3.19.15 Inventaris van het archief van de Heren van Haarlem, 1254-1321

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

De heren van Haarlem

De geschiedenis van de heren van Haarlem speelt zich, wanneer zij duidelijker vormen voor ons aanneemt, af in Holland 's kustgebied. In het begin van de veertiende eeuw sterft het geslacht in de oudste mannelijke lijn uit
Craandijk, Proeve.
. Voor die tijd heeft hun optreden zich bepaald tot Kennemerland met Haarlem in het zuiden, Bergen in het noorden en de vier dorpen Graft, Schermer, Mijzen en Ursem in het oosten op de grens met Friesland.
Het geslacht was inheems en aanzienlijk, zoals steeds blijkt, wanneer het naar buiten optreedt. Zo zijn Simon van Haarlem, Willem, zijn zoon, en Jan van Bergen, diens neef, allen baljuw van Kennemerland geweest. Het lijkt aannemelijk, dat hun stamgoed hen het recht verschafte op de funktie van baljuw, zoals bijvoorbeeld de rentmeester van Noord-Holland als plaatsvervanger van de graaf van Holland baljuw was van het ambacht die Hage, een positie die hij kon innemen wegens de rechten van het hof van de graaf aldaar
Pabon, Die Haghe, pp. 109-112. Zie ook: Van Foreest, Hof in Holland.
.
Zo duidelijk als de situatie voor die Hage is gebleven, omdat de hof aldaar zijn bestaan tot deze tijd heeft voortgezet, zo weinig doorzichtig is de gesteldheid van Haarlem. Eenmaal worden inkomsten eruit vermeld, wanneer graaf Willem I een bedrag van 500 pond hollands ter gelegenheid van het huwelijk van zijn zoon Floris met Machteld, dochter van hertog Hendrik I van Brabant, onder meer verzekert op de hof van Haarlem
Koch, OHZ., I. nr. 347.
. Nadien moet het komplex versplinterd zijn en van de hand gedaan, waarmee het zich aan direkte waarneming heeft onttrokken. Indirekt zou de aanwezigheid van de hof afgeleid kunnen worden uit het verblijf van de graaf in Haarlem, wanneer deze een oorkonde uitvaardigt. Voorzover na te gaan heeft de graaf dat, voor Haarlem stadsrechten heeft gekregen in 1245, slechts eenmaal gedaan in het jaar 1203
Inv. nr. (10).
. Het karakter van de bron, die niet meer is dan een notitie van een verloren stuk, waarvan ook geen afschrift is overgeleverd, is daarenboven enigszins twijfelachtig. Het uittreksel, geleverd door Pieter van Renesse van Beoostenzweene
LRK. 418 f° 154 nr. 196.
, blijkt evenwel zoveel formele kenmerken van de oorkonde bewaard te hebben, dat wij het diktaat toe kunnen wijzen aan de persoon, die Kruisheer heeft onderkend als kanselarijhand A
Kruisheer, Kanselarij pp. 81 en 89.
. Met name de inleiding voor de getuigenreeks: "dair bij waren" en vooral de datatio "actum publice aput Harlem" leggen hiervan getuigenis af. Het lijkt aannemelijk, dat de graaf, die blijkens het grote getal der getuigen een ruim onderkomen nodig gehad zal hebben, van zijn hof te Haarlem gebruik gemaakt heeft.
Is de hof niet tot in historische tijd blijven voortbestaan, haar ouderdom lijkt daarom wel gegarandeerd. De traditie heeft haar centrum, het Gravensteen, geplaatst in de wijk Bakenesse
Temminck, Haarlem, p. 7.
. Inderdaad verkoopt hertog Albert nog in 1359 aan Jan van Schoten de helft van de toren, genaamd Gravensteen, gelegen binnen Haarlem aan het Spaarne aan de oude gracht van Bakenesse, in eigendom
LRK. 50 f° 46v nr. 231.
. De juiste plaats van dit bouwsel is echter nog niet gevonden.
Het is denkbaar maar moeilijk te bewijzen, dat de heer van Haarlem zijn loopbaan heeft ingezet via het grafelijk hof te Haarlem. In hun hoedanigheid van baljuw of, voordat van de funktie sprake is, van een vergelijkbare dienaar van de graaf zullen deze heren vervolgens hun leengoed, gehouden van de graven van Holland, zoals wij het verspreid door Kennemerland aantreffen, hebben kunnen opbouwen. Hun stamgoed blijft ons echter verborgen, al lijkt het waarschijnlijk, dat dit in of bij Haarlem zal hebben gelegen.
Zo nu en dan geven kronieken een beeld van de heren in aktie. Stoke heeft het verhaal overgenomen, dat IJsbrand van Haarlem tezamen met graaf Otto van Benthem naar het Oosten is gevaren op kruistocht
Brill, Melis Stoke, boek 2, viers 632-633.
. Welke rol de heren van Haarlem hebben gespeeld bij de schermutselingen tussen de graven van Holland en de Friezen, is niet duidelijk. Hun namen worden bij voorkomende gelegenheden niet genoemd.
Een Simon van Haarlem speelt een rol in de zogenaamde Loonse oorlog. Hij staat eerst aan de zijde van Willem, broer van graaf Dirk VII, maar gaat later over naar de partij van Lodewijk van Loon
Oppermann, Fontes, pp. 197 en 201.
.
Van Wouter van Haarlem zijn geen feiten in enige oorlog of vete te vermelden. Hij was een zoon van Simon maar hoe het verband met zijn nazaat, ook Simon genaamd, gelegd moet worden, is nog niet opgelost. Zijn naam en wapen zou men overigens eerder in verband kunnen brengen met de heren van Egmond.
In het midden van de dertiende eeuw bereikt het geslacht met Simon van Haarlem, die in stukken voorkomt tussen 1247 en 1280, zijn meest doorluchtige vertegenwoordiger. Op een uitzondering na heeft het archief dan ook betrekking op hem en zijn nazaten. Hij begon zijn loopbaan als baljuw van Zeeland maar verlegde reeds spoedig het terrein van zijn aktiviteiten weer meer naar Kennemerland. In het gevolg van de graaf blijft hij echter betrokken bij taken van het gehele graafschap.
Zo trok hij weg van wat waarschijnlijk de bakermat van zijn geslacht geweest zal zijn en bouwde zijn versterkte huis te Heemskerk, waarvoor hij het terrein van de graaf in 1248 gekocht had
Van Foreest, Hof van Holland, pp. 59-61 en 69.
. In de omgeving wordt de bouw van het huis van Arnout van Heemskerk ongeveer in dezelfde tijd geplaatst
Hoek, Woning Dirk van Hodenpijl, kol. 202.
. Daarentegen draagt Simon zijn huis aan de Grote Markt te Haarlem over aan het klooster van de Karmelieten aldaar.
Nadat zijn eerste huwelijk met een zekere Beatrijs, wier afstamming onbekend is, beeindigd was, huwde hij in tweede echt Katharina, dochter van graaf Hendrik van Dale. Deze verbintenis getuigt eens te meer van het, grote gezichtsveld van Simon van Haarlem. Voor de inventaris is zijn wapen afgedrukt. Het is gelijk aan dat van Maarland
Hoek, Den Briel en Maerlant, pp. 184-185.
.
Zijn zoon Willem bereikte niet de hoogten van zijn vader. Hij is ook nooit ridder geworden. Wel is hij tweemaal gehuwd, de eerste maal met een zekere Katharina, van wie de geslachtsnaam ons eveneens onthouden wordt. Zijn tweede echtgenote droeg de naam Geertruida
Craandijk, Proeve, p. 77.
, terwijl haar toenaam opgegeven wordt als "van Alkemade". Deze naam heeft zij echter ontleend aan het geslacht van haar overleden echtgenoot Hendrik van Alkemade. Na de dood van haar tweede man zal zij in het klooster Loosduinen treden onder de naam "van Haarlem". In werkelijkheid stamde zij van de familie van de Wateringe.
Willem van Haarlem en Katharina hadden wel nageslacht maar de voortzetting van de lijn werd toch geleverd door Jan van Bergen, hun neef, die via Dirk van Haarlem afstamde van Simon van Haarlem. Het is verwarrend, dat zij een zoon, genaamd Jan van Haarlem, hebben voortgebracht, die gemakkelijk verward kan worden met zijn neef Jan van Bergen, die zich eenmaal Jan van Haarlem noemt. Inderdaad heeft Craandijk de twee verwisseld
Craandijk, Proeve, pp. 73-78.
. Onderzoekingen van de heer H.J.J. Vermeulen te Heerhugowaard hebben alle twijfel omtrent de juiste verhoudingen uit de weg geruimd.
In het jaar 1321 moet Jan van Bergen gestorven zijn en met hem sterft het geslacht van Haarlem in rechte mannelijke lijn uit. De moeilijkheden over de erfenis, die bij dergelijke gelegenheden altijd tot verwikkelingen aanleiding geven, speelden ook nu weer hun rol. Dit zal er de reden van zijn, dat een lijst van leenmannen, die de graaf waren aanbestorven van Jan van Bergen, tezamen met een reeks stukken uit zijn archief pas in het jaar 1328 in de registers van de graven van Holland afgeschreven is
LRK. 37/EL. 39 fo 22 nr. 146.
. De bezittingen van de heren van Haarlem zijn nadien verspreid over allerlei andere geslachten.
Genealogie van de heren van Haarlem:

Geschiedenis van het archiefbeheer

Het archief van Jan van Bergen werd pas vijf jaar na zijn dood gelicht getuige de volgende passage: "die brieve, die tote Haerlem ghenomen worden ute Jans scrine van Berghen bi Janne van Pollanen, Mathise (Rengersz.) ende bi Janne den Keyser voir Kersavonde in 't jair XXVI, die dede Gherard Alewijns sone in die Haghe in 't scriin van der cappelle"
LRK. 37 fo 19 nr. 121.
. Blijkbaar bevatte de schrijn het hier beschreven archief. Voor een tweede maal ontmoeten wij de stukken omstreeks 1350: "in en beslaghen coffer onghesloten zijn brieve van heren Simons goede van Haerlem ende zijnre kinder Willem ende Dirc ende Jans van Bergen
LPK. 430 fo 25.
. Het omhulsel is later verdwenen en zo treffen wij bijna honderd jaar later hetzelfde archief aan in de lade "Sigillum"
LRK. 433 fo 39v-44.
van het grafelijk archief. Nu zijn de stukken echter vermengd met andere, onder meer afkomstig van Dirk van Haarlem, Hendrik van Diepenheim en Simon van Haarlem, wier ambachtsheerlijkheid van Sloten na verloop van tijd gelost is. Hun titels horen evenwel niet in het archief thuis, zoals ook blijkt uit de beschrijving van 1350. Wanneer Cornelis Suys in 1552 zijn inventaris van de grafelijke archieven samenstelt, zijn er nog slechts enkele stukken over.

De verwerving van het archief

De rechtstitel is (nog) onbekend

De verwerving van het archief

De rechtstitel is (nog) onbekend.