatieve vertegenwoordiging van het georganiseerde bedrijfsleven in een bedrijfstak werd noodzakelijk voor de minister zulks kon doen. De overheid hield wel toezicht op de bedrijfspensioenfondsen.
De tien bedrijfspensioenfondsen, die per 1 januari de administratie aan het Gak opdroegen, werden tot die tijd door Centraal Beheer geadministreerd. De aard van de door deze fondsen uitgevoerde regelingen en de samenstelling van hun besturen (paritair) deed hen besluiten naar het Gak over te stappen.
Het aantal deelnemers in de bedrijfspensioenfondsen steeg met name de eerste tien jaren fors. Het aantal fondsen zelf, dat zich aansloot, verdubbelde. Eind 1989 hebben 21 bedrijfspensioenfondsen hun administratie aan het Gak opgedragen.
1 juli 1967 wordt niet zelden als een keerpunt in de geschiedenis van het Gak en van de sociale verzekering in het algemeen, beschouwd. De totstandkoming van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de hiermee gepaard gaande instelling van een Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) raakten het sociale verzekeringsstelsel in het hart. De WAO verving de ongevallenwetten, de invaliditeitswet en de interimwet invaliditeitsrentetrekkers (in 1963 als een voorbode van de WAO in werking getreden). Tevens werd vanaf die datum de werkingssfeer van de ziektewet uitgebreid, doordat de loongrens verviel en het risico van een bedrijfsongeval voor het eerste jaar onder de ziekengeldverzekering werd gebracht. De uitvoering van de WAO werd bij de bedrijfsverenigingen gelegd, wat een forse uitbreiding van de werkzaamheden van het Gak betekende. De GMD kreeg als taak de uitvoeringsorganen sociaal-medische adviezen te verstrekken ten aanzien van uitkeringen en voorzieningen in het kader van de WAO. De wettelijke basis voor de Gemeenschappelijke Medische Dienst was al gelegd in de eerder genoemde organisatiewet sociale verzekering. Wat hierin echter nog niet geregeld was, was of de GMD zijn administratie zelf zou voeren, danwel aan het Gak zou opdragen. Doordat de meningen hierover nogal sterk uiteenliepen werd tot een compromis besloten. Dit hield in dat de GMD een zelfstandig lichaam werd met een eigen directie, staf van medici, arbeidsdeskundigen en juristen. De administratie van de dienst, alsmede de huisvesting werd aan het Gak opgedragen.
Voorzag de WAO werknemers, die geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt werden, van een uitkering of een voorziening, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) deed dit (vanaf 1-10-1976) voor alle ingezetenen, die door arbeidsongeschiktheid inkomen dierven. Ook de uitvoering van de aaw -ondanks dat het een volksverzekering was en geen werknemersverzekering- werd aan de 26 bedrijfsverenigingen toevertrouwd.
Een laatste (grote) nieuwe taak voor het Gak werd de administratie-opdracht van verscheidene vut-stichtingen. Vanaf 1977 werd het namelijk aan werknemers mogelijk gemaakt om met verkrijging van een uitkering vrijwillig uit het arbeidsproces terug te treden vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Deze zogenaamde vrijwillige vervroegde uittreding (vut) werd uitgevoerd door vut-stichtingen. Was het aantal vut-stichtingen dat administratieopdrachten aan het Gak verstrekte aanvankelijk nog beperkt (drie in 1978). Eind 1989 werden werkzaamheden verricht voor 38 vut-regelingen.
Tijdens nagenoeg de gehele jaren tachtig vond op grote schaal een discussie plaats over de vernieuwing van de uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen. De steeds maar stijgende uitgaven voor de sociale verzekering in combinatie met de neergaande economische lijn in de jaren zeventig en begin jaren tachtig deed de vraag ontstaan of het stelsel nog 'beheersbaar' was. Per 1-1-1987 trad de zogenaamde 'stelselherziening' in werking. Dit betekende vooral een herziening van de werkloosheidswet. Zo werd de duur van een ww-uitkering afhankelijk van het arbeidsverleden en werd de werkloosheidscomponent in de aaw/wao (gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vermindert de kans op een baan) afgeschaft. Voor het Gak betekende de wijzigingen, aanpassingen op administratief technisch en op organisatorisch gebied.
Met bovenstaande overzicht zijn slechts de voornaamste taken geschetst die het Gak in zijn bestaan kreeg toebedeeld. De voornaamste, want volledig is het overzicht zeker niet. Administratie-opdrachten van diverse instellingen op het gebied van de sociale verzekering zijn niet aan de orde gekomen. Ook werkzaamheden op het gebied van de voorlichting en belegging van gelden, die steeds belangrijker werden, zijn achterwege gebleven. Toch moge het duidelijk zijn dat het Gak als administrateur van uitvoerende instanties van sociale verzekeringswetten, in zijn bestaan aan heel wat veranderingen onderhevig is geweest. Nieuwe opdrachten van de bedrijfspensioenfondsen, de GMD en de vutstichtingen, alsmede de uitvoering van de WAO en AAW door de bedrijfsverenigingen, deden het Gak in vele opzichten fors groeien. De personeelsaantallen (zowel op het hoofdkantoor als op de districtskantoren) namen toe, nieuwe administratieve hulpmiddelen (de computer, data-transmissie netwerken en dergelijke) deden hun intrede en de huisvesting van de kantoren behoefde nagenoeg de hele periode aanpassing.
Speciaal ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan heeft het Gak het boekje: "Veelal is het uiterste gevergd" uitgegeven in samenwerking met het Nederlandsch Economisch Historisch Archief. Ter gelegenheid van het (bijna) 50-jarig bestaan (4 juni 2002) is er een boek uitgebracht voor medewerkers en oud-medewerkers van het Gak. Beide boekwerken geven zeer uitgebreid de geschiedenis van het Gak weer en zijn te raadplegen onder inventarisnummer 2019.