Archief
Titel
3.02.01 Inventaris van het archief van de Provisionele Representanten van het Volk van Holland, 1795-1796
Auteur
L. ZoodsmaVersie
06-02-2024
Copyright
Nationaal Archief, Den Haag
1987 cc0Beschrijving van het archief
Naam archiefblok
Provisionele Representanten Provisionele Representanten
Periodisering
oudste stuk - jongste stuk: 1795-1796
Archiefbloknummer
32908Omvang
515 inventarisnummer(s); 17,30 meterTaal van het archiefmateriaal
Het merendeel der stukken is in het
Nederlands
Soort archiefmateriaal
Normale geschreven en gedrukte documenten.Archiefdienst
Nationaal ArchiefLocatie
Den HaagArchiefvormers
Provisionele Representanten van het Volk van Holland, 26 januariSamenvatting van de inhoud van het archief
In het archief van de Provisionele Representanten bevinden zich talrijke (geheime) resoluties, publicaties en circulaires, appointementen op rekesten naast stukken betreffende bepaalde onderwerpen, zoals de (eigen) bestuursorganisatie, indeling van kiesdistricten, handel en nijverheid, justitie, kerkelijke zaken, openbare orde, veiligheid en politiek onderzoek. Het archief bevat tevens stukken van de volgende comité's: dat van Algemeen Welzijn, van Militaire Zaken, van Financiën, van Koophandel en Zeevaart, van Buitenlandse Zaken, van Algemene Waakzaamheid, van Noodlijdenden en van Uitgewekenen.Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
I. De Provisionele Representanten van het Volk van Holland (26 januari 1795-2 maart 1796)
Het Amsterdams Comité Revolutionair nodigde de stemhebbende steden van Holland uit op 24 januari 1795 enige vertegenwoordigers naar Amsterdam te sturen, om zich gezamenlijk te beraden over een omwenteling op gewestelijk niveau. Op genoemde datum kwamen afgevaardigden van veertien van de achttien stemhebbende steden bijeen om aan het overleg deel te nemen. Zij besloten zich de 26e januari naar Den Haag te begeven om zich aldaar te constitueren als Provisionele Representanten van het Volk van Holland. ( Zie Algemene inleiding p.5. ) Op de afgesproken dag verschenen ter bestemder plekke de vertegenwoordigers van de steden Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam, Gouda, Rotterdam, Schiedam, Alkmaar, Enkhuizen, Monnikendam en Purmerend, gezamenlijk de meerderheid uitmakend van de steden, die van oudsher gewoon waren de vergadering van de Staten van Holland en West-Friesland bij te wonen. ( P.R., inv. nr. 18, p.1. ) Plaats van samenkomst was het Herenlogement op het Tournooiveld. Met algemene stemmen werd hier de afgevaardigde van Rotterdam, Pieter Paulus, verkozen tot voorzitter. De gedelegeerden besloten diezelfde dag nog, half vijf bijeen te komen in het logement van de stad Haarlem. Aldaar vergaderd, droegen zij de secretaris van de Staten van Holland en West-Friesland op om Laurens Pieter van de Spiegel, raadpensionaris van Holland, te verzoeken om tegen zeven uur die avond de vergadering van de Staten te convoceren. Bepaald werd dat de vertegenwoordigers van de Ridderschap niet tot deze vergadering zouden worden toegelaten. Op het overeengekomen tijdstip betraden de representanten de vergaderzaal van de Staten op het Binnenhof. Wederom werd Pieter Paulus unaniem gekozen tot tijdelijk voorzitter, die zich in zijn werkzaamheden zou laten bijstaan door twee eveneens tijdelijke secretarissen, de burgers C.J. de Lange van Wijngaarden en J. Spoors. Na een plechtige toespraak van de fungerende voorzitter en de lezing van de geloofsbrieven van de volksvertegenwoordigers, nam men het besluit de niet ter vergadering verschenen stemhebbende steden, Gorinchem, Schoonhoven, Brielle, Hoorn, Edam en Medemblik, aan te schrijven om zo mogelijk vier representanten of "zoveel minder personen als derzelver locale situatie noodzakelijk maakt", ter vergadering af te vaardigen. ( P.R., inv. nr. 18, pp.4-5. ) Tijdens deze en de volgende vergaderingen namen de Provisionele Representanten een groot aantal ingrijpende resoluties aan, ( Ibid., pp.5-30. ) waarvan de belangrijkste waren: - de openlijke verklaring van de soevereiniteit van het Volk van Holland;
- de afkondiging van de Rechten van de Mensch en Burger;
- introduktie van de hoofdelijke stemming in de vergadering, d.w.z. niet meer stadsgewijs;
- de afschaffing van de in 1787 ingestelde eed op de Constitutie;
- de afschaffing van de ambten van stadhouder en raadpensionaris; ( Ibid., pp.88-89; L. van de Spiegel, de laatste raadpensionaris, werd ook ontslagen uit zijn ambt van grootzegelbewaarder van Holland en West-Friesland alsmede van stadhouder en registermeester van de lenen van Holland en West-Friesland. Samen met W.G.F. Bentinck van Rhoon, de kwartiermeester-generaal en ruwaard van Putten, werd hij op 5 februari 1795 in civiel arrest gesteld. Zie ook P.R., inv. nrs. 101-113 en de in beslag genomen papieren van W.G.F. Bentinck van Rhoon, opgenomen in een afzonderlijke inventaris. )
- de opheffing van de Staten van Holland en West-Friesland, met inbegrip van de eerste stand, de Ridderschap;
- de opheffing van de Gecommitteerde Raden van het Noorder- en Zuiderkwartier, die door drie Comités, n.l. die van Algemeen Welzijn, Militaire Zaken en van Financiën werden vervangen;
- de opheffing van de Hollandse Rekenkamer, voor welke een Comité van Rekeningen in de plaats kwam;
- de afzetting en vervanging van de Hollandse gecommitteerden in de Staten-Generaal, in de Raad van State en in de Generaliteitsrekenkamer.
Voorts werd in de loop van 1795 nog besloten tot opheffing van de Hoge Raad van Holland en Zeeland en tot vervanging van de leden van het Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland. ( Ibid., inv. nr. 25, pp.328-336; inv. nr. 18, pp. 120 en 113. ) Er bestond aanvankelijk geen reglement voor de vergadering van de Provisionele Representanten. Pas op 16 mei stelden zij een commissie in die belast werd met het opstellen van een reglement van orde voor de vergadering, ( P.R. inv. nr. 18, pp.350-351. ) welke commissie op 29 juli haar rapport uitbracht. ( Ibid, inv. nr. 23, pp.636-643. ) Zij had zich van haar taak gekweten door een soort concept-reglement van orde op te stellen, dat echter volgens de toelichting veelal regels bevatte die reeds vanaf het begin der vergaderingen van de Provisionele Representanten in acht werden genomen. Omdat iedereen er nog vanuit ging dat er vóór of op 1 september 1795 een Nationale Conventie bijeen zou komen en zo niet, de "Hollandse Vergadering" dan zodanig gewijzigd zou worden dat er een geheel nieuw reglement opgesteld diende te worden, achtte de commissie het niet raadzaam het door hen opgestelde reglement te arresteren. Evenmin vond ze het op dat moment opportuun om een besluit te nemen betreffende het op 29 juni 1795 in haar handen gestelde voorstel om de vergaderingen van de Provisionele Representanten in het openbaar te houden of althans de debatten van de vergadering ter kennis te brengen aan het volk vóórdat de besluitvorming zou plaatsvinden. ( Ibid., inv. nr. 23, p.637. ) De Provisionele Representanten konden zich ten volle in het voorstel van de commissie vinden en besloten dienovereenkomstig. Het bewuste concept-reglement van orde ( Ibid., inv. nr. 23, pp.636-643. ) biedt een goed inzicht in de gevolgde al dan niet geheime vergader- en stemprocedures. De Vergadering van de Provisionele Representanten was een permanent college, dat in principe dagelijks, van maandag tot en met vrijdag, zitting hield. Daarnaast bestond de mogelijkheid bijzondere vergaderingen te beleggen. De gebruikelijke vergaderplaats was de zaal op het Binnenhof in Den Haag waar voorheen de Staten van Holland en West-Friesland bijeen plachten te komen. Eenmaal per veertien dagen koos of continueerde men een president en twee secretarissen. Het aantal leden per vergadering was over het algemeen aan grote wisselingen onderhevig. Gemiddeld verschenen er echter 50 à 60 gedeputeerden van de achttien voormalige stemhebbende en overige steden, alsmede de grotere plattelandsdistricten (baljuwschappen, bannen e.d.) die vroeger door de Ridderschap werden vertegenwoordigd. In beginsel was het toegestaan per bestuurlijke eenheid vier representanten naar Den Haag te sturen, maar in de praktijk waren het slechts de grote steden, die zich een dergelijk aantal konden veroorloven. De veranderde denkbeelden omtrent vertegenwoordiging zorgden ervoor dat de representanten doorgaans voor een zeer beperkte tijd werden afgevaardigd, waarna ze werden vervangen. Nieuw gekozen representanten dienden hun geloofsbrieven over te leggen en na goedkeuring daarvan de eed van trouw af te leggen.II. De Comités van de Provisionele Representanten van het Volk van Holland
II.1 Algemeen
Gedurende de bestuursperiode van de Provisionele Representanten werden er in totaal vijftien comités ingesteld. De drie belangrijkste colleges, het Comité van Algemeen Welzijn, van Militaire Zaken en van Financiën werden meteen op 26 januari geïnstalleerd ter vervanging van de opgeheven Gecommitteerde Raden van de Staten van Holland en West-Friesland. In de loop van de volgende maanden werden de overige comités snel achter elkaar opgericht.
Verschillende malen zijn er voorstellen gedaan tot oprichting van Comités van Algemene Gezondheid ( P.R., inv. nrs. 22, 24, 25, 26. ) , van Openbaar Onderwijs ( Ibid., inv. nrs. 21, 26, 27. ) en van Landbouw ( Ibid., inv. nrs. 24, 26. ) , die echter niet tot enig tastbaar resultaat leidden. De comités waren ingericht als permanente bestuurslichamen, uitgerust met een eigen administratie, en belast met door de Provisionele Representanten gedelegeerde taken en bevoegdheden. Daarnaast waren (personele) commissies werkzaam, samengesteld uit de Provisionele Representanten, die in het algemeen voor een beperkte tijd en met een nauw omschreven opdracht werden belast, waarna ze werden ontbonden. De comités hadden uitsluitend beslissingsbevoegdheid voor zover het zaken betrof, die zij tot hun normale werkzaamheden mochten rekenen, dan wel in aangelegenheden, die hun uitdrukkelijk door de Provisionele Representanten werden opgedragen. Ten aanzien van de beoordeling van andere kwesties was de schriftelijke goedkeuring van de Representanten vereist.
De Comités van Algemeen Welzijn, van Militaire Zaken en van Financiën konden, voor zover hun taken en bevoegdheden niet voor zichzelf spraken, terugvallen op de instructies van de Gecommitteerde Raden van 28 augustus 175. Daarnaast kregen alleen de Comités van Voorlichting, van Algemene Waakzaamheid en van Buitenlandse Zaken een eigen instructie. Met betrekking tot de overige comités volstond men er mee bij de instelling van het desbetreffende orgaan een korte omschrijving van de werkzaamheden te geven. Voor zover bekend beschikten bijna alle comités over een eigen administratie: de grotere maakten gebruik van de diensten van één of meer secretarissen en bedienden, de administratie van de kleinere werd waarschijnlijk door de leden zelf behartigd.
Bij resolutie van de Provisionele Representanten van 9 maart 1795 ( P.R., inv. nr. 19, pp.198-199. ) vond een organisatie plaats van de Comités van Algemeen Welzijn, van Militaire Zaken, van Financiën, van Rekeningen en van Vivres. In het kader van deze reorganisatie werden de leden van de bewuste comités zogenaamde daggelden toegezegd. Het was hun voortaan niet meer toegestaan om deze te innen van de steden of plaatsen, door welke zij waren afgevaardigd. Enkel van het Comité van Voorlichting is bekend dat zij daggelden van de Representanten ontvingen. Aangenomen mag worden dat slechts de grotere en min of meer permanent functionerende comités hiervoor in aanmerking kwamen. Op 1 mei 1795 werd besloten ( Ibid., inv. nr. 21, p.18. ) dat de leden van de Provisionele Representanten, die zitting hadden in een van de comités, het lidmaatschap hiervan dienden op te geven vanaf het moment dat zij teruggeroepen zouden worden door de stad of plaats die hen had afgevaardigd. Het zal duidelijk zijn dat dit niet bepaald bevorderlijk was voor de continuïteit van de werkzaamheden. Als gevolg van dit besluit moesten met name de kleinere comités het regelmatig zonder leden stellen. Voor de behandeling van zaken die meerdere comités tegelijk aangingen belegde men regelmatig gecombineerde vergaderingen. Stukken betreffende de handel in granen en andere eerste levensbehoeften werden door Provisionele Representanten vaak voorgelegd aan de Comités van Algemeen Welzijn, van Koophandel en Zeevaart, van Algemene Waakzaamheid en van Vivres om daar gezamenlijk over te rapporteren. De administratie van deze vergaderingen berustte bij het Comité van Koophandel en Zeevaart. De Comités van Algemeen Welzijn, van Militaire Zaken en Financiën, die zoals gezegd gezamenlijk de Gecommitteerde Raden vervingen, belegden voor de benoemingen van ambtenaren en later ook voor in hun handen gestelde rekesten eveneens gecombineerde vergaderingen. Vanaf 18 juni 1795 werden die vergaderingen geïnstitutionaliseerd tot wekelijks terugkerende bijeenkomsten, waarvan aparte registers van resoluties werden bijgehouden. ( P.R., inv. nr. 133. ) Om verwarring te voorkomen en om de continuïteit van het bestuur zoveel mogelijk te verzekeren bepaalde het "Reglement op het Provinciaal Bestuur", vastgesteld op 4 februari 1796, ( Ibid., inv. nr. 30, p. 169 artt. 70-71. ) dat op 1 maart 1796 nog functionerende comités hun werkzaamheden zouden voortzetten tot 1 april van datzelfde jaar. Op genoemde datum trad het Provinciaal Comité, het dagelijks bestuur van het Provinciaal Bestuur, in werking. Bij de behandeling van de afzonderlijke comités in het hierna volgende hoofdstuk wordt aangegeven welke comités na 2 maart 1796 bleven functioneren. Het zal duidelijk zijn dat de betreffende comités gedurende deze interim-periode verantwoording verschuldigd waren aan het Provinciaal Bestuur. Het werd hun leden echter niet toegestaan de vergaderingen van dit bestuur bij te wonen. ( P.B., inv. nr. 25, p.14. ) Organisatieschema Provisionele Representanten:

Kaart met kiesdistricten:

Geschiedkundige Atlas van Nederland, deel II, kaart 15-1
II.2 Bijzonder
II.2.1 Het Comité van Algemeen Welzijn
Nadat de Provisionele Representanten op 26 januari 1795 de Gecommitteerde Raden van de Staten van Holland en West-Friesland hadden opgeheven, werden op voorstel van de President drie comités ingesteld die gezamenlijk de plaats van de Gecommitteerde Raden moesten innemen. ( P.R., inv. nr. 18, p.7. ) Naar het voorbeeld van de Franse Comité de Salut Public kwam er voor de huishoudelijke zaken een Comité van Algemeen Welzijn, dat aanvankelijk uit zes personen bestond. In de loop van 1795 werd dit aantal tot twaalf uitgebreid. Van alle tijdens de bestuursperiode van de Provisionele Representanten ingestelde comités, was dat van Algemeen Welzijn het belangrijkst, zowel qua ledental als qua taken en bevoegdheden. Toch kreeg het geen eigen instructie, maar moest het zich daarvoor op die van de Gecommitteerde Raden van 28 augustus 1751 richten. Zijn werkzaamheden kan men het best omschrijven als die welke de Provisionele Representanten niet aan een ander comité of (personele) commissie hadden opgedragen of aan zichzelf hadden voorbehouden. Bij resolutie van 31 januari en 6 maart 1795 werd de zorg voor de gemene landsmiddelen en het bestuur van de domeinen van Holland nogmaals uitdrukkelijk opgedragen aan het Comité van Algemeen Welzijn. ( Ibid., inv. nr. 18, p 39; inv. nr. 19, pp. 142-143. ) Op 28 januari van dat jaar werd het Comité gemachtigd in het vervolg twee leden af te vaardigen ter vergadering van de Staten-Generaal. ( Ibid., inv. nr. 18, p.18.) ) De drie comités, ingesteld ter vervanging van de Gecommitteerde Raden, werden bij resolutie van 10 maart 1795 ( Ibid., inv. nr. 19, pp. 206-207. ) geauthoriseerd gezamenlijk ambtenaren aan te stellen. Gedurende de eerste maanden belegde men daartoe ad hoc vergaderingen. Op 2 mei 1795 werd door de Provisionele Representanten een commissie van twaalf leden uit de drie comités samengesteld om een lijst op te maken van vanwege hun orangistische sentimenten verdachte ambtenaren. Reeds een maand later, op 2 juni, bracht de commissie haar rapport uit. Om het overleg over de nieuw te benoemen ambtenaren meer te structureren, besloten de drie comités vanaf 18 juni wekelijks, op woensdag, te vergaderen. In deze zogenaamde Gecombineerde Vergaderingen behandelde men tevens de door Provisionele Representanten toegezonden stukken. Het presidium rouleerde wekelijks tussen de presidenten van de drie comités. Op 9 september 1795 belastten de Provisionele Representanten het Comité van Algemeen Welzijn ook met de werkzaamheden van het op die datum opgeheven Comité van Militaire Zaken. Deze beslissing werd echter reeds op 17 september 1795 herroepen. ( P.R., inv. nr. 25, pp. 135-137, 294. ) Op 12 oktober 1795 werd door de Provisionele Representanten besloten het Comité van Noodlijdenden (en Uitgewekenen) op te heffen en zijn taken en bevoegdheden toe te delen aan het Comité van Algemeen Welzijn . ( Zie ook het Comité van Noodlijdenden, p. 68. ) Vanaf 2 maart 1796 tot de beëindiging van zijn werkzaamheden op 31 maart was het Comité verantwoording schuldig aan het Provinciaal Bestuur.
II.2.2 Het Comité van Militaire Zaken
Het tweede bij resolutie van de Provisionele Representanten van 26 januari 1795 opgerichte Comité was dat van Militaire Zaken. ( P.R., inv. nr. 18, p. 7; wordt ook aangeduid als Comité tot de Militaire Zaken. ) Op 10 maart 1795 werd dit zes leden tellende bestuursorgaan gemachtigd in het vervolg één der leden af te vaardigen ter vergadering van de Staten-Generaal. ( Ibid., inv. nr. 19, p. 195. ) Alle militaire zaken die niet waren opgedragen aan generaliteitsorganen, werden dit orgaan toevertrouwd. In de vergadering van de Provisionele Representanten van 9 september 1795 ( Ibid., inv. nr. 25, pp. 135-137. ) werden zijn taken als volgt geformuleerd: - de organisatie van het leger in Holland;
- het toezicht op de arsenalen, magazijnen en fortificaties in Holland;
- het commando over het garnizoen in Den Haag;
- het verlenen van attache op patenten;
- de organisatie van de gewapende burgermacht in Holland.
Tijdens de bovengenoemde vergadering van de Provisionele Representanten van 9 september 1795 kwam het Comité van Militaire Zaken met een voorstel tot zijn eigen opheffing. Als reden werd aangevoerd dat de organisatie van het leger was voltooid. Hierbij kwam dat het Comité slechts uit een drietal leden bestond en er grote problemen te verwachten waren bij het werven van nieuwe leden. De overgebleven leden pleitten er dan ook voor om samen met de hun resterende taken en bevoegdheden naar het Comité van Algemeen Welzijn over te mogen gaan. De Provisionele Representanten konden zich met dit voorstel verenigen en bij resolutie van 9 september 1795 mocht het Comité van Militaire Zaken zich als opgeheven beschouwen. ( P.R., inv. nr. 25, pp. 135-137. ) Na rijp beraad besloten de Provisionele Representanten tot vernietiging van de op 9 en 14 september genomen resoluties en tot het opnieuw instellen van het Comité van Militaire Zaken, waarvan men het ledental op vier bepaalde. Zijn taken bleven ongewijzigd, met uitzondering van de zorg voor de defensie, die aan de generaliteitscomités, het Comité te Lande en het Comité van Marine werd opgedragen. ( Ibid., pp. 294-297 ) Het Comité van Militaire Zaken beëindigde zijn werkzaamheden met ingang van 1 april 1796, waarbij dient aangetekend dat het sedert 2 maart 1796 verantwoording schuldig was aan het Provinciaal Bestuur van Holland.
II.2.3 Het Comité van Financiën
Het derde door de Provisionele Representanten op 26 januari opgerichte Comité was dat van Financiën. ( P.R., inv. nr. 18, p. 7; wordt ook aangeduid als Comité tot de Finantiën of Comité van Finantie. ) Taken en bevoegdheden van het zes leden tellende Comité waren niet nader omschreven. Zoals al eerder vermeld ( Zie p. 60. ) nam dit college gezamenlijk met de Comités van Algemeen Welzijn en van Militaire Zaken de werkzaamheden van de opgeheven Gecommitteerde Raden over. Met betrekking tot de door het Comité uitgeoefende werkzaamheden dient men er echter op bedacht te zijn dat de Provisionele Representanten in zaken betreffende de financiële aangelegenheden verschillende malen overgingen tot de instelling van een (personele) commissie. Zo stelde men op l mei 1795 een "Commissie tot de examinatie van de financiële plans" in, ( P.R., inv. nr. 18, p. 21 ) die overigens in een later stadium bij gelegenheid samenwerkte met het Comité van Algemeen Welzijn. Bij resolutie van 28 januari 1795 droegen de Provisionele Representanten het Comité van Financiën de veelomvattende taak op om een exacte staat van 's lands financiën op te stellen. ( Ibid., inv. nr. 18, p.17. ) Op 10 maart van datzelfde jaar werd het gemachtigd in het vervolg één lid ter vergadering van de Staten-Generaal af te vaardigen. ( Ibid., inv. nr. 19, p. 195. ) Vanaf 2 maart 1796 was het Comité verantwoording verschuldigd aan het Provinciaal Bestuur van Holland, waarna het op 31 maart 1796 zijn werkzaamheden beëindigde.
II.2.4 Het Comité van Koophandel en Zeevaart
De werkzaamheden van het op 13 februari 1795 staande de vergadering opgerichte Comité van Koophandel en Zeevaart spreken voor zich, met dien verstande dat de zaken betreffende de handel, granen en andere eerste levensbehoeften, vanwege de heersende schaarste vaak werden opgedragen aan een Gecombineerde Vergadering ad hoc. Deze bestond, gelijk eerder vermeld ( Zie p. 60. ) uit de Comités van Koophandel en Zeevaart, van Algemeen Welzijn, van Algemene Waakzaamheid en van Vivres. De administratie berustte in het algemeen bij het Comité van Koophandel en Zeevaart. Blijkbaar functioneerde het zes leden tellende Comité niet naar wens. Verscheidene malen diende het in 1795 bij de Provisionele Representanten voorstellen in om te komen tot een doelmatiger organisatie. ( P.R., inv.nr. 24, p. 163; inv. nr. 25, pp. 300-303. ) Geopperd werd een commissie op te richten, die uit de leden van het comité en enige ter zake kundige vertegenwoordigers van de grote handelssteden zou moeten bestaan. Deze zouden de taak toebedeeld moeten krijgen een beleid uit te stippelen ten aanzien van de sinds de omwenteling drastisch gewijzigde omstandigheden op het gebied van handel en nijverheid. Onduidelijk is of deze voorstellen ook daadwerkelijk tot uitvoering zijn gekomen.
Sedert 2 maart 1796 ressorteerde ook het Comité van Koophandel en Zeevaart onder het Provinciaal Bestuur van Holland. Het beëindigde zijn werkzaamheden op 1 april 1796.
II.2.5 Het Comité van Voorlichting en Bestiering der Remotiën en Regeringsaanstellingen zowel in de steden als ten plattelande van Holland
Tijdens de vergadering van de Provisionele Representanten van 18 maart 1795 werd voorgesteld om vanwege de onregelmatige wijze waarop vooral op het platteland de bestuursveranderingen verliepen, twee burgers te benoemen om de burgerij in deze voor te lichten. ( Ibid.,inv. nr. 13, p. 4. ) De vergadering besloot daartoe vier van haar leden aan te wijzen, later uitgebreid tot vijf. Vanaf 18 mei 1795 bestond het Comité uit zeven leden. Na wat aanloopproblemen kon het Comité op 18 april 1795 zijn werkzaamheden starten.
De instructie werd vastgesteld op 24 april. ( Ibid., inv. nr. 20, pp. 561-562. ) Het Comité diende de bevolking, zowel in de steden als op het platteland, voor te lichten en met raad en daad bij te staan inzake de afzetting en vervanging van antipatriottische ambtenaren en bestuurders. Het kreeg machtiging om zonodig met gebruik van de sterke arm contrarevolutionairen en andere personen die het Comité in de uitoefening van zijn taak trachtten te belemmeren, in hechtenis te (doen) nemen. Bij resolutie van de Provisionele Representanten van 19 juni 1795 ( Ibid., inv. nr. 22, pp. 1091-1092 ) werd de instructie zodanig uitgebreid dat vanaf dat tijdstip ook het toezicht op kerkelijke beambten in de ruimste zin van het woord daaronder viel. Ten behoeve van zijn werkzaamheden werd het comité op 6 mei 1795 toegestaan die stukken aan een onderzoek te onderwerpen, ( P.R., inv. nr. 21, p. 137. ) die zowel vlak voor als na de mislukte revolutie van 1787 bij de Staten of de stadhouders waren ingekomen. Deze bevoegdheid werd op 21 mei uitgebreid tot de administratie van alle steden en municipaliteiten. ( Ibid., inv. nr. 21, pp. 442-443. ) Op voorstel van de president van de Provisionele Representanten besloot de vergadering op 15 februari 1796 tot opheffing van het Comité van Voorlichting. In plaats daarvan benoemde men een commissie bestaande uit zes leden voor het opmaken van de rekening en verantwoording en het overbrengen van de administratie naar het Comité van Algemeen Welzijn. Blijkens zijn rapport van 29 februari 1796 ( Ibid., inv. nr. 30, pp.598-599. ) was het onmogelijk de rekening en verantwoording op te maken. Wel was er op 27 februari een omvangrijke hoeveelheid bescheiden overgenomen en overgebracht naar het Comité van Algemeen Welzijn. Op 25 maar 1796 diende een personele commissie de uiteindelijke rekening en verantwoording van het Comité van Voorlichting in ter vergadering van het Provinciaal Bestuur. ( Ibid., inv. nr. 21, pp. 18-20. )II.2.6 Het Comité van Buitenlandse Zaken
Bij resolutie van de Provisionele Representanten van 29 januari 1795 werd de president van dit college gemachtigd de contacten met de buitenlandse gezanten te onderhouden. ( Ibid., inv. nr. 18, p. 29. ) Voordien was dit één van de taken van de raadpensionaris van Holland geweest. Maar bij nader inzien besloten de Provisionele Representanten op 2 april 1795 tot de oprichting van een Comité van Buitenlandse Zaken. ( Ibid., inv. nr. 20, p. 46. ) De benoeming van de leden en de vaststelling van de voorlopige instructie geschiedde bij geheime resolutie van 3 april 1796. ( P.R., inv. nr. 31. ) De definitieve instructie werd bij geheim besluit vastgesteld op 8 juli, tevens werden enige nieuwe leden benoemd. ( Ibid., inv. nr. 31. ) Omdat bij de instelling van de Nationale Vergadering op l maart 1796 de buitenlandse zaken tot haar competentie zouden gaan behoren, stelde het gewestelijk bestuur reeds op 1 februari een commissie aan tot het opmaken van de uiteindelijke rekening en verantwoording van het comité. ( Ibid., inv. nr. 30, p. 41. ) In de loop van de maanden februari en maart 1796 wikkelde het de lopende werkzaamheden af, om tenslotte zijn gehele administratie in handen van de Commissie van de Buitenlandse Zaken uit de Nationale Vergadering te stellen.II.2.7 Het Comité van Algemene Waakzaamheid
Op 30 april besloten de Provisionele Representanten tot oprichting van een Comité van Algemene Waakzaamheid van Holland. Reeds de volgende dag werd door een viertal commissieleden de concept-instructie ingediend. Het comité, dat uit acht leden zou bestaan, diende zich bezig te houden met het toezicht op reeds opgerichte en nog op te richten plaatselijke Comités van Waakzaamheid. Al de steden en plaatsen, die nog niet een dergelijk orgaan hadden ingesteld, dienden onverwijld tot oprichting daarvan te worden aangespoord.
Het Comité kreeg bovendien tot taak de algemene veiligheid van het Volk van Holland te waarborgen. In het bijzonder werd het belast met het toezicht op en eventuele arrestatie van personen die als staatsgevaarlijk te boek stonden. ( Ibid., inv. nr. 21, pp. 18-20. ) Na aldus zijn werkzaamheden gedurende geruime tijd te hebben volvoerd, stelde het comité op 26 februari 1796 aan de Provisionele Representanten voor een commissie in te stellen tot het opnemen van de rekening en verantwoording. Op 2 maart daaropvolgend werd het rapport uitgebracht tijdens de laatste zittingsdag van de Provisionele Representanten. Gedurende deze maand, de laatste in zijn bestaan, was het Comité verantwoording verschuldigd aan het pas geïnstalleerde Provinciaal Bestuur van Holland. Op 31 maart 1796 namen de leden van het Provinciaal Bestuur de resterende administratie van het Comité van Algemene Waakzaamheid over. ( P.R., inv. nr. 30, p. 571 en P.B. inv. nr. 25, p. 166. )II.2.8 Het Comité van Noodlijdenden en het Comité van Uitgewekenen
Tijdens de vergadering van de Provisionele Representanten van 3 maart 1796 werd besloten tot oprichting van een Comité tot hulp aan noodlijdenden. ( Ook aangeduid als Comité van (tot) Ondersteuning aan (van) Noodlijdenden. ) Aanleiding hiertoe vormde een rekest uit Raamsdonk, betreffende de ongelukkige omstandigheden, waarin vele ingezetenen van die plaats zich bevonden. ( P.R., inv. nr. 19, p. 60. ) Op 14 maart werd het uit vier personen bestaande comité gemachtigd voorzieningen te treffen voor de naar Frankrijk en de Zuidelijke Nederlanden uitgeweken patriotten, die na hun terugkeer veelal in behoeftige omstandigheden verkeerden. ( Ibid., pp.321-322. ) Bij resolutie van de Provisionele Representanten van 7 augustus 1795 werd dit college eveneens belast met de werkzaamheden van het op die datum opgeheven Comité van Uitgewekenen, ( Ibid., inv. nr. 25, pp.186-187. ) waartoe het met twee leden werd uitgebreid. Het Comité van Noodlijdenden werd tevens gemachtigd aan de voormalige leden van het Comité van Uitgewekenen rekening en verantwoording van de werkzaamheden en het beheer van de financiën te vragen en hiervan rapport uit te brengen aan de vergadering van de Provisionele Representanten. Dat besloten werd tot opheffing van het onderhavige Comité is begrijpelijk als men bedenkt dat de werkzaamheden elkaar deels overlapten. Immers, vele ex-uitgewekenen verkeerden in behoeftige omstandigheden. En mede het feit in aanmerking genomen dat zij vaak niet op de hoogte waren van de competentie van de twee Comités, waaraan zij hun verzoekschriften tot ondersteuning richtten, kon het voorkomen dat zij deze op goed geluk aan een van beide instanties toezonden. Ondanks de onjuiste adressering droeg het desbetreffende Comité dan zorg voor verdere afhandeling. Het verdient dan ook alleszins aanbeveling om beide archieven bij het onderzoek te betrekken. Op 12 oktober 1795 werd het Comité van Noodlijdenden (en Uitgewekenen) opgeheven. ( P.R., inv. nr. 18, p. 706. ) De werkzaamheden werden toevertrouwd aan het Comité van Algemeen Welzijn.II.2.9 De overige comités
II.2.9.1 Het Comité van Rekeningen
Op 28 januari 1975 werden de leden van de Hollandse Rekenkamer ontslagen ( Ibid., inv. nr. 18, p. 17. ) door een resolutie van de Provisionele Representanten. Hiervoor in de plaats kwam een Comité van Rekeningen. De taken en bevoegdheden van dit Comité, dat uit vier leden bestond, verschilden in niets van die van zijn voorganger. ( verg. J. Smit, Inleiding op de inventaris van het archief der Rekenkamer ter Auditie van de Gemeenelandsrekeningen en de opvolgende colleges 1572-1805 ('s-Gravenhage 1946). ) Na 2 maart 1796 was het verantwoording verschuldigd aan het Provinciaal Bestuur van Holland. Omdat het Comité van Rekeningen één van die instanties was die ook na 1 april 1796 zouden blijven functioneren, de datum waarop het Provinciaal Bestuur officieel inwerking zou treden, stelde dit nieuwe bewind op 15 maart een viertal nieuwe leden aan. Deze dienden tegelijkertijd met het Provinciaal Comité op 1 april 1796 hun werkzaamheden te beginnen. ( P.R. inv. nr. 30, pp. 152-175, artt. 90-91. ) Het archief van het Comité van Rekeningen is later met dat van de Rekenkamer ter Auditie en opvolgende colleges verenigd. ( J. Smit, Het archief der Rekenkamer ter Auditie van de Gemeenelandsrekeningen en de opvolgende colleges, 1572-1805 ('s-Gravenhage 1946). )II.2.9.2 Het Comité van Vivres en Noodwendigheden
De werkzaamheden van dit op 2 februari 1795 opgerichte Comité ( Ook aangeduid als het Comité van Vivres. ) omvatten de zorg voor de bevoorrading van de in Holland gelegen Franse troepen. Na de opheffing van dit college is het archief overgedragen aan het (Generaliteits)comité tot de Zaken van het Algemeen Bondgenootschap te Lande, kortweg Comité te Lande genoemd. Samen met een deel van de bescheiden van laatstgenoemd Comité is het archief van het Comité van Vivres verloren gegaan.II.2.9.3 Het Comité tot de zaken van de Oost-Indische Compagnie
Bij resolutie van de Provisionele Representanten van 30 januari 1795 werden vier leden benoemd in een Comité of Commissie van de Oost-Indische Compagnie. ( P.R., inv. nr. 18, p 36. ) Dit orgaan kwam in de plaats van de op 15 mei 1790 ingestelde Commissie van de Oost-Indische Compagnie. De werkzaamheden omvatten het rapporteren en adviseren inzake kwesties, die het belang van de V.O.C. raakten. Op 16 februari 1795 werd het Comité gemachtigd om in dringende zaken naar goeddunken te handelen. ( Ibid., inv. nr. 18, pp. 298, 299. ) Later in dat jaar, op 15 juni, bracht het een zeer uitgebreid rapport uit, ( Ibid., inv. nr. 22, pp. 983-1013. ) , waarin ondermeer werd voorgesteld het College der Bewindhebbers der V.O.C. te ontslaan en in de plaats daarvan een Generaliteitscomité in te stellen. Voorlopig besloot men echter een commissie op te richten, die een plan diende op te stellen inzake de in het rapport gedane voorstellen. Op 15 september werd hiervan verslag uitgebracht. En het uiteindelijke resultaat was dat op 16 november daaropvolgend de Staten-Generaal akkoord gingen met de instelling van een Algemeen Comité tot de zaken van de Oost-Indische Handel en Bezittingen, waarin ook het gewest Holland was vertegenwoordigd. Dit Comité zou zijn werkzaamheden tegelijk met de Nationale Vergadering, op 1 maart 1796, aanvangen. ( ARA, Eerste Afdeling, Archief van de Staten-Generaal, inv. nr. 3863, resoluties van 6, 16 en 30 november, 3 en 24 december 1795, en inv. nr. 3864, resoluties van 28 januari en 4 februari 1796. ) Voor de bijzonderheden omtrent de werking van dit Comité en zijn voorganger, de in 1790 ingestelde Hollands-Zeeuwse Staatscommissie tot de zaken van de Oost-Indische Compagnie, mag verwezen worden naar de Inventaris van archieven van de Hollandse Staatscommissies tot de zaken van de Oost-Indische Compagnie door T. Thomassen. ( Zie ook alg. Inl. p 36. )II.2.9.4 Het Comité van de Hoge, Middelbare en Lage Heerlijkheden
Het Comité van de Hoge, Middelbare en Lage Heerlijkheden werd op 12 februari 1795 opgericht krachtens een decreet van de Provisionele Representanten. ( P.R., inv. nr. 18, p. 225. ) Zijn werkzaamheden strekten zich uit tot alle zaken betreffende heerlijkheden en heerlijke rechten in Holland. Het archief van het op 4 februari 1796 opgeheven Comité is vermoedelijk verloren gegaan.II.2.9.5 Het Comité van Examinatie van Rekesten
Krachtens een resolutie van Provisionele Representanten van 17 maart 1795 ( Ibid., inv. nr. 22, p. 424. ) werd het Comité van Examinatie en Rekesten opgericht. Het had als enige taak voor de aanvang der vergadering van het Gewestelijk Bestuur de ingekomen rekesten door te nemen en daarvan lijsten op te maken. Deze moesten de namen van de rekestranten bevatten, de korte inhoud van de verzoeken en de Comités of Commissies naar welke de desbetreffende rekesten doorgestuurd moesten worden. Een eigen administratie voerde het Comité niet. De enige stukken die ons nog resten zijn een aantal van de bovenvermelde lijsten in de minuut-resoluties van de Provisionele Representanten. ( Ibid., inv. nrs.1-12. ) De datum waarop dit bestuurscollege zijn werkzaamheden beëindigde, is niet bekend. Waarschijnlijk echter kan men hiervoor dezelfde datum aanhouden waarop de Provisionele Representanten hun bestuurlijke aktiviteiten staakten, namelijk 2 maart 1796.II.2.9.6 Het Comité tot Superintendentie van de Zeedijken en Zeeweringen
Op 9 maart 1795 besloten de Provisionele Representanten tot de oprichting van een Comité tot Superintendentie van de Zeedijken en Zeeweringen in Holland, ( Ibid.,inv. nr. 22, pp. 197-198. ) , dat uit zeven, later negen ( Ibid., p. 327. ) op het gebied van waterstaatszaken deskundige personen zou moeten bestaan. De benoeming van deze functionarissen, die als "superintendenten" werden betiteld omdat ze toezicht moesten houden op alle zeedijken en zeeweringen, berustte voorheen in een aantal gevallen bij de Staten of de Gecommitteerde Raden. Bij de aanvang der werkzaamheden van het Provinciaal Bestuur in maart 1796 functioneerde het Comité nog steeds. Het Comité van Algemeen Welzijn kreeg nu opdracht rapport uit te brengen over de noodzaak tot handhaving van het zustercollege. ( P.B., inv. nr. 25, p. 143. ) De behandeling van dit rapport vond plaats op 30 maart, waarna besloten werd tot continuatie van dit Comité onder de benaming van Commissie van Superintendentie van Zeedijken en Zeeweringen in Holland. Omdat de werkzaamheden van het Comité na 30 maart 1796 normaal doorgang vond werd de administratie niet afgesloten. Krachtens het besluit van het Uitvoerend Bewind van 27 maart 1798 nr. 39 werd het beheer over dijken en wegen overgedragen aan de Agent voor Inwendige Politie, waardoor een centraal bestuur van de waterstaat over de gehele Bataafse Republiek tot stand kwam. ( Zie voor de verdere geschiedenis van dit Comité de aparte inventaris. )II.2.9.7 Het Comité tot de zaken van de Grote Visserij
Bij decreet van de Provisionele Representanten werd op 15 maart 1796 het College van de Visserij opgeheven. Niettemin bleef er behoefte bestaan aan een instantie die de zaken betreffende de visserij zou behartigen. Na overleg met de belanghebbenden stelden op 3 juni 1795 de Provisionele Representanten een Comité tot de Zaken van de Grote Visserij in. ( A.A. Mietes, De archieven van de Colleges van de Grote Visserij, 1578-1857 (1859), 's-Gravenhage, Rijksarchief in Zuid-Holland, 1984 [Inventarisreeks Rijksarchieven in Holland, nr. 29]. ) . Dit Comité wist zich gedurende lange tijd, tot 1823, te handhaven.LIJST VAN DE LEDEN VAN HET COMITÉ VAN ALGEMEEN WELZIJN
De achter de namen vermelde eerste datum geeft de aanstelling, c.q. toetreding van de leden, de tweede datering het ontslag of de aftreding.
| M. den Appel |
9 maart |
|
| N. Backus |
24 februari |
vervangen 22 april |
| B. Blok |
|
|
| D. Boellaard |
22 april |
|
| P. Bosveld |
24 februari |
ontslagen 23 november |
| J.C. van Brakel |
2 december |
|
| G. Buyskes |
30 juli |
|
| P. Corver |
24 februari |
vervangen 9 maart |
| J.J. Duivensz |
24 februari |
ontslagen 29 juli |
| H. Forsten |
24 februari |
|
| W. Hofdijk |
22 april |
gecontinueerd 15 oktober |
| C. van der Hoop Gijsbertsz. |
30 juli |
|
| L.T. de Kempenaer |
26 januari |
vervangen 9 maart |
| P. Kops Gz. |
24 februari |
ontslagen 29 juli |
| D. van Laar |
26 januari |
vervangen 23 februari |
| J.H. de Lange |
26 januari |
|
| J.F. Leemans |
9 maart |
aangesteld als secretaris 10 juli |
| J. Nuhout van der Veen |
9 maart |
vervangen 22 april |
| J. Reepmaker |
26 januari |
|
| P. Roos |
26 januari |
vervangen 9 maart |
| A.W. Swart |
24 februari |
|
| B. van der Velden |
15 mei |
|
| J. van Vredenburg |
26 januari |
vervangen 15 mei |
LIJST VAN DE LEDEN VAN HET COMITÉ VAN MILITAIRE ZAKEN
De achter de namen vermelde eerste datum geeft aanstelling c.q. toetreding aan, de tweede datering het ontslag of aftreden.
| S. Bosch |
26 januari |
ontslagen 31 januari |
| W. Buys |
6 oktober |
|
| J. Dekker |
23 februari |
ontslagen 6 oktober |
| Dury |
17 maart |
ontslagen |
| J. Eijkersbroek |
31 december |
|
| O. Gevaerts van Geervliet |
24 februari |
ontslagen |
| D.J. van Hogendorp |
9 maart |
ontslagen 17 juli |
| A. van der Jagt |
16 december |
|
| J. de Jong van Hedikhuizen |
12 februari |
ontslagen 6 oktober |
| L.T. de Kempenaer |
26 januari |
ontslagen 31 januari |
| J.H. de Lange |
26 januari |
ontslagen 31 januari |
| C.J. de Lange van Wijngaarden |
9 februari |
ontslagen 6 oktober |
| W.A. Lestevenon |
29 januari |
op zich zelve geconstitueerd 31 januari, ontslagen 9 maart |
| O. Lewe van Aduard |
opnieuw benoemd 17 maart |
ontslagen 9 maart, opnieuw ontslagen |
| G. Loncq |
26 januari |
ontslagen 9 maart |
| P.G. Mess |
17 juli |
ontslagen |
| C. Meijer |
|
ontslagen 7 februari |
| B. Moerkerk |
opnieuw benoemd 9 maart |
ontslagen 6 oktober |
| A. Rittner |
9 februari |
vervangen 17 juli |
| P. Roos |
26 januari |
ontslagen 31 januari |
| D. Ruysch |
17 juli |
ontslagen 6 oktober |
| J.G. Tullingh van Oldenbarnevelt |
9 februari |
ontslagen 6 oktober |
| J. van Vredenburg |
26 januari |
ontslagen 31 januari |
| J.F. van de Wall |
17 juli |
|
| J.P. Wicquefort Crommelin |
28 juni |
|
| S.I. Wiselius |
7 februari, opnieuw benoemd 9 maart |
vervangen 9 februari, ontslagen 6 oktober |
| Zuylen van Nievelt |
17 maart |
ontslagen |
LIJST VAN DE LEDEN VAN HET COMITÉ VAN FINANCIËN
| Van Beesting |
26 januari |
vervangen 28 januari |
| C.H. van Berestein |
26 januari |
vervangen 29 maart |
| Van Hoogstraten |
26 januari |
vervangen 28 januari |
| C. Hovens |
26 januari |
|
| F. Hoyer |
17 februari |
|
| J.D. Huichelbos van Liender |
28 januari |
|
| P.L. van de Kasteele |
9 mei |
vervangen 16 november |
| N. van Staphorst |
23 februari |
|
| A. Strockel |
23 februari |
|
| W. Tip |
16 november |
|
| J. du Tour |
25 januari |
vervangen 8 maart |
| W. van der Wagt |
5 februari |
|
LIJST VAN DE LEDEN VAN HET COMITÉ VAN KOOPHANDEL EN ZEEVAART
| J. Beeldemaker |
17 december |
|
| W. Bolten |
13 februari |
|
| F Bondel |
17 december |
|
| C.J. Branger |
13 maart |
|
| C. Brouwer |
13 februari |
|
| P. Corver |
20 maart |
|
| S. Crena |
24 maart |
|
| C. Duyn |
13 februari |
|
| J.J. Elzevier |
17 december |
|
| E. l'Espinasse |
23 februari |
|
| A. van Eijken |
10 april |
voor de boekhandel |
| H. Gildemeester |
26 oktober |
|
| J.D.A. Havart |
1 april |
|
| H. Hasebroek |
8 juli |
|
| C. Hooy |
13 februari |
|
| A. Hubert |
17 december |
|
| A.P. van der Kun |
13 maart |
|
| C. Lans |
13 maart |
|
| J. Messchert van Vollenhoven |
5 oktober |
|
| C. Meijer |
13 februari |
|
| B.H. Muller |
30 maart |
|
| J. Bruyn v. Oosterwijk |
11 mei |
|
| J. Teengs |
13 februari |
|
| A. Teijler van Hall |
23 februari |
|
| H. Vollenhoven |
8 juli |
|
| D.C. van Voorst |
10 april |
voor de boekhandel |
| C. de Vos |
13 april |
voor de boekhandel |
| P. Wachter |
23 maart |
|
| D. Westrik |
23 februari |
|
| J.F. Wilkens Jz |
17 december |
|
LIJST VAN DE LEDEN VAN HET COMITÉ VAN VOORLICHTING EN BESTIERING DER REMOTIEN EN REGERINGSAANSTELLINGEN
| Van der Aa |
24 april |
|
| D. Boom |
31 oktober |
secretaris |
| A. Harteveld |
18 maart |
|
| F. Kumsius |
2 april |
|
| G. van Maanen |
24 april |
secretaris |
| J. Nuhout van der Veen |
18 maart |
|
| J. Ondorp |
24 april |
|
| R. Rom |
18 mei |
ontslagen 1 augustus |
| J. Slotemaker |
13 juni |
|
| E. van der Sluis |
31 oktober |
|
| J. Spoors |
18 maart |
|
| A. van Steenwijk |
31 oktober |
|
| J. Verveer |
18 mei |
|
| M. van der Vlist |
31 oktober |
secretaris |
| S.I. Wiselius |
18 maart |
ontslagen 13 juli |
Dit comité is opgeheven op 15 februari 1796 en de stukken zijn overgegaan naar het Comité van Algemeen Welzijn.
LIJST VAN DE LEDEN VAN HET COMITÉ VAN BUITENLANDSE ZAKEN
| P. Bosveld |
8 juli |
|
| J.G.H. Hahn |
2 april |
|
| P.L. van de Kasteele |
8 juli |
|
| L.T. Kempenaer |
23 juni |
|
| W.A. Lestevenon |
2 april |
|
| F. van Leyden |
2 april |
|
| G.J. Loncq |
2 april |
ontslagen |
| G. van Olivier |
23 juni |
|
| P. Paulus |
2 april |
|
| N. van Staphorst |
2 april |
ontslagen |
| J.G. van Tullingh van Oldenbarneveld |
2 april |
ontslagen |
LIJST VAN DE LEDEN VAN HET COMITÉ VAN ALGEMENE WAAKZAAMHEID
| F.W. Fennekol |
1 mei |
|
| W. Fijnje |
28 september |
|
| H. Gevers |
1 mei |
|
| D. van Hogendorp |
1 mei |
vervangen 13 juli |
| B.F. van Liebeherr |
1 mei |
|
| G. van Olivier |
1 mei |
|
| A.J. la Pierre |
1 mei |
|
| J. Spoors |
1 mei |
ontslagen 28 september |
| S.I. Wiselius |
13 juli |
|
| P. van Zonsbeek |
1 mei |
|
LIJST VAN DE LEDEN VAN HET COMITÉ VAN UITGEWEKENEN
| L.J. Blok |
20 april |
|
| C. Boterkoper |
2 oktober |
|
| A.H. Brouwer |
20 april |
vervangen 21 april |
| A. Coomans |
21 april |
|
| F.D.C. Druyvesteijn |
5 maart |
ontslagen 20 april |
| A. van Eijken |
5 maart |
|
| O. Gevaerts van Geervliet |
5 maart |
ontslagen 20 april |
| S.E. Kolff |
2 oktober |
|
| G. van de Pol |
5 maart |
|
| R. Rom Jz. |
20 april |
ontslagen 1 augustus |
| R. Sandifort |
2 oktober |
|
| D. Speleveld |
5 maart |
ontslagen 20 april |
| A. Voogd |
20 april |
|
| D.C. van Voorst |
5 maart |
ontslagen 20 april |
Dit comité is opgeheven op 12 oktober 1795 en de stukken zijn overgenomen door het Comité van Algemeen Welzijn.
LIJST VAN DE LEDEN VAN HET COMITÉ VAN NOODLIJDENDEN
| M. den Appel |
13 maart |
| W. Bek |
9 april |
| C. Boterkoper |
2 oktober |
| E. van Braam |
9 april |
| J. Breebaard |
6 mei |
| P. Breebaard |
15 april |
| G. van der Goot |
6 mei |
| L. Grendel |
13 maart |
| J. Hartog |
15 april |
| E.C. Kolff |
2 oktober |
| G.H. van Loon |
28 maart |
| B.H. Muller |
9 april |
| R. Sandifort |
6 mei |
| C.L. Schuitemaker |
28 maart |
| J.H. Spruyt |
13 maart |
| W. Suurmond |
13 maart |
| Veer |
28 maart |
| J. Verveer |
6 mei |
| G.J. van Westreenen |
9 april |
Dit Comité is opgeheven op 12 oktober 1795 en de stukken zijn overgegaan naar het Comité van Algemeen Welzijn.
LIJST VAN DE LEDEN VAN HET COMITÉ VAN REKENINGEN
| W.F. van Barneveld |
17 februari |
ontslagen 9 maart |
| P.C. Boon |
17 februari |
|
| E. van Braam |
18 mei |
|
| A.J. van Doorn |
6 april |
|
| F.D.C. Druyvestein |
27 februari |
vervangen 16 november |
| J.A. van Heemskerk |
28 januari |
vervangen 17 februari |
| A. Klinkert |
16 november |
|
| J. Nolet |
28 januari |
|
| A.J. la Pierre |
28 januari |
ontslagen 9 maart |
| C. van Pomeren |
17 februari |
ontslagen 9 maart |
| D. Speleveld |
17 februari |
ontslagen 9 maart |
| D de Weille |
2 februari, opnieuw benoemd 9 maart |
ontslagen 17 februari, vervangen 6 april |
| S.I. Wiselius |
28 januari |
vervangen 7 februari |
LIJST VAN DE LEDEN VAN HET COMITÉ VAN HOGE, MIDDELBARE EN LAGE HEERLIJKHEDEN
| C. Bijleveld |
12 februari |
vervangen 18 maart |
| A. van der Dussen |
13 april |
|
| L. Dijl |
18 maart |
|
| C.F. Elout |
6 mei |
|
| J. Glasekas |
18 maart |
|
| F. van der Goes |
6 mei |
|
| W. Hofdijk |
13 april |
|
| C. Hooy |
12 februari |
|
| S. Hubert |
18 maart |
|
| P.A. van Kooten |
27 februari |
vervangen 18 maart |
| F. Kumsius |
18 maart |
|
| D. van Laar |
12 februari |
vervangen 18 maart |
| J.F. Leemans |
27 februari |
vervangen 18 maart |
| F. van Leyden |
12 februari |
vervangen 18 maart |
| D. Speleveld |
12 februari |
vervangen 18 maart |
| P. van Zonsbeek |
18 maart |
|
Dit comité is opgeheven op 4 februari 1796 en de stukken zijn overgegaan naar het Comité van Algemeen Welzijn.
LIJST VAN DE LEDEN VAN HET COMITÉ VAN VIVRES EN NOODWENDIGHEDEN
| W. Bruigom Tip |
30 januari |
|
| A. van der Jagt |
20 februari |
|
| B. Kool Jz. |
30 januari |
|
| C. Kuyper |
5 maart |
ontslagen 15 juni |
| A. Lamme |
2 februari, opnieuw benoemd 26 juni |
ontslagen 9 maart |
| C. Meijer |
2 februari |
ontslagen 20 februari |
| J. Nolet |
29 januari |
ontslagen 9 maart |
| A. Schregardus |
5 februari |
|
| A. Teijler van Hall |
27 februari |
ontslagen 9 maart |
| D. Westrik |
27 februari |
ontslagen 9 maart |
LIJST VAN DE LEDEN VAN HET COMITÉ VAN EXAMINATIE VAN REKESTEN
| C.F. Bakker |
30 maart |
| J. Bodel |
15 juni |
| D. Boellaard |
10 april |
| A.H. Brouwer |
17 maart |
| J. Claessen |
27 april |
| C. van der Cocq |
27 april |
| A.J. van Doorn |
17 maart |
| J. Drooglever Gz. |
17 maart |
| A. van der Dussen |
10 april |
| N. van Foreest |
29 maart |
| J. Glasekas |
6 mei |
| J. Goudriaan |
6 mei |
| A. Harteveld |
17 maart |
| J. Laarman |
6 mei |
| G.H. van Loon |
17 maart |
| P.G. Mess |
16 juni |
| M. van Orden |
28 maart |
| S.J. Quast |
15 april |
| H. van der Souw |
15 april |
| J.H. Spruit |
17 maart |
| D.C. van Voorst |
28 maart |
LIJST VAN DE GEDEPUTEERDEN TER GENERALITEIT NAMENS HOLLAND
| P. Bosveld |
9 november |
|
| P. Corver |
6 mei |
|
| O. Gevaers van Geervliet |
6 mei |
ontslagen 7 september |
| J.G.H. Hahn |
27 januari |
ontslagen 8 juni |
| D.J. van Hogendorp |
6 mei |
ontslagen 6 juli |
| P.L. van de Kasteele |
10 november |
extraordinaris |
| L.F. de Kempenaar |
9 maart |
|
| W.A. Lestevenon |
27 januari |
|
| F. van Leyden |
8 maart |
extraordinaris |
|
9 november |
ordinaris |
| G.J. Loncq |
27 januari |
|
| J.A. Menger |
9 maart |
ontslagen 6 mei |
| G. van Olivier |
6 juli |
ontslagen als ordinaris |
|
9 november |
extraordinaris |
| P. Paulus |
14 februari |
|
| J.H. van Swinden |
9 maart |
|
| J. de Witt |
7 augustus |
extraordinaris |
LIJST VAN DE LEDEN VAN DE RAAD VAN STATE NAMENS HOLLAND
| F. Kumsius |
28 januari |
| F. van Leyden |
28 januari |
| A.J. Menger |
28 januari |
Deze Raad werd 11 maart 1795 opgeheven.
LIJST VAN DE LEDEN VAN DE GENERALITEITSREKENKAMER NAMENS HOLLAND
| C. Boterkooper |
28 januari |
gecontinueerd 9 maart |
| J. Teengs |
28 januari |
gecontinueerd 9 maart |
De leden hebben hun posten neergelegd op 2 maart 1796.
Geschiedenis van het archiefbeheer
De verwerving van het archief
De rechtstitel is (nog) onbekend.
Inhoud en structuur van het archief
Selectie en vernietiging
Het archief van het Comité van de Hoge, Middelbare en Lage Heerlijkheden is vermoedelijk verloren gegaan.
Samen met een deel van de bescheiden van het Comité te Lande is het archief van het Comité van Vivres verloren gegaan.
Aanwijzingen voor de gebruiker
Openbaarheidsbeperkingen
Volledig openbaar.
Beperkingen aan het gebruik
Reproductie van originele bescheiden uit dit archief is, behoudens de algemene regels die gelden voor het kopiëren van stukken, niet aan beperkingen onderhevig. Er zijn geen beperkingen krachtens het auteursrecht.
Materiële beperkingen
Het archief kent geen beperkingen voor het raadplegen van stukken als gevolg van slechte materiële staat.
Aanvraaginstructie
Openbare archiefstukken kunnen online worden aangevraagd en gereserveerd. U kunt dit ook via de terminals in de studiezaal van het Nationaal Archief doen. Om te kunnen reserveren dient u de volgende stappen te volgen:
- Creëer een account of log in.
- Selecteer in de archiefinventaris een archiefstuk.
- Klik op ‘Reserveer’ en kies een tijdstip van inzage.
Citeerinstructie
Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste éénmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld. Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.
VOLLEDIG:
Nationaal Archief, Den Haag, Provisionele Representanten, nummer toegang 3.02.01, inventarisnummer ...
VERKORT:
NL-HaNA, Provisionele Representanten, 3.02.01, inv.nr. ...
Verwant materiaal
Inventarisnummers van dit archief zijn niet in kopievorm beschikbaar
2.01.14.01 - Inventaris van de archieven van het Ministerie van Oorlog en van enige zelfstandige organen van dat Ministerie, 1793-1813: Comité tot de Algemene Zaken van het Bondgenootschap te Lande, 1795-1798
3.01.28 - Archief der Rekenkamer ter Auditie van de Gemeene-landsrekeningen en de opvolgende Colleges met de daaronder berustende Rekeningen, (1572) 1805
3.02.33 - Archieven van twee Hollandse Staatscommissies tot de Zaken van de Oost-Indische Compagnie, 1790-1796
3.11.03 - Archieven van de Colleges van de Grote Visserij, 1578-1857 (1859)
2.21.006.51 - Jhr. J. Goldberg [levensjaren 1763-1828], (1482) 1795-1827
1.10.110 - Inventaris van de archieven van de overige gezanten en Legatiearchieven: diversen, 17e en 18e eeuw
Bijlagen