Geschiedenis van de archiefvormer
Dit deelarchief betreft de firma Scheurleer en Zoonen te ´s-Gravenhage. Scheurleer en Zoonen´s Bank was een aparte, aan Scheurleer gelieerde, instelling. Scheurleer en Zoonen bestaat van 1804 tot 1932 (faillissement). Scheurleer en Zoonen´s Bank bestaat van 1917 tot 1931 (overname levensvatbare delen door Incassobank). De Bodegravensche Bank en de Alphensche Bank worden 1917 overgenomen door Scheurleer en Zoonen´s Bank. In 1922 neemt Scheurleer en Zoonen de aandelen Bodegravensche Bank, en daarmee de Alphensche Bank, over. In 1931 worden de Bodegravensche en Alphense Bank resp. overgenomen door de Incassobank en een consortium van Alphense personages. Vanaf 1931 heeft Scheurleer en Zoonen het toezicht over de liquidatie van Scheurleer en Zoonen´s Bank. Beide banken waren door personele bezetting nauw gelieerd.
De firma Scheurleer en Zoonen (SchZ) ontstaat in 1804 uit het notariskantoor Scheurleer. De bank is hoofdzakelijk actief op het gebied van de kredietverlening aan de middenstand, met name tuinders en vissers. Veel vissers hadden een rekening aan het bijkantoor in Scheveningen. Voorts is men werkzaam op het terrein van de incasso en commissiehandel. De bank vindt zijn particuliere cliënten vooral in de hoogste sociale laag van Den Haag. Van veel van deze personen beheert de bank het vermogen. Onder de cliënten bevinden zich bovendien in Den Haag gestationeerde buitenlandse diplomaten, maar ook buiten Den Haag en buiten Nederland wonende personen. Het bijkantoor te Delft is tevens een correspondentschap 1e klasse van DNB.
In 1917 geeft de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) te kennen, te willen samenwerken met de firma teneinde haar positie in de provincie te verstevigen. NHM wenst daartoe het filiaal van de firma te Delft over te nemen. Aangezien dat filiaal debet staat bij de firma ziet Scheurleer hierin een middel om onder moeilijke omstandigheden de firma gemakkelijker te kunnen financieren. De nieuwe bank draagt op aandringen van NHM de naam Scheurleer & Zoonen´s Bank (SZB) , vanwege de goede naam van de firma. Van de preferente aandelen wordt de helft genomen door SchZ en de helft door NHM. De agent van NHM te Rotterdam wordt voorzitter van de Raad van Commissarissen, en W.M. Scheurleer gedelegeerd commissaris. De nieuwe bank wordt gevestigd te Delft, Leiden en Gorinchem. Het Leidse kantoor ontstaan uit de overname van de Leidsche Bankvereeniging en dat te Gorinchem uit de overname van de commanditaire vennootschap C. de Gijselaar & Co. per 1 september 1917.
Per 1 mei 1918 verkoopt NHM aan SZB het gehele aandelenkapitaal van de Bodegravensche Bank (BB), waarmee SZB tevens eigenaar wordt van alle aandelen van de Alphensche Bank (AB). Al gauw blijken de verliezen bij de Bodegravensche Bank veel groter dan begroot, waardoor het voortbestaan van SZB, en daarmee van SchZ, wordt bedreigd. Voorjaar 1922 neemt SchZ daarom de aandelen van BB, en daarmee van AB, over. Na deze overname heeft SZB toch nog te kampen met een verlies van fl. 1.100.000. In 1922 wordt de disconto-toelating van SZB bij DNB ingetrokken. Voortaan zal papier van SZB alleen aangenomen worden indien aangeboden door SchZ. Een andere verliespost voor SZB, van bijna 5 ton, blijkt een rekening ten name van A. Jacops te Brussel, die op 10 september 1917 door NHM aan SZB was overgedaan. In 1928 overweegt SchZ de post Jacops over te nemen, dan wel SZB over te doen aan een andere instelling. Bij de laatste optie wordt echter gevreesd dat SchZ bij verkoop van haar belangen in SZB aanzienlijke verliezen zal lijden. In 1928 wordt het verlies van SZB nog altijd beraamd op fl. 850.000,-. Op 11 mei 1931 besluit de aandeelhoudersvergadering van SZB tot liquidatie. Levensvatbare delen van zowel SZB als BB worden overgenomen door de Incassobank. Eind 1931 worden de aandelen AB door een consortium van aanstaande personen uit Alphen gekocht. De liquidatie vindt plaats onder toezicht van SchZ. Het verlies dat SchZ lijdt op SZB, vermeerdert met de crisis van de jaren ´30, wordt Scheurleer fataal. De middenstand bleek niet langer in staat de verleende kredieten terug te betalen, terwijl het aantal opvragingen eind 1931 toeneemt.
Op 11 april 1932 vraagt de firma Scheurleer surséance van betaling aan. Op 5 augustus 1932 wordt het faillissement uitgesproken. In 1957 schrijft het agentschap ´s-Gravenhage een verlies van ruim 15.000,- aan onbetaald disconto af.