3.01.30 Inventaris van het archief van het Serment van de Werklieden en Munters van de Munt van Holland te Dordrecht

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

De Brabantsche munt is ouder dan de Hollandsche en toen de Hollandsche munt was opgericht, werden de muntgezellen voornamelijk gerecruteerd uit de Brabantsche munters. Die Brabantsche munters vormden van ouds één college, zij stonden onder één serment gelijk men zeide, en alleen diegenen, die in het serment opgenomen waren, hadden het recht in de Brabantsche munt te werken. Deze instelling werd in de Dordtsche munt van de Brabantsche overgenomen: hertog Albrecht van Beieren bepaalde in 1368 dat alleen de Brabantsche munters in de munt te Dordrecht mochten werken. Sinds dien tijd waren de Hollandsche en Brabantsche munters eigenlijk in één serment georganiseerd. Op den duur is daarin echter verandering gekomen. Het Dordtsche serment werd naast het Antwerpsche een zelfstandig lichaam; maar een gedeelte der plaatsen in de Hollandsche munt bleef voor de Brabanters gereserveerd. Dat bleef zoo tot na den opstand. Sedert ging elk der beide colleges zijn eigen weg: maar in het Dortsche serment was toch altijd een bepaald getal Brabantsche muntplaatsen die zich echter in niets van de andere onderscheidden behalve door den naam. Ook de gemeenschappelijke privilegiën van de beide sermenten - gevolg van hunne vroegere eenheid - die zij dus ook, als het pas gaf, gezamenlijk verdedigden, hadden den band tusschen beide wel onder het landsheerlijk gezag kunnen sterken, maar verloren hun invloed, toen het noorden en zuiden elk zijn eigen weg gingen.
De muntersplaatsen waren erfelijk en konden ook door de vrijmunters met goedkeuring hunner erven verkocht worden, al kon natuurlijk niemand als werkman aan de munt optreden zonder zijne proef te hebben gedaan. De munters vormden dus een soort gilde, onafhankelijk van de regeering. Maar die toestand heeft nooit zuiver bestaan. Reeds de hertog van Brabant had zich het recht voorbehouden eigenmachtig een zeker getal muntersplaatsen te vergeven, en later heeft de Hollandsche Statenregeering haar invloed op de benoeming der munters steeds uitgebreid. Van ouds had iedere werkman in de munt het recht een knaap aan te stellen; later werden ook vele knapen buiten het serment om door of namens de Staten aangesteld.
Tot het serment behoorden eigenlijk de hoogere ambtenaren; de waardijn, de muntmeester, de essayeur niet, tenzij zij tevens erfmunters waren. Maar in de veel bestreden doch hardnekkig verdedigde privilegiën der munters, het recht van vrijdom van imposten, van de wachten en van andere lasten, deelden ook zij. Onder de verdere voorrechten behoorden ook de rechtspraak van het serment over zijne leden, behoudens in enkele gevallen, en het recht om met uitsluiting van anderen in de muntplaatsen van Holland en Zeeland te werken. Zoowel dit laatste recht, dat tegenover de Zeeuwsche en Westfriesche munten, die tijdens de Republiek waren ontstaan, op den daar niet houdbaar was, als het verbod om in andere munten te werken, veroorzaakten vele langdurige geschillen.
Opmerking verdienen ten slotte nog twee bijzondere instellingen, die het serment bezat: de kelder, een soort sociëteit, welker administratie, eerst afzonderlijk gehouden, later met die der financiën van het serment versmolt, en de kapel in de Groote Kerk te Dordrecht.
Het bestuur van het serment berustte bij de provoosten en (sinds 1606) de gezworenen, die jaarlijks door het serment gekozen of bestendigd werden. In den regel waren er twee provoosten, waarvan er een het financieel beheer had met den titel van boekhouder, en twee gezworenen. Zij werden bijgestaan door een griffier.
De revolutie maakte aan de privilegiën der munters, de regeering van koning Lodewijk aan het bestaan zelf der Dordtsche munt een einde.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Het archief bleef in particuliere handen berusten, totdat het in 1873 door het Rijk werd aangekocht en gedeeltelijk in het Algemeen Rijksarchief werd opgenomen, terwijl een ander gedeelte voorloopig op 's Rijks munt te Utrecht werd opgeborgen, waarvan het eerst in 1914 naar het Algemeen Rijksarchief werd overgebracht, waar het thans met het reeds sinds 1873 er berustende gedeelte in den achterstaanden inventaris vereenigd is.
De rechtstitel is (nog) onbekend