3.03.64 Inventaris van het archief van het Kantongerecht te Schiedam, 1839-1979 (1984)

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

ORGANISATIE VAN DE RECHTERLIJKE MACHT

In 1827 kwam de "Wet op de samenstelling der regtelijke magt en het beleid der justitie voor het koningrijk der Nederlanden" (Staatsblad (Stb.) 20) tot stand. Deze wet (afgekort: wet R.O.) werd de grondslag van de nieuwe rechterlijke organisatie. De (nu nog geldende) wet R.O. bepaalt in hoofdzaak welke soorten rechterlijke instellingen er zijn en in welke zaken deze bevoegd zijn. In vele andere wetten staan bepalingen die bepaalde rechterlijke instanties in zekere zaken bevoegd verklaren. Bij de wet R.O. behoorden vier "reglementen van openbaar bestuur", regelende de eedsaflegging en de inwendige dienst, de titulatuur en het ambtskostuum, de orde en discipline voor de advocaten en procureurs en de organisatie van de deurwaarders en andere rechtsbedienden.
De Belgische opstand maakte het onmogelijk om de nieuwe rechterlijke organisatie en de wetboeken op 1 februari 1831 in te voeren.
De wet R.O. onderging vervolgens wijzigingen bij wet van 28 april 1835, Stb. 10. Uiteindelijk traden de gewijzigde wet R.O. en de wetboeken in werking op 1 oktober 1838 (ingevolge het Koninklijk Besluit (KB) van 10 april 1838 en het KB van 19 mei 1838). Het Hoog Nationaal Geregtshof werd vervangen door de Hoge Raad der Nederlanden en de provinciale gerechtshoven kwamen in plaats van de hoven van assisen. De negen provinciale gerechtshoven waren gevestigd in Groningen, Leeuwarden, Assen, Zwolle, Arnhem, Utrecht, Den Haag, Middelburg en Den Bosch. Naast de gerechtshoven werd in Amsterdam een criminele rechtbank voor het noordelijk deel van Noord-Holland ingesteld. De arrondissementsrechtbanken vervingen de rechtbanken van eerste aanleg en de rechtbanken van koophandel. De kantongerechten kwamen in plaats van de vredegerechten en rechtbanken van enkele politie.
In 1841 werden nog twee gerechtshoven, in Maastricht en in Amsterdam, en een aantal arrondissementsrechtbanken ingesteld. Met de instelling van de arrondissementsrechtbank in Amsterdam werd de criminele rechtbank opgeheven.
Met de "Wet tot opheffing van Provinciale Geregtshoven en Instelling van nieuwe Gerechtshoven" van 10 november 1875, Stb. 204, werden de provinciale gerechtshoven opgeheven en werden vijf regionale gerechtshoven ingesteld. De nieuwe gerechtshoven waren gevestigd in Amsterdam, Arnhem, Den Bosch, Den Haag en Leeuwarden. Bij de wetten van 9 april 1877, Stb. 74-78, werden de rechtsgebieden van de nieuwe gerechtshoven nader bepaald. Een groot aantal rechtbanken en kantongerechten werd opgeheven. De rechterlijke organisatie telde nog 5 gerechtshoven, 23 rechtbanken en 106 kantongerechten. In de volgende jaren werd het aantal arrondissementsrechtbanken en kantongerechten nog aanzienlijk verminderd.
De vijf wetten uit 1877, Stb. 74-78, werden op 17 november 1933 ingetrokken bij vijf nieuwe wetten, Stb. 601-605. Deze wetten traden in werking op 1 januari 1934, Stb. 623, en stelden de rechtsgebieden van de gerechtshoven en de zetels van de arrondissementsrechtbanken en kantongerechten vast.
Het merendeel van de strafzaken en burgerlijke zaken valt onder de bevoegdheid van de arrondissementsrechtbanken. Bij de strafzaken onderscheidt men overtredingen en misdrijven. De berechting van overtredingen, met uitzondering van de overtredingen van bedelarij en landloperij, en het misdrijf stroperij is opgedragen aan de kantongerechten. De berechting van de misdrijven met uitzondering van stroperij, en van de overtredingen bedelarij en landloperij behoort tot de competentie van de arrondissementsrechtbanken. De rechtbanken vonnissen in hoger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen in strafzaken van de kantonrechter. Daarnaast nemen de rechtbanken in eerste en tevens hoogste ressort kennis van alle jurisdictiegeschillen tussen de kantongerechten binnen haar arrondissement.
In de rechtspraak wordt onderscheid gemaakt tussen absolute en relatieve competentie.
Absolute competentie geeft antwoord op de vraag welke rechter bevoegd is (hoofdregel: de arrondissementsrechtbank; in uitzonderingsgevallen: de kantonrechter). De relatieve competentie geeft antwoord op de vraag welke bepaalde rechter van die soort bevoegd is (hoofdregel: de rechtbank of de kantonrechter van de woonplaats van de gedaagde).
Bij absolute competentie wordt onderscheid gemaakt tussen strafzaken en burgerlijke zaken. In strafzaken is de kantonrechter bevoegd alle overtredingen, met uitzondering van de overtredingen bedelarij en landloperij, en het misdrijf stroperij te berechten. In burgerlijke zaken is de competentie van de kantonrechter een uitzonderingsbevoegdheid. De gewone rechter in eerste aanleg is de arrondissementsrechtbank. Tenslotte behandelt de kantonrechter ook verschillende buitengerechtelijke zaken.
Ook bij relatieve competentie wordt onderscheid gemaakt tussen strafzaken en burgerlijke zaken.
In het burgerlijk procesrecht kent men twee procestypen: het proces, dat met een dagvaarding begint en het proces, dat met een verzoekschrift begint. De dagvaarding is een document waarmee de partij, die een uitspraak van de rechter wenst, zich door bemiddeling van de deurwaarder tot de tegenpartij wendt. Het verzoekschrift is een document, waarmee een partij zich rechtstreeks tot de rechter wendt.
Een groot deel van de door de kantongerechten behandelde burgerlijke zaken bestaat uit arbeids- en huurkoopzaken alsmede pachtzaken. Bij wet van 13 juli 1907, Stb. 193, werden de artikelen 125 a-f ingevoegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Betreffende artikelen golden aanvankelijk alleen voor arbeidszaken en gaven de procedureregels in de volgende zaken:
  • een arbeidsovereenkomst
  • een agentuurovereenkomst
  • een collectieve overeenkomst
  • algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een CAO
  • aanneming van werk
De kantonrechter was bij uitsluiting bevoegd in bovengenoemde zaken, ongeacht de som van de vordering. Hoger beroep was mogelijk als de vordering meer dan f 2.500,- bedroeg. Bij wet van 23 april 1936, Stb. 202, werden de artikelen 125 g-j aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsverordening toegevoegd. Deze artikelen regelden de procedure inzake huurkoopzaken.
De Crisispachtwet van 17 juni 1932, Stb. 301, omschreef begrippen als "pachter", "pachtovereenkomst" en "pachtprijs". Volgens de Crisispachtwet kon de pachter een verzoek doen tot ontheffing van de verplichting tot betaling van de pachtprijs. De verzoeken tot ontheffing werden behandeld door de kamers voor crisispachtzaken. Deze kamers bestonden uit de kantonrechter als voorzitter en twee leden, die niet tot de rechterlijke macht behoorden.
De Pachtwet van 31 mei 1937, Stb. 205, regelde onder meer:
  • de pachtovereenkomst moest "op straffe van nietigheid" schriftelijk worden aangegaan;
  • de pachtrechters, bij de kantongerechten en het Gerechtshof te Arnhem, moesten de verplichtingen van de pachter toetsen;
  • een tussentijdse wijziging van de bepalingen in de pachtovereenkomst werd mogelijk;
  • pachtovereenkomsten golden voor onbepaalde tijd, slechts bij uitzondering was een termijn van 1 tot 3 jaar mogelijk.
De pachtkamer bestond uit een voorzitter, de kantonrechter en twee deskundigen ten aanzien van de verhoudingen op het pachtgebied. Deze deskundigen behoorden niet tot de rechterlijke macht.
Door de Pachtwet 1937 werden zogenaamde pachtbureaus ingesteld. Deze waren bevoegd beslissingen te nemen over de duur van pachtovereenkomsten. De beslissingen hadden dezelfde rechtskracht als die van de pachtkamers.
De crisispachtwet 1932 en de Pachtwet 1937 werden met ingang van 25 november 1941 buiten werking gesteld en vervangen door het Pachtbesluit.
Het Pachtbesluit kende een aantal nieuwe regelingen:
  • men kon schriftelijke vastlegging van een mondeling aangegane pachtovereenkomst vragen bij de grondkamers;
  • de toetsing van de pachtovereenkomsten werd voortaan door de grondkamers verricht;
  • de pachtovereenkomst moest worden aangegaan voor bepaalde tijd, namelijk twaalf jaar voor een hoeve en zes jaar voor "los land";
  • naast de grondkamers bleven de pachtkamers bij de kantongerechten en bij het Gerechtshof Arnhem bestaan.
Voor uitgebreide informatie over de organisatie van de rechterlijke macht in Nederland, de procedures bij rechtszaken alsmede taak, samenstelling en werkwijze van de rechtbanken en kantongerechten wordt verwezen naar het "Werkboek rechterlijke archieven 1838-1940" onder redactie van R. Huijbrecht en "Berecht en gestraft: een geschiedenis van de rechterlijke organisatie en de strafinstellingen, 1811-1993" van G. Beks en H.J.Ph.G. Kaajan.

GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEFVORMEND ORGAAN

Het gebied en de indeling van het arrondissement van het kanton Schiedam is tussen 1838 en 1979 een paar maal gewijzigd, maar bleef hoofdzakelijk toch hetzelfde gebied omvatten.
In 1856 was het Kantongerecht van Schiedam op grond van een veertig jaar oude regeling in het bezit van meubilair van de gemeente. Het kantongerecht was toen evenals het Huis van Bewaring in het raadhuis gehuisvest. Omdat het gemeentebestuur krachtens de nieuwe Gemeentewet van 1851 zich niet langer verplicht voelde om het gebruik van dit meubilair te bestendigen, vorderde ze dit toen terug. Een eis, die de minister van Justitie afwees, maar waarmee Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland instemden. Desondanks was de gemeente bereid om de bestaande toestand te laten voortduren.
Toen er in 1860 plannen waren voor de bouw van een nieuw Huis van Bewaring werd al in een vroeg stadium besloten daarin ook lokalen van het kantongerecht onder te brengen. Dit gebouw werd gerealiseerd op de hoek van de Willemsstraat (Schoolstraat) met het nieuw geprojecteerde plein. Het kantongerecht was boven de in het voorgebouw gevestigde cipierswoning gelegen. De bouwkosten werden hoofdelijk omgeslagen over het Rijk en de gemeenten van de kantons Schiedam en Vlaardingen.
In 1873 werden er de nodige herstelwerkzaamheden aan het pand verricht. Dit voorzag echter niet in het opheffen van het ruimtegebrek, waarmee de ambtenaar van het Openbaar Ministerie al enige tijd kampte. Omdat op te lossen werd er voor hem in 1879 met ingang van 1880 bij kleermaker L. Willebrand een bovenhuis gehuurd, dat met meubels van het Kantongerecht Brielle werd aangekleed.
In 1894 werd het kantongerechtsgebouw uitgebreid met een vertrek voor getuigen en een ruimte voor het bewaren overtuigingsstukken. Bij die gelegenheid werd opnieuw niet het ruimteprobleem van de voornoemde ambtenaar van het OM meegenomen. Dit deed zich wederom voor, omdat Schiedam weer standplaats voor de Kantongerechten Schiedam, Brielle en Vlaardingen was, nadat Brielle dit enkele jaren was geweest.
In 1902 onderhandelde het Rijk met het gemeentebestuur, die eigenaar was van het Huis van Bewaring annex kantongerecht over de verkoop van dit pand. Omdat de toenmalige kantonrechter behoefte had aan een beter en op een geschikter plaatst gelegen gebouw werd dit in 1907 geruild tegen het in 1790 door de koopman C. Nolet in de Louis XVI-stijl gebouwde herenhuis aan de Lange Haven no. 65. Het kon na een verbouwing op 11 maart 1908 in gebruik worden genomen en doet momenteel nog steeds als zodanig dienst.
In 1915 verzocht het Ministerie van Financiƫn of het ontvangkantoor der registratie en domeinen te Schiedam in het kantongerechtsgebouw enige, ongebruikte lokaliteiten kon huren. Om praktische redenen werd hierin niet toegestemd. Een tijdelijk huisvesting vanwege het opzeggen van de huur aan voornoemde ontvanger in 1918, waarvoor al kosten waren gemaakt, ging op het laatst ook niet door. Na een verbouwing werd vijf jaar later wel het archief van de ontvanger de registratie en domeinen in het kantongerecht geborgen.
Eind 1940 verleende het Ministerie van Financiƫn een krediet aan het hoofd van de Rijksgebouwendienst voor de aanleg van een griffierkamer. Drie jaar daarna werd er in het souterrain van het kantongerecht in verband met luchtaanvallen een schuilkelder gebouwd
Kort overzicht van de Geschiedenis der Gebouwen bij het Departement van Justitie in gebruik, met vermelding van de nummers der dossiers waarin de stukken zijn opgenomen (uitgave Departement van Justitie, Archief, 's-Gravenhage, 1912), pp. 101-102. Uitgebreider beschreven en voor de latere periode aangevuld met gegevens uit: Nationaal Archief, Archief Ministerie van Justitie, Gebouwen, dossier 105.
.
Lijst van gemeenten, behorende tot het rechtsgebied van het kanton Schiedam
    1842
  • Schiedam
  • Kethel en Spaland
  • Oud- en Nieuw Mathenes
  • Nieuwland
  • Korteland
  • 's-Graveland
  • Delfshaven met Schoonderloo
    1877
  • Schiedam
  • Overschie
  • kethel en Spaland
  • Vlaardingerambacht
  • Maasland
  • 's-Gravenzande
  • Maassluis
    1933
  • Schiedam
  • Overschie
  • Kethel
  • Vlaardingerambacht
  • Maasland
  • Maassluis
  • Vlaardingen
    1951
  • Schiedam
  • Maasland
  • Maassluis
  • Vlaardingen
(Zie: Werkboek Huijbrecht, p. 122, 145, 173 en de Wet van 10 augustus 1951 (Stb. 347)).

Geschiedenis van het archiefbeheer

Het archief van het Kantongerecht Schiedam van 1838-1939 is in de periode van 1977 tot en met 1991 in verschillende blokken aan het Algemeen Rijksarchief (thans: Nationaal Archief) c.q. het Rijksarchief in Zuid-Holland overgedragen. Dit gebeurde voor het eerst in 1977 toen het archief over de periode van 1838-1877 (1884) werd overgedragen. In 1979 volgde het blok over de periode 1877-1920, terwijl in 1984 een supplement op dit blok binnenkwam, dat tot 1925 doorliep en het tienjarenblok van 1920-1929. In 1991 werd naarst een aanvulling van journalen van visserschepen uit Maassluis, Vaardingen en Scheveningen uit de periode 1916-1926 het archief van het kantongerecht over de periode 1930-1939 overgedragen
Zie voor de verklaringen van overbrenging d.d. 17 januari 1977; 12 maart 1979; 27 februari 1984 en 13 november 1991: Verwervingsdossier 22 van de 3e Afdeling van het Algemeen Rijksarchief, later het Rijksarchief in Zuid-Holland geheten.
.
In 2001 bood het Kantongerecht Schiedam in het kader van de Archiefwet 1995 het archief over de periode 1940-1979 bij de CAS ter bewerking aan.
De bewerking van dit archief was het gevolg van de Archiefwet van 1995 waarbij de overbrengingstermijn werd teruggebracht van 50 naar 20 jaar.
Het archief is na bewerking, met uitzondering van het te vernietigen bestand, verzonden naar het Nationaal Archief.