3.18.25 Inventaris van het archief van het klooster Sint Ursula te Schiedam

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Van een klooster van St. Ursula te Schiedam kan men eigenlijk pas spreken sinds het jaar 1439 (reg.no. 28). Aan wie het huis, genoemd in het charter d.d. 17 Sept. 1405 (reg. no. 2) was gewijd, blijkt niet, terwijl in een charter d.d. 1424 (reg.no. 4) dit klooster zelfs het St. Katrinenhuis genoemd wordt. Ook in de andere stukken vóór het jaar 1439 wordt St. Ursula óf in het geheel niet genoemd óf te zamen met vele andere heiligen als schutspatronen en -patronessen van het klooster. Dat de zusters tot de derde orde van St. Franciscus, de Tertiarissen, behoorden, wordt in de charters wél vermeld, behalve in het reeds genoemde d.d. 1405. In dit laatste echter wordt wel verwezen naar zusterhuizen van deze orde in Delft en Rotterdam, zoodat we aannemen mogen, dat de vrouwen, die omstreeks het Jaar 1405 begonnen samen te wonen, reeds toen tot dezelfde orde behoorden. Het verband tusschen de stukken van vóór en na 1439 is verder ook zoo duidelijk, dat ze zeker afkomstig moeten zijn uit eenzelfde kloosterarchief.
Het oorspronkelijk zusterhuis stond ten Oosten van de kerk te Schiedam (reg.no. 2) en werd eerst in het jaar 1425 tot klooster verheven (reg.no. 6). Reeds op het eind van 1428 of begin van 1429 blijkt het huis door een hevige brand verwoest te zijn, waarna de bewoonsters vergunning kregen een nieuw huis te laten bouwen in de parochie de Ketel binnen Schiedam (reg.no. 8 tot 13). De plaats van dit nieuwe gebouw wordt eenigszins aangeduid doordat in stukken d.d. 1433, 1545 en 1556 sprake is van het St. Ursula convent Overdam. Uit verschillende koopbrieven en uit het als inv.no. 28 beschreven register van landerijen van het klooster blijkt verder, dat dit gelegen heeft aan de Noordzijde van den Dam en zich ten Oosten heeft uitgestrekt langs de Breestraat tot de Raambrug. In het eerder genoemde charter d.d. 1405 (reg.no. 2) bepaalde de magistraat der stad Schiedam, dat de zusters jaarlijks twee burgers zouden kiezen als haar raadslieden, die daarna van stadswege als zoodanig aangesteld werden. Deze worden "opzieners en buitenvaders" genoemd (zie reg.no. 189 in dorso). Het klooster genoot sinds het jaar 1405 vrijstelling van stedelijke accijns. Door schenkingen, uiterste wilsbeschikkingen en aankoop werd het grondbezit vrij aanzienlijk. Het feit, dat het opnemen van arme maagden meer dan eens als voorwaarde in uiterste wilsbeschikkingen ten behoeve van het klooster voorkomt, maakt het waarschijnlijk, dat geheel onvermogende zusters tot de uitzonderingen behoord hebben.
Wat betreft het recht van exemtie blijkt het volgende: Bij een bul d.d. 18 Januari 1401 heeft paus Bonifacius IX aan het kapittel der Tertiarissen te Utrecht toegestaan, dat de daartoe behoorende kloosters slechts geestelijken van hun eigen orde, als visitatoren behoefden te aanvaarden.
P. Dalm. van Heel in Bijdr. Bisd. Haarlem, deel 56, p. 438.
Blijkens een in het archief van het klooster van St. Agatha te Delft berustend charter d.d. 26 April 1468 stelde de bisschop van Utrecht echter in dat jaar de prioren der Regulieren in Eemsteyn bij Dordrecht, die te Leiderdorp en Rugge bij Brielle verkiesbaar als visitatoren, zoowel van het klooster van St. Agatha te Delft als van St. Ursula te Schiedam.
Dr. S.W.A. Drossaers in Inv. der Delftsche Statenkloosters pag. 194, reg.no. 306.
Hierop hebben deze beide kloosters op hun verzoek van paus Paulus II bij een bul d.d. 5 November 1468 het recht van exemtie verkregen,
P. Dalm. van Heel in Archief van het Aartsbisdom Utrecht 1939 deel 63, pag. 40-41 en in Bijdr. Bisd. Haarlem, deel 56, pag. 438 ev.
welk recht evenwel door paus Sixtus IV op 8 Juni weer werd herroepen.
als boven pag. 202, reg.no. 343.
In het archief van het St. Ursula klooster is nog een charter d.d. 12 April 1521 (reg.no. 149) aanwezig, waarbij het klooster ook uit naam van eenige kloosters te Delft en Den Haag, waaronder er ook waren die tot het kapittel van Syon te Delft behoorden, protesteerde bij den paus tegen een visitatie door den bisschop van Utrecht.
Omtrent den ondergang van het St. Ursula klooster worden noch in het archief, noch bij de schrijvers bijzonderheden aangetroffen. Het register van landerijen (inv.no. 28) is bijgewerkt tot het jaar 1572. In de maand Juni van dat jaar sloot Schiedam zich bij den opstand tegen Spanje aan, welk feit voor het lot der kloosters in de stad beslissend was.
Een lijst van paters en maters van het klooster is o.a. in het jaar 1939 afgedrukt in het archief van het Aartsbisdom Utrecht.
P. Dalm van Heel in Arch. Aartsb. Utrecht 1939, deel 63, pag. 201.
In de tweede helft der 15e eeuw worden als maters vermeld Maria en Katharina, beiden dochters van Jacob Offhuys, schepen van Delft, (zie inv.no. 131-133). Het klooster erfde vele goederen van dit geslacht.

Geschiedenis van het archiefbeheer

De verwerving van het archief

De rechtstitel is (nog) onbekend.