3.01.52 Inventaris van het archief van de Leenhoven en Leen- en Registerkamer van Holland, 1520-1798 (1807)

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Zoekhulpen bij dit archief

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

A. Het Leenhof van Holland van 1520 tot 1577

Was de rechtspraak over leenzaken, behorend tot de leenkamer van de graaf van Holland, aanvankelijk voorbehouden aan de graaf en zijn raad
Th.H.F. van Riemsdijk, De rechtspraak van den graaf van Holland, 3 dln., Utrecht 1932-1934.
, in 1469 vaardigde Karel de Stoute regels uit voor een apart leenhof
Groot Placaet-boeck, dl. II, kolom 681-682 d.d. 19-10-1469.
. Inderdaad werd in het volgende jaar een nieuw register begonnen, dat alleen uitspraken in leenzaken bevatte. Later werd het gevolgd door een ander register en twee rollen
Kort, Graven van Holland, inv. nrs. 873-875.
.
Geheel geregeld waren de zaken in 1469 nog niet, zodat Karel V in 1520 een nieuwe verordening voor het leenhof opstelde
Groot Placaet-boeck, dl. II, kolom 681-692 d.d. 20-3-1520, gevolgd door een wijziging, ibidem, kolom 693-696 d.d. 27-3-1525.
. In de tekst was sprake van geldigheid voor Holland, Zeeland en West-Friesland maar in de praktijk viel Zeeland buiten de nieuwe instelling. Daar bleef de hoge vierschaar als leenhof fungeren
L.W.A.M. Lasonder, Bijdrage tot de geschiedenis van de hooge vierschaar in Zeeland, Den Haag 1909, pp. 51-52.
.
Het nieuwe leenhof ging bestaan uit een stadhouder of president en twaalf raadsleden. Zes daarvan zouden rechtsgeleerden en zes edele mannen zijn. Behalve voor zaken van de Hollandse leenkamer waren zij in hoger beroep ook gerechtigd tot de beslechting van geschillen tussen de zogenaamde mansmannen. Deze hingen af van aan de graaf ondergeschikte leenkamers
J.C. Kort, Overzicht van de leenkamers in Holland, Den Haag 1987 (3), inleiding.
.
Na het begin van de Tachtigjarige oorlog kon het leenhof zijn taak nog slechts in beperkte mate uitoefenen. Na 1577 kwamen zijn bevoegdheden zonder nadere instructie aan het Hof van Holland.

B. Het Leenhof van Holland van 1660 tot 1674.

Nadat het leenhof van 1520 geruisloos was verdwenen, besloten de Staten van Holland in 1660 op aanbeveling van raadpensionaris Johan de Witt opnieuw een leenhof op te richten. Hierin namen niet alleen Hollandse raadsleden plaats maar ditmaal ook twee uit Zeeland
Resolutie Staten van Holland d.d. 30-7-1660.
.
De procedures voor dit leenhof werden in 1661 vastgesteld
Groot Placaet-boeck, dl. II, kolom 2645-2654 d.d. 7-4-1661.
. Als in 1520 zou het bestaan uit een stadhouder en twaalf raadsleden. Behalve voor zaken van de Hollandse leenkamer waren zij ook nu in hoger beroep gerechtigd geschillen van lagere leenhoven te beslechten. Voorts konden zaken worden afgedaan door commissarissen, waarvan wekelijks twee werden aangewezen.
Het tweede leenhof van Holland bestond niet lang. Na de val van Johan de Witt in 1672 kwamen de Staten van Holland en West-Friesland en die van Zeeland overeen de leenzaken wederom onder het Hof van Holland te brengen
Groot Placaet-boeck, dl. III, pp. 692-698 d.d. 11-6-1674.
. Daarmee werd het leenhof van 1660 opgeheven.

C. De Leen- en Registerkamer van Holland.

De afzwering van koning Filips II in 1581 gaf geen aanleiding de wijze, waarop de Hollandse lenen werden geadministreerd, te veranderen. Na het begin van de Tachtigjarige oorlog was de destijds alternatieve regering al met een eigen reeks leenregisters begonnen
Kort, Graven van Holland, inv. nrs. 736-739.
. De laatste daarvan werd na 1581 gewoon voortgezet. Aan een nieuwe verordening voor de Leenkamer kwam men door de oorlog niet toe. Dat moest wachten tot 1610, toen de leenmannen hun voorlopige akten - zogenaamde akten van diligentie - eindelijk moesten inruilen voor definitieve leenakten
Wijs, pp. 70-71.
.
De registratie geeft een getrouwe afspiegeling van de voorlopige staat, waarin de Leenkamer aan het eind van de zestiende eeuw had verkeerd. De registers over 1584 tot 1600
Hier inv. nrs. 49-51.
werden in een trek geschreven. Een register van 1585 tot 1603
Hier inv. nr. 52.
werd daarna eveneens door een schrijver samengesteld. Enkele akten schreef hij in, die ook in de hiervoor genoemde registers voorkomen. Waarschijnlijk maakte hij gebruik van geliasseerde akten zoals die bijvoorbeeld genoemd worden van de lenen van de abdij Egmond
Hier inv. nr. 134 fol. 43v-45v.
.
Vanaf 1604 werd de arbeid aan de registers op een meer geregelde manier voortgezet. De registers kenden onder de alternatieve regering geen onderverdeling naar landstreken. Die kwam in 1612, toen zij naar hoofdstukken - zogenaamde capita - werden ingedeeld. Zo waren de leenregisters eerder vanaf 1440 onderverdeeld geweest
Kort, Graven van Holland, pp. 99*-100*.
. Zij zouden het blijven tot de afschaffing van het leenstelsel in 1798 en de jaren daarop.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Van het lot der archieven van beide leenhoven van Holland is uit later tijd niets bekend. Zij zullen waarschijnlijk zijn gevoegd bij het archief van het Hof van Holland. In 1924 verscheen een inventaris van beide leenhoven van de hand van mejuffrouw G.H.C. Breesnee
Verslagen omtrent 's-Rijks Oude Archieven, 1924, I, pp. 155-160.
.
De Leen- en Registerkamer was gevestigd in een kamer in de westelijke toren van het Binnenhof, waar thans nog het uurwerk is opgesteld
Wijs, p. 33; J. de Riemer, Beschrijving van 's-Graven-hage enz., Delft 1730, p. 120.
. De registers stonden, chronologisch in kassen gerangschikt, in een kamer daarachter. Vanaf 1660 nam dit archief sterk in omvang toe door afschriften, die van de registers uit de tijd vóór 1581 werden vervaardigd. Het argument voor deze arbeid was de slechte leesbaarheid van de oude registers
Van Riemsdijk, Tresorie, p. 703.
. Toen men alle registers had afgeschreven, ging men voort met registers van na 1581. Zo werden de leenregisters zelfs tot 1708
Hier inv. nr. 79; de datum van de kopie is op de band geschreven.
gekopieerd! Daarmee was in 1717 echter het einde van deze activiteit gekomen.
Na de opheffing van de Leenkamer kwam het archief onder beheer van de archivaris des Rijks H. van Wijn, die er een lijst van samenstelde. Na het herstel van het koninkrijk moesten de stukken echter worden afgestaan aan het Amortisatiesyndicaat. Deze instelling bracht het archief in diverse partijen over naar het Algemeen Rijksarchief. Van de leenregisters kwam een deel over de jaren 1609 tot 1611, nog genoemd door Van Wijn
Archief van het Algemeen Rijksarchief, inv. nr. 859 p. 94.
, niet meer terug. Daar ook het afschrift ervan verdween, zijn deze drie jaren de enige, waarin de registratie een kleine leemte vertoont.
Het Amortisatiesyndicaat bracht het archief van de Leen- en Registerkamer in diverse partijen over naar het Algemeen Rijksarchief, het laatst in 1947
Hier inv. nr. 158.
.
Het archief is bij Koninklijk Besluit of ministeriële beschikking overgebracht.

De verwerving van het archief

Het archief is bij Koninklijk Besluit of ministeriële beschikking overgebracht.