De familie Cambier
De herkomst van de familie Cambier moet naar aller waarschijnlijkheid gezocht worden in Noord-Frankrijk, in het gebied dat bekend staat als Frans-Vlaanderen, met name in de omgeving van de stad Kamerijk (Cambray)
Zie voor genealogische gegevens, betreffende de familie Cambier: Het Nederlands Patriciaat, jrg. 8, (1918), p. 88-95 en A.J. van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden, dl. 3, Haarlem 1858, p. 11 noot 1.
. In de laatste decennia van de 16e eeuw trokken verschillende personen met de naam Cambier naar de Republiek. Aangenomen mag worden dat Adriaan Cambier, die in 1666 begraven is in de Kloosterkerk te 's-Gravenhage, de stamvader van deze tak van de familie is. De familie is protestant en mede gezien de hechte verbondenheid van een aantal leden van de familie in de 18e eeuw met de "Eglise Wallone"
Zie: Archief Cambier, inv.nr. 411-450.
zou geconcludeerd kunnen worden, dat godsdienstige motieven ten grondslag hebben gelegen aan hun vestiging in de Noordelijke Nederlanden.
De zoon van Adriaan Cambier, Johan Adriaansz. Cambier stond bekend als Frans kramer, wat inhield dat hij handel dreef in zijde an andere stoffen. Hij had een winkel in de Halstraat te 's-Gravenhage
Zie: Het Nederlands Patriciaat, jrg. 8 (1918), p. 89 en Archief Cambier, inv.nr. 1.
Deze activiteiten werden voortgezet door zijn zoon Jacobus Cambier (I), die later ook de functie vervulde van solliciteur-militair. De solliciteurs-militair waren tussenpersonen, die een bepaald geldbedrag, tegen een zekere interestvergoeding, voorschoten aan de compagnies-commandanten van het Staatse Leger, zodat deze regelmatig soldij aan de manschappen konden uitbetalen. Doordat de Raad van State en de verschillende gewestelijke Staten vaak nalatig waren in het nakomen van hun financiële verplichtingen en doordat er problemen ontstonden met de manschappen door de onregelmatige soldijbetalingen, waren de commandanten gedwongen een beroep te doen op deze particuliere geld-verschaffers. Op hun beurt trachtten de solliciteurs-militair hun geld dan terug te krijgen van de Raad van State of van de gewestelijke Staten. Aanvankelijk ontstonden er nogal wat wantoestanden rondom het solliciteur-militairschap, maar langzamerhand is de overheid, met name de Staten van Holland en West-Friesland, regelend gaan optreden
Een uitgebreide toelichting betreffende het solliciteur-militairschap is te vinden in: J.H. Kompagnie, Het familiearchief van He-teren, het archief van de solliciteur-militair Paulus Gebhardt en het archief van de commies van 's lands magazijnen te Delft, Dirk van Heemskerk, 's-Gravenhage, 1979. Inventarisreeks van de Rijksarchieven in Holland nr. 19, Inleiding.
. Het zal duidelijk zijn, dat alleen vermogende lieden deze taak konden uitoefenen, zodat gezegd mag worden, dat de handel voor de Cambiers bepaald voordelig is geweest.
Jacobus Cambier (II) huwde zijn nicht Clasina Brackman, een telg uit een bekende familie van solliciteurs-militair. Hij heeft zich als advocaat gevestigd in IJsselstein. Zijn zuster Petronella woonde in Vianen, zodat het begin van de betrekkingen van de familie Cambier met het Hollands-Utrechtse grensgebied, geacht mag worden te dateren van omstreeks het jaar 1710. In deze streek zouden verschillende leden van de familie de komende tweehonderd jaar belangrijke functies in het bestuur van de stad, heerlijkheid en waterschappen vervullen.
Jacobus Cambier (III) huwde met Jacoba Catharina Anna Elisabeth Ofzen, de dochter van de burgemeester van Vianen, Jan Ofzen. Door dit huwelijk ontstonden er relaties met de Amsterdamse drukkerij "over de Herengracht aan de Plantage"
Dit is een geografische aanduiding, die ook in de archivalia steeds wordt gebruikt ter aanduiding van deze drukkerij.
waarvan zijn schoonmoeder Catharina Maria Dommer, voor een deel eigenaresse was. Jacob was in 1738 schepen van Vianen en vervulde in 1750 ook het ambt van burgemeester. Er ontstonden nauwe verbindingen met andere regentenfamilies uit Vianen, onder andere door de huwelijken van zijn kinderen. In deze periode ontwikkelden zich ook betrekkingen met de "Eglise Wallonne", waarvan de gemeente in 1725, tegelijkertijd met een "Franse kostschool voor Jonge Juffrouwen" werd gesticht
Zie: F.D.J. Morrees, Aan de oevers van Lek en Linge, Schoonhoven, 1883, p. 64-86.
. De Waalse gemeente lijkt geen florissant bestaan te hebben geleid, want na de dood van predikant Jean Lemker, in 1816, werd de gemeente opgeheven
Zie: Archief Cambier, inv.nrs. 441-450.
.
Jacobus Cambier (III) heeft rond 1770 ook het landhuis "Buitenlust", even buiten de stadsmuren van Vianen gelegen, laten bouwen dat daarna door verschillende leden van de familie werd bewoond.
Joan Cambier heeft verschillende taken van zijn vader overgenomen. Naast het feit dat ook hij burgemeester en schepen van Vianen is geweest, was hij tevens penningmeester van de heerlijkheid "het Land van Vianen". Ook na de vestiging van de Bataafse Republiek bleef hij verschillende bestuurlijke functies vervullen in Vianen. Door zijn financiële kennis was hij tevens rentmeester van het Oude Mannen en Vrouwenhuis en van de kerk van Vianen.
Zijn broer Jan Jacob Cambier heeft een rol gespeeld in de Nederlandse politiek
Zie: A.J. van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden, dl. 3, Haarlem, 1858, p. 11-12 en Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, dl. 5, Leiden 1921,. p. 79-81.
. Hij was van 1781 tot 1787 schepen van Haarlem en een uitgesproken aanhanger van de patriottische beweging. In 1794 en 1795 nam hij actief deel aan de Bataafse omwenteling. Hij werd gekozen in de eerste en tweede Nationale Vergadering in het district "Oosterland", waartoe ook Vianen behoorde, waaruit hij echter weer verdween ten gevolge van de staatsgreep van januari 1798. Ook in de tijd hierna vervulde hij nog talrijke functies: lid van het Gedeputeerd Bestuur van Holland (1802-1804), lid van het Wetgevend Lichaam (1806), minister van Justitie en politie (1807), minister van Koophandel en Koloniën (1808). In 1810 is hij nog een paar maanden minister van Oorlog geweest. Van 1811 tot 1813 was hij lid van het Wetgevend Lichaam. Voor het Verenigd Koninkrijk was hij een tijdlang gezant in Madrid en Berlijn. Hij eindigde zijn carrière als lid Van de Eerste Kamer (1817-1821) en overleed in 1831 in Wassenaar.
Twee andere broers van Joan, met name Nicolaas Abraham
Zie: A.J. van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden, dl. 3, Haarlem 1858, p. 11
en Cornelis Willem Cambier maakten carrière als militair, hetgeen de grondslag heeft gelegd voor een traditie in de familie om te kiezen voor een loopbaan bij de koopvaardij of bij de marine. Daardoor is ook een tak van de familie, in de loop van de negentiende eeuw terechtgekomen in het voormalige Nederlands-Indië
Zie: Het Nederlands Patriciaat, jrg. 8 (1918), p. 91-94.
.
Willem Jacob Cambier (I) en zijn kleinzoon Willem Jacob Cambier (II) waren penningmeester van het waterschap "de Vijfheerenlanden"
Zie dienaangaande: C.J.A. Schaepman, Inventaris van de archieven van de voormalige polders en waterschappen onder het hoogheemraadschap van de vijfheerenlanden, 's-Gravenhage, 1980.
.
Joan Jacob Cambier, een zoon van Willem Jacob (I), is van 1844 tot 1857 burgemeester geweest van de gemeenten Hagestein en Everdingen. Hij kocht in 1849 het landhuis "Buitenlust" weer aan, dat een tijdlang in andere handen was geweest.
Na de dood van zowel Willem Jacob Cambier (II) in 1901, als van Zeger Johan Cambier in 1905, werd het landhuis "Buitenlust" te Vianen verkocht en daarna afgebroken
Deze kennis berust op een mondelinge mededeling van mevr. G.H.C. Cambier-Stolie, waarvoor wij haar hier dank zeggen.
. De meubelen, klokken, familieportretten en familiepapieren kwamen in bezit van hun zuster Agathe Jacqueline Cambier, die in Nijmegen woonde. Na haar dood in 1909 werd een deel van de onroerende goederen, gelegen in de polders rond Vianen, die meer dan 175 jaar in het bezit van de familie Cambier waren geweest, verkocht.
De drukkerij "over de Herengracht aan de Plantage" te Amsterdam
In 1673 begon Susanne Veselaer, die gehuwd is geweest met de bekende boekverkoper Jan Jacobsz. Schipper, samen met Joseph Attias een drukkerij, later uitgebreid met een lettergieterij. Zij hielden zich hoofdzakelijk bezig met het drukken van Engelse bijbels, die hier te lande goedkoper konden worden gedrukt, waarschijnlijk door een fabrieksmatige produktie. De bijbels werden naar Engeland gesmokkeld, waar slechts een beperkt aantal drukkers een monopolie bezat.
Opmerkelijk is de tweedeling van de eigendomsrechten van de drukkerij-gieterij
Zie: Archief Cambier inv.nrs. 345, 354-359, 360-361, 369-371, 389-391.
. Hieruit ontwikkelden zich een reeks gecompliceerde juridische constructies, die voor een groot deel terug te vinden zijn in de archivalia1
Zie: Archief Cambier inv.nrs. 354-359.
. Susanne Veselaer vermaakte na haar dood in 1699 haar deel aan haar kleinzoon Gijsbert Dommer
Zie: Archief Cambier inv.nr. 345.
. De zoon van Joseph Attias verkocht het andere deel in 1702 aan de dochter van Susanne Veselaer, te weten Cornelia Schipper.
Tot 1725 hadden Cornelia Schipper en haar zoon Gijsbert Dommer de eigendomsrechten van de drukkerij-gieterij. In 1712 werd dit voor een korte periode onderbroken, omdat Cornelia Schipper haar deel schonk aan haar andere zoon Jan Jacob Dommer. Deze verkocht dit in 1714 weer terug aan zijn moeder voor 6000 gulden
Zie: Archief Cambier inv.nr. 354.
.
In 1725 schonk Cornelia Schipper haar deel aan haar dochter Catharina Dommer, die evenwel de helft van de opbrengst zou moeten delen met haar zuster Anna Constantia Dommer
Zie: Archief Cambier inv.nr. 357-
. Het gebouw, waarin de drukkerij-gieterij gevestigd was, werd door Cornelia Schipper aan haar beide dochters geschonken.
In 1725 stierf echter Gijsbert Dommer, zodat nu problemen ontstonden omtrent de eigendomsrechten van dit deel van de drukkerij tussen Cornelia Schipper aan de ene kant en haar zoon Jacob Cleyburg en de voogden van haar kleindochter Constantia Dommer aan de andere kant. In 1730 werd tussen beide partijen een akkoord gesloten, Cornelia Schipper kocht de eigendomsrechten voor 6000 gulden
Zie: Archief Cambier inv.nr. 358.
.
Enige maanden later verkocht ze dit deel van de drukkerij-gieterij aan haar dochter Anna Constantia Dommer. Cornelia Schipper lijkt, hoewel ze geen eigenaresse meer was, de zeggenschap niet geheel verloren te hebben
Zie: Archief Cambier inv.nr. 359.
.
Bij haar dood in 1743 zag de situatie er als volgt uit: het gebouw was gezamenlijk eigendom van Anna Constantia en Catharina Dommer, de drukkerij en gieterij was voor de ene helft in eigendom van Anna Constantia en voor de andere helft van Catharina, de opbrengsten tenslotte gingen voor 3/4 deel naar Anna Constantia en voor 1/4 deel naar Catharina Dommer. Daarnaast waren er speciale regelingen voor andere familieleden
Zie: Archief Cambier inv.nrs. 390-391.
. Het ging de drukkerij evenwel niet voor de wind en in 1751 werd Jacob Cambier betrokken bij het beheer van de drukkerij. Na de dood van Anna Constnatia Dommer trachtte hij nog een drietal jaren de drukkerij nieuw leven in te blazen
Zie: Archief Cambier inv.nr. 35.
. In 1755 werd de hele zaak verkocht, waarbij het letterzetsel in 1767 in bezit kwam van de firma Enschedé te Haarlem
Zie: I.H. van Eeghen, De Amsterdamse Boekhandel, dl. IV, p. 11 114.
.
Tabel I, De familie Cambier:
Tabel II, De familie De Beaufort/Lemker:
Tabel III, De familie Dommer-Schipper-Veselaer:
Tabel IV, De familie Slichtenbree: