Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koningin werden door de provinciale ambtenaren in hun taken bijgestaan. In de periode 1946 - 1975 waren deze verdeeld over drie diensten: de Griffie, Provinciale Waterstaat en de Provinciale Planologische Dienst. Provinciale Waterstaat hield zich vooral bezig met de advisering over en de uitvoering van zaken betreffende wegen, fietspaden, bruggen, waterwegen, sluizen en veren.
Daarnaast was de dienst ook bij andere onderwerpen betrokken, zoals recreatie en milieu.
J.L. van der Gouw (red.), Honderd jaar Provinciale Waterstaat in Zuid-Holland. Enige opstellen over de geschiedenis ( 's-Gravenhage 1975).
Het werkterrein van de Provinciale Planologische Dienst bestreek de ruimtelijke ordening binnen de provincie.
De Griffie was het ambtelijk apparaat van Gedeputeerde Staten met aan het hoofd de griffier. De schriftelijke neerslag van de besluitvorming van dit bestuursorgaan werd in het Griffie-archief bewaard. De Griffie bestond in de periode van deze inventaris uit vijf en vanaf 1947 uit zes afdelingen
Het eerste en het tweede bureau van de Vierde afdeling gingen over naar de Eerste en de Tweede afdeling.
met daaronder een toenemend aantal ressorterende bureaus, die ieder een bepaald taakveld voor hun rekening namen. Tussentijds wisselden taken soms van afdeling. De personeelsbezetting van dit dienstonderdeel groeide navenant met de toename van de werkzaamheden.
Op 1 januari 1948 telde de Griffie 238 personeelsleden, terwijl dit er op 1 januari 1971 397 waren. Zie: Verslag over het jaar 1947. Gedaan door de Gedeputeerde Staten aan de Staten der Provincie Zuid-Holland (Den Haag 1948) 11-16. Ibidem 1970 (Den Haag 1971) 76.
Taken
De taken van de provinciale Griffie waren uiteraard niet los te zien van die van het provinciaal bestuur. Deze waren voornamelijk omschreven in de Provinciewet en lieten zich in de praktijk het best omschrijven als 'het voeren van de huishouding van de provincie'. Het provinciale bestuur mocht echter zelf bepalen, wat het tot de huishouding van de provincie wilde rekenen en wat niet.
Dit betekende, dat de taken per provincie enigszins verschillend lagen. Binnen deze grenzen kan gesteld worden, dat deze op het terrein van algemeen bestuur lagen, alsook op dat van openbare orde en veiligheid, ruimtelijke ordening, milieu, verkeer en vervoer, waterstaat, volksgezondheid, maatschappelijke zorg, onderwijs en cultuur, economische zaken en arbeid en natuurbeheer. Niet in de laatste plaats had het provinciaal bestuur een toezichthoudende taak op de lagere overheden. Vergelijk van de organisatieschema's van de Provinciale Griffie in de Provinciale Almanak maakt goed inzichtelijk hoe de taken in de loop van de tijd verschoven, terwijl er ook geheel nieuwe bijkwamen, zoals op het gebied van educatie, ouderenbeleid, bodembeheer en afvalstoffen.
De provincie had dus bemoeienis met tal van zaken. In de periode 1946 - 1975 eiste echter een aantal specifieke onderwerpen in Zuid-Holland bijzondere provinciale aandacht. Voor de eigen organisatie betrof dit de bouw van een nieuw Provinciehuis. Het voorgebouw van het pand aan de Korte Voorhout 9, dat sinds 1823 als zodanig was gebruikt, was evenals de later aangekochte panden 5 en 7 namelijk als gevolg van een per vergissing door de Engelsen op 3 maart 1945 op het Bezuidenhout uitgevoerde bombardement geheel verloren gegaan. Dit bombardement was bedoeld om de door de Duitsers in het Haagse Bos opgerichte V-2 installaties uit te schakelen. De in de jaren dertig achter Korte Voorhout 9 gebouwde nieuwe vleugel, waarin het archief onder meer werd bewaard, was echter gespaard en werd nog tot 1964 gebruikt.
Dit was samen met de panden Schouwburgstraat 9 en 11 al aan het Rijk verkocht, maar mocht nog worden gebruikt. Zie: Verslag over het jaar 1962. Gedaan door de Gedeputeerde Staten aan de Staten der Provincie Zuid-Holland (Den Haag 1963) 80.
Hoewel de provincie al in 1948 bij Koninklijk Besluit van 15 december no. XVII toestemming had gekregen voor de aankoop van een terrein voor de bouw van een nieuw Provinciehuis en een ambtswoning voor de Commissaris van de Koningin, duurde het tot 1958 voordat op het terrein van de voormalige Dierentuin een begin werd gemaakt met de bouw van een Provinciehuis.
Verslag over het jaar 1948. Gedaan door de Gedeputeerde Staten aan de Staten der Provincie Zuid-Holland (Den Haag 1949) 54-55. Ibidem 1957 (Den Haag 1958) 61.
Op 21 mei 1964 werd het werkgedeelte van dit gebouw officieel in gebruik genomen.
Ibidem 1964 (Den Haag 1965) 75-76.
Een ander geheel onvoorziene taak waarmee de provincie Zuid-Holland veel bemoeienis had, was de Watersnoodramp van 1953, die naast Zeeland deze provincie ook zwaar trof.
Andere belangrijke zaken uit deze tijd waren de snelle uitbreiding van het wegennet, de problematiek rond de ruimtelijke ordening en milieu en de opbouw van de verzorgingsstaat. Bovendien ontstond in de jaren zeventig door de behoefte aan inspraak van de bevolking een meer openbare procedure door het ter visie leggen van plannen en het houden van hoorzittingen.
J.L. van Zanden, 'Verkeer en vervoer', Brokken (ed), 150 jaar Noord-Holland en Zuid-Holland, 99-120, 114. Zie ook: `Vijf en twintig jaar tertiair wegenplan in de provincie Zuid-Holland', in: Verslag over het jaar 1962. Gedaan door de Gedeputeerde Staten aan de Staten der Provincie Zuid-Holland ( 's-Gravenhage 1963) 13-43.