Geschiedenis van de kerk
Al sinds het begin van de veertiende eeuw stond er in Noordwijkerhout een kerkgebouw. Deze kerk (het huidige Witte Kerkje) was gewijd aan de H.H. Petrus en Paulus. Ten tijde van de Reformatie ging deze kerk over in protestantse handen en werd het katholieken verboden hun godsdienst in het openbaar te belijden. Dit betekende dat zij aanvankelijk in het geheim moesten samenkomen en voor hun zielzorg aangewezen waren op rondtrekkende paters. Dit veranderde toen Noordwijk in 1633 weer een vaste pastoor kreeg die ook de katholieken in Noordwijkerhout bediende. In 1690 kreeg ook Noordwijkerhout een eigen pastoor. Toen men enige tijd later kon beschikken over een eigen kerkgebouw (op de plaats van de huidige parochiekerk) werd deze als logisch gevolg van de oude situatie toegewijd aan de H.H. Petrus en Paulus.
Hoewel vrijheid van openbare eredienst tijdens de Republiek voor katholieken verboden was knepen de autoriteiten een oogje dicht, mits aan een aantal belastingplichten werd voldaan. Het was echter voor katholieke parochies niet mogelijk als rechtspersoon op te treden. Dit betekende dat zij constructies zochten om het eigendom van kerkgebouw en andere goederen te regelen. In Noordwijkerhout trad de pastoor meerdere malen op als eigenaar van kerkgoederen. Bij zijn vertrek uit de parochie werd dan voor schout en schepenen een akte opgesteld waarin hij dit bezit overdroeg aan zijn opvolger.
Als gevolg van de Franse Revolutie waarin vrijheid, gelijkheid en broederschap de sleutelwoorden waren, kwam na 1795 vrijheid van godsdienst in ons land. Katholieke kerken werden hierdoor als rechtspersoon erkend en binnen de parochie konden kerkmeesters het materiële beheer over de kerkgoederen van de pastoor overnemen. Tot 1853 was de organisatie binnen de katholieke kerk in Nederland echter anders dan nu. Na de Reformatie waren de bisdommen opgeheven en werd katholiek Nederland door Rome beschouwd als een missiegebied dat eerst door een apostolisch vicaris en later door een pauselijke nuntius vanuit Brussel werd bestuurd. Deze werd ter zijde gestaan door een aantal aartspriesters. In 1853 werd door Paus Pius IX in Nederland de kerkelijke hiërarchie hersteld en er ontstonden vijf bisdommen. Noordwijkerhout viel onder het bisdom Haarlem. Na de oprichting van het bisdom Rotterdam in 1956, zou Noordwijkerhout tot dit nieuwe bisdom gaan behoren.
Kort voor 1853 hadden zich voor de katholieken in Noordwijkerhout al grote veranderingen voltrokken. Hun kerkje, dat in zeer slechte staat verkeerde, was in 1850 afgebroken en vervangen door een grotere kerk die berekend was op het groeiend aantal parochianen. Onder leiding van pastoor De Poorter kwam deze nieuwbouw tot stand. Een ingrijpende verbouwing van kerk en pastorie vond plaats in 1897. Hierbij werd de kerk vergroot met een transept en werd de kerk bovendien 24 meter verlengd; het aantal zitplaatsen kon nu uitgebreid worden van ca. 300 naar 700.
In de jaren 1936-1942 vond, op initiatief van pastoor Westerwoudt, wederom nieuwbouw plaats. Deze pastoor bewerkstelligde de bouw van de kerktoren en de huidige kosterswoning. Ook de pastorie werd in deze periode grondig verbouwd. De laatste grote verbouwing van de kerk vond plaats in 1969 waarbij het interieur geheel gemoderniseerd werd.
De parochie had inmiddels ook een rooms-katholieke school, klooster en internaat binnen haar grenzen zien verrijzen. Vanaf 1859 nodigde pastoor De Poorter diverse congregaties uit om in de tuin van de pastorie een meisjesschool te stichten. De Congregatie van de Arme Zusters van het Goddelijk Kind te Amsterdam reageerden positief op deze uitnodiging. In 1864 arriveerden zij in Noordwijkerhout waar zij een gebouwencomplex oprichtten dat 'de Voorzienigheid' werd gedoopt. Vanaf 1902 werd hier ook aan jongens lesgegeven. Het beheer van de Voorzienigheid werd gevoerd door de St. Hieronymus-Aemilianusstichting te Amsterdam. In de jaren zeventig werden de schoolgebouwen aan een bouwmaatschappij verkocht.
Net als in vele andere parochies groeide de behoefte aan een eigen ontmoetingsruimte waar parochiële verenigingen hun bijeenkomsten konden organiseren. In 1923 werd daarom het 'Patronaat' gebouwd, welke in 1982 opgevolgd werd door het 'Victorhuis'. De Stichting Jeugdcommissie die het beheer voerde over het oude Patronaat en over het eigen jeugdhuis 'Zonnig Spoor', droeg haar taak daarbij over aan de Stichting Victorhuis.
Vrijwel gelijk met het 'Victorhuis' ontwikkelden zich de plannen voor de bouw van een mortuarium nabij de kerk. Na realisatie van deze plannen in 1984 werd een aparte stichting belast met het beheer.
Naam van de kerk
De parochiekerk van Noordwijkerhout was, zoals hierboven vermeld, aanvankelijk toegewijd aan de H.H. Petrus en Paulus. De vraag naar de reden van de wisseling van patroonheiligen -van H.H. Petrus en Paulus naar St. Victor- is tot op heden nog niet beantwoord. Wel zijn er aanwijzingen dat dat St. Victor al sinds de middeleeuwen in onze directe omgeving werd vereerd.
In de abdij Leeuwenhorst, het cisterciënzerklooster op de grens tussen Noordwijk en Noordwijkerhout, kende men zijn heiligendag. Dit houdt waarschijnlijk verband met de contacten die door dit klooster werden onderhouden met een klooster in de buurt van Xanten. Bovendien bevond zich in Noordwijk een brug, op de hoek van de huidige Wilhelminastraat en Molenstraat, die tot in de zeventiende eeuw St. Victorsbrug genoemd werd. Bij deze brug begon de jaarlijkse processie ter gelegenheid van de patroonsdag van St. Jeroen. Interessant is het feit dat toen de abdij Leeuwenhorst in 1574 werd afgebroken, de korenmolen van de abdij werd gespaard. Hij werd naar Noordwijk gebracht en herbouwd vlak bij de St. Victorsbrug. Deze brug werd later dan ook Molenbrug genoemd.
De oudste vermelding van de naam St. Victor in verband met de parochiekerk van Noordwijkerhout is gevonden in een rekening uit 1815 (inv. nr. 277), waarin gesproken wordt van 'de statie Victor'. Blijkbaar werd de kerk in de volksmond zo genoemd. Officieel waren de H.H. Petrus en Paulus echter nog steeds de patroonheiligen. Toen in 1852 de nieuwe kerk gereed kwam werd deze toegewijd aan de H.H. Petrus en Paulus én aan St. Victor. Na de vergroting van de kerk in 1899 werd het hoofdaltaar alleen aan St. Victor toegewijd. De twee oude patroonheiligen kwamen hierna niet meer voor.