3.19.54 Inventaris van het archief van de heerlijkheid Terschelling, 1322-1615

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Eerste bewoners

Het eiland Terschelling, dat in oude oorkonden als Scellingh, Scellynge en Scellingen voorkomt en door de bewoners Schylge of Skylge wordt genoemd, behoorde oorspronkelijk bij Friesland. Dit is niet verwonderlijk, want tot 1287 (St.-Hubertusvloed) was het mogelijk om van de Friese noordwestkust te voet Terschelling te bereiken.
We mogen dan ook aannemen, dat de eerste bewoners van Terschelling Friezen zijn geweest. Als gevolg van de expansie der Hollandse graven was het eiland een betwist gebied, dat na een bewogen geschiedenis bij Holland werd gevoegd, waarbij het met een korte onderbreking, in de Franse tijd, tot 1942 heeft behoord. Na die tijd is het weer bij Friesland gevoegd. Hier moge een korte uiteenzetting volgen van de geschiedenis van het eiland Terschelling en zijn bestuur.

Eigendom, beheer en bestuur van de heerlijkheid Terschelling

In 1322 werd Klaas Popma, lid van het Friese adelgeslacht Popma, door Willem III, graaf van Holland, met de heerlijkheid Terschelling beleend.
J. Smit, "Terschellinger Getij", Haren (Gn.) 1972, p. 47.
Tegen het einde van de 14e eeuw kwam aan de band tussen Terschelling en Friesland een eind, doordat hertog Albrecht van Beieren in 1396 een veroveringsoorlog ondernam tegen de Friezen.
E. Verwijs, "De oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen", in: Werken van het Hist. Gen., Nieuwe Reeks nr. 8, Utrecht 1869.
Hoewel Terschelling zich neutraal verklaard had,
G.F. Schwartzenberg, "Groot Placaat- en Charter- Boek van Vriesland" Leeuwarden 1768, dl. I p. 257.
werd het eiland in 1397 door Jan van Heenvliet en Gerrit van Egmond veroverd.
Verwijs, geciteerd artikel, p. 144.
Vanaf die tijd hebben de Hollandse graven Terschelling definitief bezeten.
In 1399 beleende Albrecht van Beieren vervolgens Jan van Arkel met Terschelling, met "hoge ende lage gericht, ende allen anderen sinen toebehoren".
Verwijs, gec. artikel, p. 502.
Als tegenprestatie beloofde Jan van Arkel een slot te bouwen, dat altijd voor de Hollandse graaf open zou staan. De opbrengsten uit de tollen en de strandvonderij zouden eigendom van de graaf blijven.
Het kasteel is inderdaad gebouwd, zoals blijkt uit een kaart van Jacob Heeres van 1556.
J.H. Hingman, "Inventaris der verzameling kaarten berustende in het Rijksarchief", Den Haag 1871, nr. 3043.
Jan van Arkel heeft echter de heerlijkheid niet lang in bezit gehad. In 1401 brak de Arkelse oorlog uit, waarbij Jan van Arkel uit al de lenen, die hij hield van de Hollandse grafelijkheid, werd gezet.
J.W. Groesbeek, "De heren van Arkel", in: De Nederlandsche Leeuw nr. 7, juli 1954, kol. 215.
Willem VI, opvolger van de in 1404 overleden Albrecht van Beieren, vaardigde in 1405 een oorkonde uit, waarbij hij de inwoners van de heerlijkheid Terschelling toestond om zowel met Holland als met het vijandige Friesland handel te drijven.
Inv. nr. 16, reg. nr. 2.
In 1417 overleed Willem VI en werd opgevolgd door zijn dochter, Jacoba van Beieren. Zij verkocht de heerlijkheid Terschelling aan Gerard van Heemskerk voor 2000 gouden schilden.
Inv. nr. 4, reg. nr. 3.
Een van de voorwaarden bij de verkoop was, dat Gerard van Heemskerk de eilandbewoners van Terschelling, als ze hem niet als heer wilden erkennen en gehoorzamen, mocht "beschadigen tot alre tijt als 't hem nutte ende oirbair duncken sal". Zover zal het wel niet zijn gekomen, want de Hollandse heren bemoeiden zich niet veel met de veraf gelegen heerlijkheid.
H.J. de Feyer, "Terschelling in de Middeleeuwen", in: Schylge myn lantse, 1963 nr. 2, p. 8.
Ook Gerard van Heemskerk heeft de heerlijkheid niet lang in zijn bezit gehad. Hij viel in ongenade bij Jacoba van Beieren en werd verbannen. Omdat hij zijn lenen niet was komen verheffen, zouden ze aan de grafelijkheid vervallen. Er werd echter een regeling getroffen, waarbij Margaretha van Kralingen, zijn vrouw, met de goederen van haar man werd beleend.
F. van Mieris, "Groot Charterboek der Graaven van Holland", Leiden 1756, dl. IV, p. 875.
Toen Gerrit van Heemskerk in 1429 overleed werd zijn dochter Clementia (ook wel Meyne genaamd), met de heerlijkheid beleend.
Inv. nr. 4, reg. nr. 5.
Jacoba van Beieren deed in 1433 afstand van het graafschap Holland en Zeeland en de heerlijkheid van West-Friesland aan hertog Filips van Bourgondië, die in 1467 overleed. Zijn zoon Karel van Bourgondië beleende vervolgens in 1469 Antonius Hanneron, proost van de St.-Donaaskerk te Brugge, met de heerlijkheid Terschelling.
Inv. nr. 4, reg. nr. 6.
Er waren echter nog twee gegadigden voor de titel van heer van Terschelling. De eerste was Rienck Poppes Popma, afstammeling van Klaas Popma. Foppe Riencks Popma, de zoon van Rienck Poppes Popma, sloot in 1482 zelfstandig een handelsverdrag met Eduard IV, koning van Engeland.
T.J. Geest, "Terschelling in de Middeleeuwen", in: Tijdschrift voor Geschiedenis, Land- en Volkenkunde, Groningen 1918, p. 312.
Hieruit blijkt de onafhankelijkheid van de Popma's op Terschelling. De andere gegadigden waren de erfgenamen van Gerard van Heemskerk. Clementia van Heemskerk, zijn dochter, was in 1429 getrouwd met Gijsbrecht van Vianen.
"Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek", Leiden 1933, dl. 9, kol. 337.
Hun dochter Geryt trouwde met Arend van Zevenbergen.
A. DelaHaye, "Heerlijkheid en Heren van Zevenbergen", dl. II, in: Publikaties van het archivariaat "Nassau-Brabant" 1968-1969, p. 11.
Na de dood van haar moeder en haar broer Joost (ca. 1470),
A. DelaHaye, gec. artikel p. 11.
werd Maria van Zevenbergen, de oudste dochter van Arend van Zevenbergen, in 1476 met Terschelling beleend.
Inv. nr. 4, reg. nr. 8.
Aangezien zij de bezittingen van haar vader zou erven, had Maria van Zevenbergen een leger van aanbidders, waarvan Cornelis van Bergen wel de vurigste was. Maar de vader van Maria ging niet akkoord met hun huwelijk. Er bleef Cornelis van Bergen toen nog één mogelijkheid over: een schaking van Maria. In 1481, toen vader en dochter terugkwamen van een jaarmarkt, werd Maria van Zevenbergen dan ook door Cornelis van Bergen ontvoerd en enkele dagen later trouwden ze te Eigenbrakel.
DelaHaye, gec. artikel, p. 13.
In 1492 werd Maria door Maximiliaan van Oostenrijk, graaf van Holland, met haar vaders bezittingen beleend, hoewel volgens het testament van Arend van Zevenbergen haar jongere zuster de erfgename was.
DelaHaye, gec. artikel, p. 14.
In feite beheerde Cornelis van Bergen toen al het bezit, als voogd van zijn vrouw.
Hendrik van Saksen plunderde in 1499 Terschelling. De eilandbewoners zochten steun bij Filips de Schone, graaf van Holland. Deze stelde de toenadering op prijs, want in 1500 benoemde hij Johan van Egmond, stadhouder van Holland en Zeeland, als beschermheer van Terschelling.
Inv. nr. 17, reg. nr. 11.
Bovendien bevestigde hij nogmaals de privileges die de inwoners van Terschelling eerder hadden verkregen.
Inv. nr. 17, reg. nr. 12.
Uit de privileges, die door Filips de Schone in 1500 werden bevestigd, kan worden opgemaakt, dat de graven van Holland gedurende de 15e eeuw oog hebben gehad voor het economisch welzijn van de eilandbewoners van Terschelling, en hun handel hebben willen bevorderen.
Inv. nr. 16, reg. nrs. 2 en 9.
Cornelis van Bergen had intussen ontdekt, dat hij ook heer van Terschelling was. In tegenstelling tot zijn voorgangers was hij van plan zijn rechten op het eiland te doen gelden. Toen bleek dat Frans van Busleyden, de toenmalige proost van de St. Donaaskerk, ook recht had op de heerlijkheid Terschelling, liet Cornelis van Bergen het aankomen op een uitspraak door aartshertog Filips de Schone. Op 3 november 1501 wees Filips de Schone de heerlijkheid met alle bijbehorende rechten toe aan Cornelis van Bergen, op voorwaarde, dat de proost van de St. Donaaskerk als schadevergoeding een jaarlijkse rente van 25 gulden zou ontvangen,
Inv. nr. 2, reg. nr. 13.
welke jaarrente in 1504 door Cornelis van Bergen werd afgekocht.
Inv. nr. 2, reg. nr. 27.
Er werd een brief naar Terschelling gezonden waarin Filips beval, dat de inwoners Cornelis van Bergen moesten ontvangen en erkennen als hun wettige heer.
Inv. nr. 2, reg. nr. 16.
Vergezeld van een deurwaarder, een raadsheer en een secretaris begaf Cornelis van Bergen zich naar Terschelling.
Inv. nr. 4, reg. nrs. 18 en 19.
Hij ontmoette in Haarlem Jarich Popma, die op dat moment de rechten van de Popma's in handen had.
Inv. nr. 3, reg. nr. 20.
Zij kwamen tot een overeenkomst, waarbij Jarich Popma verklaarde afstand te zullen doen van al zijn rechten, behalve van zijn vaderlijk erfdeel. Jarich Popma verzocht Cornelis van Bergen om een aanstelling als schout van Terschelling.
Inv. nr. 3, reg. nr. 20.
Voor het innen van de belastingen op Terschelling werd een Hollandse rentmeester aangesteld. Deze droeg trouw alle inkomsten, die de Popma's vroeger zelf ontvingen uit Terschelling, af aan Cornelis van Bergen. Toen Jarich Popma dat bemerkte, begaf hij zich onmiddellijk naar Grave, waar Cornelis van Bergen zich bevond.
J. Smit, gec. artikel, p. 68.
Daar bleek dat zij totaal verschillende gedachten hadden over de inkomsten uit de heerlijkheid.
J. Smit, gec. artikel, p. 69.
Zij besloten daarop de kwestie te onderwerpen aan een arbitrage.
Inv. nr. 3, reg. nr. 22.
Op 12 december 1502 deden acht arbiters uitspraak, in het voordeel van Cornelis van Bergen.
Inv. nr. 3, reg. nr. 23.
Jarich Popma moest vrijwel al zijn rechten afstaan aan Cornelis van Bergen en hield slechts een paar onbeduidende inkomsten.
Inv. nr. 3, reg. nr. 23.
Deze uitspraak van de arbitragecommissie werd door het Hof van Holland bekrachtigd.
Inv. nr. 3, reg. nr. 26.
Cornelis van Bergen overleed in 1508,
A. DelaHaye, gec. artikel, p. 19.
en Maria van Zevenbergen, zijn weduwe, nam het bestuur tot haar dood in 1529 waar.
A. DelaHaye, gec. artikel, p. 21.
Van 1521 tot 1527 was Terschelling eigendom van Tjaard van Burmania,
Inv. nr. 41.
mogelijk als gevolg van financiële moeilijkheden.
A. DelaHaye, gec. artikel, p. 20.
In 1529 beleende Karel V Cornelis van Zevenbergen, bisschop van Luik, zoon van Maria van Zevenbergen, met Terschelling.
Inv. nr. 41, akte d.d. 1529 dec. 15 en inv. nr. 4.
Voor zijn dood in 1560 had Cornelis van Zevenbergen aan zijn neef, Johan van Ligne, graaf van Aremberg, alle bezittingen overgedragen.
A. DelaHaye, gec. artikel, p. 30.
Johan van Ligne sneuvelde in 1568 bij Heiligerlee.
A. DelaHaye, gec. artikel, p. 32.
Hij was getrouwd met Margaretha van der Marck,
A. DelaHaye, gec. artikel, p. 31.
die voor haar minderjarige zoon Karel al zijn bezit beheerde.
J. Smit, gec. artikel, p. 85.
In 1583 namen de Staten van Holland de bezittingen, waaronder Terschelling, van de Spaansgezinde Arembergen in beslag.
J. Smit, gec. artikel, p. 85.
Pas in 1599 kregen Margaretha en haar zoon Karel Terschelling weer terug, maar in een verwaarloosde toestand.
J. Smit, gec. artikel, p. 85.
Omdat het eiland bedreigd werd door afspoeling gaf Margaretha van der Marck, nog voor haar dood in 1599, aan Lambert Vollenhove het recht om de aanwassen in de heerlijkheid te bedijken.
J. Smit, gec. artikel, p. 85.
Lambert van Vollenhove verkocht deze rechten in 1601 aan Jan Claesz. Croock en Pieter en Andries Petten.
Inv. nr. 37.
Karel van Aremberg nam na de dood van Margaretha van der Marck in 1599 het bestuur over Terschelling en zijn andere bezittingen op zich.
A. DelaHaye, gec. artikel, p. 46.
Om een indruk te krijgen van de toestand op Terschelling, liet Karel van Aremberg in 1611 een rapport opmaken door Dirk Duyst van Voorhout en mr. Dirk van Rinnegom.
Inv. nr. 6.
De situatie was volgens het rapport zo slecht, dat Karel van Aremberg besloot de heerlijkheid te verkopen. Na langdurige onderhandelingen met de Staten van Holland, werd Terschelling op 23 maart 1615 tenslotte aan de Staten van Holland verkocht.
Inv. nr. 12.
Ambten
Terschelling was een hoge heerlijkheid.
E. Verwijs, gec. artikel, p. 502.
De heer van de heerlijkheid had dus de hoge jurisdictie, d.w.z. de rechtspraak in criminele of "halszaken". Namens de heer oefende een drossaard of rentmeester het bestuur uit.
H.J. de Feyfer, "Lijst van Schellinger Heren, Schouten, Drossaarts en Burgemeesters", in: Schylge myn lantse, 1963, nr. 3, p. 8.
Op het gebied van waterstaatszaken en landbouwaangelegenheden was er de burenorganisatie.
J. Smit, gec. artikel, p. 71.
Uit deze instelling ontstond een belangrijk lichaam, de vierentwintig. Deze mannen werden gekozen door het volk, uit Midsland, Hoorn, Stryp en West-Terschelling.
Inv. nr. 17.
De vierentwintig kozen 2 burgemeesters en de 7 schepenen.
Inv. nr. 17.
De benoeming van pastoors gebeurde altijd door de gemeenten, behalve in Hoorn, waar de abt van het klooster Lidlum dat deed.
Inv. nr. 6.

Geschiedenis van het archiefbeheer

De verwerving van het archief

De rechtstitel is (nog) onbekend.