OPRICHTING EN ORGANISATIE
Korte schets
De tabaksbouw voor de exportmarkt aan de Oostkust van Sumatra nam een aanvang in 1864, toen de planter J. Nienhuys opvallende resultaten boekte in het landschap Deli, waar hij verkeerde op uitnodiging van de plaatselijke vorst.
De Deli Maatschappij werd in 1869 opgericht nog voor de wettelijke afschaffing in 1870 van het Cultuurstelsel, die het partikulier initiatief in Nederlands-Indië toeliet. Er vestigden zich nadien vele ondernemers aan de Oostkust van Sumatra, die voor eigen rekening cultuurondernemingen oprichtten. Deze individuele planters werden tussen 1880 en 1900 voor een groot deel opgekocht door cultuurmaatschappijen, die door hun kapitaalkrachtigheid en betere organisatie de concurrentie en tegenslagen beter aankonden. In de daaropvolgende jaren bracht een concentratie het aantal zelfstandige ondernemingen snel terug. Uiteindelijk zou dit resulteren in de "Grote Vier", die de tabaksmarkt beheersten: de Senembah, de Deli-Batavia Maatschappij, de Tabak Maatschappij Arendsburg en de Deli Maatschappij. De Deli Maatschappij was hiervan veruit de grootste, terwijl haar belangen in de rubber-cultuur ook van betekenis waren. Feitelijk vormden de "Grote Vier" een kartel, dat de prijzen kon bepalen door hechte samenwerking binnen de Deli Planters Vereeniging (opgericht 1879), door onderlinge benoemingen, door consignatieverkoop van tabak van andere maatschappijen en door de gemeenschappelijke oprichting van nieuwe ondernemingen (bijv. Cultuur Maatschappij De Oostkust in 1920).
De centrale figuur, die de Deli Maatschappij groot zou maken, was J.T. Cremer, die van 1871-1883 administrateur was in Medan en nadien lid en voorzitter werd van de Raad van Bestuur. Tussen 1894 en 1901 trad hij op als minister van Koloniën; in 1907 zou hij benoemd worden tot president van de Nederlandsche Handel Maatschappij (NHM). Zijn verwevenheid met het grootkapitaal en het landsbestuur zijn van groot belang geweest bij de groei van de Deli Maatschappij.
De maatschappij zou zich ontwikkelen tot een goed renderende en zeer kapitaalkrachtige vennootschap. Dit blijkt o.a. uit haar betrokkenheid bij de oprichting van diverse neven-bedrijven. Te noemen zijn: de Deli Spoorweg Maatschappij (1883), de Waterleiding Maatschappij "Ajer Beresih" (1903) en de Koninklijk Nederlandsch-Indische Luchtvaart Maatschappij (1928). Hiervan was de Deli Maatschappij, veelal tezamen met de N.H.M., deels of geheel eigenaar.
De na-oorlogse politieke ontwikkelingen in Indonesië dwongen de "Grote Vier" tot fusering over te gaan, totdat de naasting in 1958 een einde maakte aan de feitelijke exploitatie.
Oprichting
Op 1 november 1869 werd te Amsterdam door het driemanschap J. Nienhuys, G. Clemen, tabakshandelaar in Amsterdam en P.W. Janssen, met deelname van de Nederlandsche Handel Maatschappij, de N.V. Deli Maatschappij opgericht. De statuten van de maatschappij werden bij koninklijk besluit van 12 januari 1870 goedgekeurd (Ned. Stcrt. 19 februari 1870, nr. 43).
De Deli Maatschappij werd de eerste naamloze vennootschap werkzaam in Nederlands-Indië en verbrak hiermee het destijds gebruikelijke stelsel van het exploiteren van cultuurondernemingen, waarbij de banken als geldschieters optraden. De Nederlandsche Handel Maatschappij trad niet op als bankier, maar uitsluitend als aandeelhoudster. Door deze organisatievorm was de continuïteit van het bedrijf in belangrijke mate verzekerd.
Het statutaire doel van de maatschappij was:
- het ontginnen en bebouwen van de gronden, gelegen in en nabij Deli, ter Oostkust van Sumatra. Voorts het exploiteren van de daartoe behorende inrichtingen, het verwerken, vervoeren en verkopen van de produkten.
- het doen van mijnbouwkundige en geologische opsporingen, het ontginnen van mijnen en bronnen;
- het bedrijven van commissiehandel (consignatie) van de in sub a. bedoelde produkten;
- het deelnemen in en het financieren van andere ondernemingen, vennootschappen en consortia.
Bestuur in Nederland
Het hoofdbestuur van de maatschappij was gevestigd in Amsterdam en werd gevormd door een direkteur en raad van commissarissen. De direktie was belast met het bestuur van de vennootschap en het beheer van het vermogen. De direkteur benoemde en ontsloeg de (hoofd)administrateur, die in Nederlandsch-Indië met de leiding van de exploitatie was belast.
De raad van commissarissen was namens de aandeelhouders belast met het toezicht op de werkzaamheden van de direktie. Gewoonlijk werd een lid van de raad aangewezen om als gedelegeerd commissaris de dagelijkse kontakten met de direktie te onderhouden.
Zie voor de samenstelling van direktie en de raad van commissarissen de gedenkboeken van de N.V. Deli Maatschappij, inv. nr. 37 en de serie jaarverslagen, inv. nrs. 39-40.
In 1945 werd het plan opgevat om de direktie van de Deli Maatschappij uit meer dan een persoon te laten bestaan. Bovendien werd het nodig geacht op meerdere plaatsen en niet meer uitsluitend in Amsterdam een direktie-zetel te installeren.
Zie notulen van de 367e vergadering van de Raad van Commissarissen, inv.nr. 16.
In 1955 werd de direktie van de Deli Maatschappij vervangen door een Raad van Bestuur. De kern van de Raad van Bestuur werd gevormd door een presidium. Doel van deze bestuurlijke reorganisatie was om de "kop van de maatschappij" te verbreden. De leden van de Raad van Bestuur werden gerecruteerd uit het bedrijf.
Zie notulen van de 408e vergadering van de Raad van Commissarissen, inv.nr. 19.
Bij de bedrijfs-reorganisaties in 1958 werd de Raad van Bestuur wederom vervangen door een direktie.
Zie notulen van de 417e vergadering van de Raad van Commissarissen, inv.nr. 20.
Europees uitgezonden personeel
De direktie in Nederland werd in Nederlandsch-Indië vertegenwoordigd door de administrateur (vanaf 1928 hoofdadministrateur) te Medan. In het kantoor van de maatschappij te Medan werd de (hoofd)administrateur bijgestaan door een uitgebreide staf van medewerkers, ondergebracht in de volgende afdelingen: Kas- en Inkoopafdeling, Boekhouding, Correspondentie, Landbouwkundige Dienst, Technische Dienst en Geneeskundige Dienst. De taak van de (hoofd)administrateur was veelomvattend. Niet alleen had hij de technische en administratieve eindverantwoordelijkheid, hij was ook uit hoofde van zijn funktie lid van het bestuursorgaan van de Deli Planters Vereeniging, het Planters Comité en lid van de Cultuurraad. Daarbij kwamen nog tal van representatieve verplichtingen.
De ondernemingen van de Deli Maatschappij waren ingedeeld in drie administratieve ressorten: Deli, Langkat en "Overjarige Cultures" (OJC). Aan het hoofd van ieder ressort stond een inspecteur bijgestaan door een assistent. De inspecteur was belast met het toezicht op het beheer van de ondernemingen. Hij werd benoemd door de (hoofd)administrateur.
De bedrijfsvoering op de cultuurondernemingen was opgedragen aan administrateurs, bijgestaan door vijf of zes assistenten. De administrateurs werden gerecruteerd uit het assistentenkorps.
De uit Europa aangekomen assistent kreeg gedurende de eerste vier tot zes maanden een praktijkopleiding. In deze tijd moest de assistent zich verder bekwamen in de Maleise taal, zich inwerken in de ondernemingsadministratie en kennis nemen van de arbeids-verhoudingen. Als "veldassistent" verrichtte de assistent het voornaamste deel van zijn taak. De "veldassistent" voerde het beheer over een zgn. "afdeling" (een deel van het totale oppervlak, dat in een oogstjaar werd beplant), op aanwijzing van de administrateur. Het beheer van een "afdeling" omvatte ook de administratie daarvan, welke bestond uit het bijhouden van de loonboeken, werkboeken en het in kaart brengen van de "afdeling". (Zie bijlage 1, Organisatieschema van de N.V. Deli Maatschappij). De carrièrelijn van de assistent verliep niet bijzonder snel, bovendien boden de arbeidsvoorwaarden de assistent weinig rechtszekerheid. Een schriftelijk kontrakt bij aanstelling was meer uitzondering dan regel. In de rechtspositie van assistenten trad pas een wezenlijke verbetering in na de totstandkoming van de zgn. "Assistentenregeling" in 1921.
Bij KB van 21 maart 1921 nr. 56, Ind.Stb. 1921, nr. 334.
Werving.
Aziatisch en inheems personeel
Voor de eerste planters vormde de werving van voldoende arbeidskrachten een groot probleem. Dit probleem vond, zij het ten koste van hoge uitgaven, een aanvaardbare oplossing in de immigratie van werklieden uit naburige landen en gebieden met een grotere bevolkingsdichtheid. Aanvankelijk waren dat gebieden in Zuid-China en later Java.
De Chinezen waren de eerste en meest gezochte werkkrachten in de tabakscultuur. Tot 1888 was de bemiddeling bij de werving van Chinese koelies in handen van "coolie brokers" (beroepswervers). Te Singapore en Penang zorgden Chinese firma's voor de aan- en afvoer van koelies. Toenemende vraag naar goede werkkrachten leidde tot felle concurrentie tussen de cultuurondernemingen onderling en tot opdrijving van de bemiddelingskosten door de beroepswervers. In 1888 werd op initiatief van de in 1879 opgerichte Deli Planters Vereeniging (een organisatie ten behoeve van de belangenbehartiging van cultuurondernemingen ter Oostkust van Sumatra) besloten de werving in eigen beheer te nemen door de stichting van het Immigranten Bureau. Vertegenwoordigers van het Bureau werden aangesteld in filialen te Swatow en Hongkong. De aangenomen koelies werden tijdelijk ondergebracht in "shops" en van daaruit op gecharterde boten overgebracht naar Deli.
Naast bovenvermelde "eigen" werving werd ook vaak gebruik gemaakt van de zgn. "laukeh-werving", een wervingssysteem waarbij "laukehs" (oudgedienden) werden teruggestuurd naar China, die daarna terugkeerden met niet-kontraktueel gebonden "sinkehs" (nieuwelingen).
In het eerste kwart van de 20e eeuw nam de migratie van Chinees werkvolk af. Weerstanden in het land van herkomst tegen de massale uitvoer van onderbetaalde arbeidskrachten namen toe. Omgekeerd raakte ook de Nederlands-Indische regering beducht voor de concentratie van een grote Chinese koeliepopulatie. De heffing van een belasting leidde uiteindelijk in 1931 tot een definitieve stopzetting van de China-migratie.
De werving van Javanen vertoonde grote gelijkenis met die van de Chinezen. Ook de werving van Javanen was aanvankelijk in handen van particuliere werfkantoren in de havenplaatsen op Java. Misbruiken leidde ertoe, dat de werving in 1909 onder gouvernementstoezicht kwam.
Wervingsordonnantie 1909, 10 februari 1909, Ind.Stb. nr. 123; gewijzigd en aangevuld: 1914 Ind.Stb. nr. 613; 1915 Ind.Stb. 181, 423 en 693.
In 1915 werd, buiten de beroepswerving om, het Algemeen Delisch Emigratie Kantoor (ADEK) geopend. In 1928 werd ter bevordering van de "laukeh-werving" de Vrije Emigratie der Deli Planters Vereeniging en de Algemene Vereeniging voor Rubberplanters ter Oostkust van Sumatra (AVROS), kortweg VEDA, gesticht. Door de eigen organisaties van de planters was het arbeidsveld van de beroepswerving zeer klein geworden. In 1930 werd de beroepswerving afgeschaft.
Reglementering.
De eerste bepalingen van overheidswege met betrekking tot het arbeidsvraagstuk in de Buitenbezittingen dateren uit 1825, gewijzigd en aangevuld in 1868. De bepalingen betroffen algemene regels omtrent de registratie van in het buitenland geworven werklieden en de met hen te sluiten kontrakten.
Zie Ind. Stbl. 1825, nr. 44, art. 26 e.v.
Het ontstaan van een in omvang en betekenis toenemende bakscultuur maakte echter de totstandkoming van een afzonderlijke arbeidswetgeving wenselijk.
In 1880 trad de eerste koelie-ordonnantie voor het gewest Oostkust van Sumatra in werking. Door het gebrek aan voldoende inheemse werkkrachten, waardoor de cultuurondernemingen genoodzaakt waren elders arbeiders te werven, kwam de regering tegemoet aan de wensen van de planters om de arbeidsregeling uit te breiden met strafbepalingen, die het nakomen van een arbeids-kontrakt verzekerde.
De koelie-ordonnantie van 1880 (Ind.Stbl. 1880, nr.133), herzien in 1889 (Ind.Stbl. 1889, nr.138). Deze ordonnantie vond naar verloop van tijd in de meeste buitengewesten ingang en berustte op het beginsel, dat ook arbeiders van buiten Nederlands-Indië onder de (straf)bepalingen van die ordonnantie vielen.
De strafbepalingen (de zgn. "poenale sanctie"), opgenomen in de ordonnanties, brachten al snel pennen en gemoederen in beweging. Van de zijde van de critici wer gewezen op de eenzijdige bescherming van werkgeversbelangen en de onvoldoende garanties tegen misbruiken. De ondernemers van hun kant ijverden voor de instandhouding van de "poenale sanctie" op grond van de door hen opgedane ervaringen in de praktijk.
De poenale sanctie werd van kracht, wanneer de arbeider inbreuk maakte op zijn werkkontrakt, zoals: a. tijdstip, waarop hij op de onderneming moest zijn; b. desertie; c. voortgezette weigering om te werken. Overigens gold een soortgelijke regeling voor de Hindoestaanse en Javaanse kontraktanten in Suriname.
De koelie-ordonnantie met de "poenale sanctie", in 1915 gewijzigd en aangevuld, bleef tot het eind van de jaren '20 van deze eeuw gehandhaafd. Toenemend verzet tegen arbeidskontrakten met strafbepalingen, zowel nationaal als ook internationaal (Internationale Arbeidsorganisatie te Genève) leidde tot een geleidelijke afschaffing van de "poenale sanctie". In 1936 werd de koelie-ordonnantie opnieuw herzien, waarbij verregaande beperkingen ten aanzien van de arbeidskontrakten met strafbepalingen werden ingesteld. In december 1939 waren nog slechts 297 arbeidskontraktanten werkzaam op Sumatra's Oostkust, die vielen onder de bepalingen van de koelieordonnantie met strafsancties.
Arbeid en arbeidsomstandigheden.
In de brochure: N.V. Deli Maatschappij, Hoe zij ontstond en groeide (Medan 1931) wordt slechts summier het een en ander vermeld over de specifieke taken van de koelies en de sterk hiërarchische organisatie op elk niveau binnen de ondernemingen.
Zie inv.nr. 362, voorts de inv.nrs 25-36.
Uit de kring van koelies werd een beperkt aantal mensen naar voren gehaald met de opdracht werk te verdelen en toe te zien op de uitvoering. Aan het hoofd van het Chinese werkvolk stond een tandil en aan het hoofd van hen stond de hoofd-tandil; bij de Javanen was dat de "mandoer" en de hoofd-mandoer.
CONCESSIES
De landbouwconcessies, die de N.V. Deli Maatschappij via de inlandse vorsten verwierf, waren in hoofdzaak gelegen in de zelfbesturende landschappen Deli, Langkat en Serdang ter Oostkust van Sumatra. Een sluitend overzicht van op de concessiegronden gevestigde cultuurondernemingen is niet te geven. Bestaande bronnen zijn onvolledig en onbetrouwbaar. Cultuurondernemingen werden tussentijds gesloten en later, soms onder een andere naam, heropend. Ook werden ondernemingen samengevoegd of werden op bestaande concessies nieuwe cultuurondernemingen begonnen.
Zie: Broersma, R., De Oostkust van Sumatra: de ontluiking van Deli, Batavia 1919; blz. 42-51.
Lettend op de juridische aspecten van de totstandkoming van landbouwconcessies kunnen drie perioden worden onderscheiden:
- periode 1864-1876.
- periode 1877-1918.
- periode 1919-1957.
De eerste periode wordt gekenmerkt door de grote mate van vrijheid, die planter en zelfbestuurder hadden bij het sluiten van een concessie-overeenkomst. De overeenkomst werd gesloten op basis van een persoonlijke verbintenis tussen de zelfbestuurder van het betreffende landschap en de planter. De bestuurlijke invloed van het gouvernement beperkte zich tot de goedkeuring van het concessiekontrakt door de resident. In de meeste gevallen had de goedkeuring van het kontrakt slechts de betekenis van een "opschortende voorwaarde" d.w.z. reeds voor de goedkeuring waren de beide partijen gebonden. De voorwaarden, waaronder de concessiekontrakten werden gesloten, waren zeer uiteenlopend. Van enige uniformiteit was geen sprake. De kontrakten bevatten doorgaans slechts summiere bepalingen omtrent de duur van het kontrakt (75, 99 jaar), omtrent de pachtsom en de huldegift (presen tanah) en omtrent het afstaan van gronden aan de plaatselijke bevolking. Van de pioniers van het eerste uur is bekend, dat zij de concessiegronden verwierven op voor hen uiterst voordelige voorwaarden. Een pachtsom werd bijvoorbeeld in de beginjaren niet of nauwelijks betaald. J. Nienhuys kon er op bogen, dat hij een overeenkomst was aangegaan voor de duur van 99 jaar, waarin als voorwaarde stond, dat hij zoveel grond mocht nemen als hij in 5 jaar kon bebouwen.
Gebrek aan uniformiteit en de grote toename van uitgifte van concessiegronden waren voor het gouvernement aanleiding om de overeenkomsten aan vastgestelde regels te onderwerpen. Bij gouvernementsbesluit van 27 januari 1877 werd de uitgifte van landbouwconcessies gebonden aan zgn. model-akten van concessie, opgemaakt en gelegaliseerd door de resident. De model-akten werden, al naar gelang de praktijk dit vereiste, in de loop der jaren gewijzigd en aangevuld.
Voor de geschiedenis van de model-akten kan worden verwezen naar de monografie van mr. H.J. Bool, De landbouwconcessies in de Residentie Oostkust van Sumatra.
Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling; Het archief van G. Jansen (1894-1978) over de jaren 1908-1935, inv.nr.37. Het archief heeft vnl. betrekking op het Gemeentelijk Bureau voor Grondzaken in Medan, dat vanaf 1 november 1919 onder leiding stond van G. Jansen. Het vormt een belangrijke informatiebron over het vraagstuk van de conversie.
In deze publicatie zijn tevens voorbeelden van de model-akten van 1878, 1884 en 1892 opgenomen.
In de laatste periode stond het vraagstuk van de conversie, omzetting van landbouwconcessies in erfpacht, centraal. Het vraagstuk werd gekenmerkt door een complex van historische, economische en juridische facetten.
Het doel van de conversie was om het beter verhandelbare zakelijk recht van erfpacht in de plaats te stellen van de oude concessie-overeenkomst. Vooral waar het ging om de toekenning van landbouwgronden aan de "rechthebbende" bevolking, hetgeen een onderdeel vormde van de door de zelfbestuurder en planter gesloten overeenkomst, dreigde een botsing van belangen. Het economisch belang (zomin mogelijk grondafstand) van de planter was onverenigbaar met het agrarisch belang van de plaatselijke bevolking.
In de regel had de inheemse bevolking recht op een deel van de "djaloerans" (afgeoogste tabaksvelden) en 4 ha akkerland. Aan deze plicht van de zijde van de concessionaris werd niet altijd voldaan, waardoor konflikten niet uitbleven. Zie tevens noot 23.
Ondanks de regulerende werking van de eerder genoemde model-akten van concessie bleven konflikten niet uit. Na langdurige voorbereiding kwam in 1919 de "erfpacht-ordonnantie voor de zelfbesturende landschappen buiten Java en Madoera" tot stand.
Bij K.B. van 6 mei 1915 vielen de agrarische aangelegenheden in de zelfbesturende landschappen onder de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek van Nederlands-Indië (Ind. Stbl. 1915, nr. 474). Als uitvloeisel van dit besluit kwam o.a. de Erfpachtordonnantie 1919 tot stand.
De invoering van de erfpachtordonnantie stuitte bij de zelfbestuurders van de landschappen Deli, Langkat en Serdang op grote bezwaren. De zelfbestuurders van genoemde landschappen ontleenden hun positie aan een omvangrijk politiek kontrakt, waardoor een eenzijdige invoering van de erfpachtordon-nantie van de zijde van het gouvernement werd aangemerkt als aantasting van de bestuurlijke bevoegdheden van de zelf-bestuurders.
De bestuurlijke verhouding tussen gouvernement en de zelfbesturende landschappen werd bepaald door de zgn. politieke kontrakten, die het Gouvernement in de loop van de 19e eeuw had gesloten met de diverse vorstendommen in de Buitengewesten. Onderling weken deze kontrakten sterk af. Bij de politieke kontrakten met de "korte verklaring", waarbij de zelfbestuurder bereid bleek de door het gouvernement af te kondigen ordonnanties te respekteren, werd de erfpachtordonnantie van 1919 ingevoerd (l februari 1920, Ind.Stbl. 1919, nr. 821).
De opzichzelf begrijpelijke houding van de zelfbestuurders leidde tot een jarenlange vertraging van de conversie. In 1935 werd op aandringen van de regering het "Conversie Bureau" opgericht onder leiding van assistent-resident A.S.L. Spoor. Het Conversie Bureau moest trachten de betrokken partijen, gouvernement, planters en zelfbestuurders, tot elkaar te brengen. De onderlinge strijdpunten betroffen in hoofdzaak: bijstelling van de erfpachtordonnantie 1919, de grondafstand, de presen tanah (huldegift) en de hacil tanah (pacht, canon).
Rapport van B. Bavinck, resident van het gouvernement Sumatra's Oostkust, inv. nr. 8.
Bijstelling van de erfpachtordonnantie werd bereikt door de inpassing van een "overeenstemmingsformule" in de ordonnantie, hetgeen inhield dat de uitvoering van de ordonnantie geschiedde met instemming van het zelfbestuur.
De grondafstand vormde een aanzienlijk groter probleem. Zoals boven reeds aangegeven stonden bij dit probleem de belangen van de plaatselijke bevolking tegenover die van de cultuurondernemingen.
Reid, A., The Blood and The People: Revolution and the end of traditional rule in Northern Sumatra; Oxford, 1979.
Oplossing van het probleem werd bemoeilijkt door tal van juridische vraagstukken, o.a. welk deel van de bevolking kon worden aangemerkt als de "rechthebbende" bevolking.
"Rechthebbende" bevolking was de bevolking, die ten tijde van de uitgifte van concessiegronden de landbouwgronden occupeerden (rayat bumiputra sejati = eigenlijke rechthebbenden). Bij de grondafstand, als onderdeel van de conversie, werd het begrip "rechthebbende" bevolking ruimer gedefiniëerd. Zie tevens het rapport van resident Bavinck, inv. nr. 8.
Bovendien wilden de cultuurondernemingen af van het "djaloeran-systeem".
Tabak was een gewas, dat de grond snel uitputte. Cultuurtechnisch onderzoek van het Deli Proefstation had uitgewezen, dat, om een kwaliteitsprodukt te leveren, de "djaloerans" (afgeoogste velden) gemiddeld 8 jaar braak moesten blijven liggen. In die periode dienden de velden teruggegeven te worden aan de plaatselijke bevolking, die ze vaak beplantte met gewassen, die volgens de Deli Maatschappij onvoldoende rust gaven aan de grond.
Bij de presen tanah en de hacil tanah stond vanzelf het kosten-baten aspekt centraal.
Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en de Japanse bezetting van Nederlands-Indië kwamen op het moment waarop de meeste knelpunten in het overleg tussen de betrokken partners waren weggenomen. Sociale en politieke ontwikkelingen na de oorlog schiepen echter nieuwe problemen, waardoor het overleg stagneerde. In de na-oorlogse situatie kreeg de Deli Maatschappij te kampen met de z.g. "onwettige grondoccupaties" van de plaatselijke inlandse bevolking, die door nood gedwongen de gronden van de cultuurmaatschappijen waren gaan gebruiken voor de voedselproduktie. De kwestie van de conversie was hiermee geheel van de baan. Bij presidentieel besluit no. 195 van 1953 werd een staatscommissie ingesteld, die oplossingen moest voorstellen. Uiteindelijk kwam men tot een compromis, waarbij de cultuurmaatschappijen omvangrijke terreinen moesten afstaan aan de plaatselijke bevolking.
Zie inv.nr. 9.
PLANTERSORGANISATIES
Al vroeg werd door de verschillende cultuurondernemingen een begin gemaakt met de gemeenschappelijke belangenbehartiging. Deze moest paal en perk stellen aan de onderlinge concurrentie tussen de maatschappijen.
De grote initiatiefnemer was J.T. Cremer, van 1871 tot 1883 administrateur van de Deli Maatschappij.
Het bij de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief berustende familie-archief Cremer (codenummer inventaris 2.21.43) bevat waardevolle informatie over periode 1871-1883, waarin J.T. Cremer zijn funktie van administrateur van de N.V. Deli Maatschappij bekleedde. Zie inv. nrs. 242-252.
Op zijn voorstel werden in 1877 en 1878 de eerste "planters-overeenkomsten" gesloten, waarbij de planters zich onderling verbonden tot gemeenschappelijke maatregelen ten aanzien van produktie van en handel in tabak en de arbeidswerving. De initiatieven van Cremer leidden in 1879 tot de oprichting van de eerste vereniging, de Deli Planters Vereeniging, kortweg DPV, die zich ten doel stelde de belangen van landbouw en industrie ter Oostkust van Sumatra te bevorderen.
De dagelijkse leiding van de DPV werd toevertrouwd aan een comité, het Planters Comité.
Zie inv.nr. 283.
Het op de eerste vergadering gekozen comité bestond uit J.T. Cremer, M.J. Tiele en J. Cramer. Direkte aanleiding tot de oprichting van de DPV hing samen met de wens om het geheel van arbeidsvoorwaarden te uniformeren.
Een tweede organisatie, de Algemene Vereeniging van Rubberplanters ter Oostkust van Sumatra, kortweg AVROS, werd opgericht in 1910 en stelde zich ten doel door wetenschappelijke benadering van alle cultuurvraagstukken, de belangen van de landbouwcultures en aanverwante industrieën (met uitzondering van tabak) te behartigen. De leiding werd toevertrouwd aan 6-10 leden, waaronder een president. Een dagelijks bestuur behartigde de lopende zaken. De besluiten van de verenigingen waren voor alle leden bindend. De DPV en de AVROS zouden ieder op hun eigen terrein uitgroeien tot de officiële spreekbuis van de bij hen aangesloten tabaks- en rubbermaatschappijen. Vooral op het gebied van de arbeidswetgeving en de agrarische regelingen (conversie) speelden beide verenigingen als pressiegroepen een hoofdrol.
Jaarverslagen van de Deli Planters Vereeniging, inv.nrs. 304-305.
In november 1917 werd op initiatief van de N.V. Deli Maatschappij in Amsterdam het "Informatiebureau voor de Tabakscultuur ter Oostkust van Sumatra", kortweg het "Tabaksbureau", opgericht. Het Tabaksbureau ging fungeren als het Nederlandse equivalent van de DPV in Nederlands-Indië. Als secretaris trad op mr. H.J. Bool, oud-secretaris van de DPV te Medan. Het Tabaksbureau bewoog zich voornamelijk op het gebied van de voorlichting over de instandhouding en ontwikkeling van de tabakscultuur ter Oostkust van Sumatra. Door het gratis verstrekken van inlichtingen en het beschikbaar stellen van literatuur e.d. trachtte het Tabaksbureau de soms "negatieve beeldvorming" in de media in Nederland ten aanzien van de cultuurmaatschappijen in Nederlands-Indië te corrigeren.
Gedenkboek N.V. Deli Maatschappij 1941, blz.100-112, inv.nr. 37.
PRODUKT, TRANSPORT EN HANDEL
Produkt
De eerste planters, waaronder de latere medeoprichter van de Deli Maatschappij, J. Nienhuys, legden zich toe op de teelt van en handel in tal van landbouwgewassen, zoals: nootmuskaat, zwarte peper, meekrap, koffie, cacao en tabak. Een snelle groei van de tabakscultuur werd in de pionierstijd (ca. 1863-1880) ondenkbaar geacht. Men had destijds de overtuiging en de ervaring, dat op dezelfde grond slechts eenmaal met succes tabak kon worden geplant. Proeven met herbeplanting van gronden, die gemiddeld drie tot vier jaar braak hadden gelegen, wettigden deze overtuiging. Het experimenteren met tal van andere landbouwgewassen was een middel om bij het mislukken van de tabakscultuur de bedrijfszekerheid te garanderen.
Door de toepassing van verbeterde wisselcultuurtechnieken ging vanaf de beginjaren '80 de tabaksteelt een overheersende positie innemen ten koste van de overige landbouwgewassen. De explosieve groei van de tabaksteelt kan worden geïllustreerd aan de hand van produktie- en opbrengstcijfers, in perioden van tien jarenblokken:
Produktie- en opbrengstcijfers
| OOGSTJAAR |
TOTALE PRODUKTIE in pakken |
DELI MIJ. in pakken |
OPBRENGSTEN Deli Mij. |
OPBRENGSTEN totaal |
| 1874 |
12.895 |
4.499 |
1.066.803 |
2.850.000 |
| 1884 |
124.911 |
26.281 |
6.436.743 |
27.550.0 |
| 1894 |
193.334 |
56.655 |
10.959.343 |
37.600.000 |
| 1904 |
233.975 |
53.539 |
8.936.730 |
35.800.000 |
| 1914 |
246.543 |
60.725 |
9.378.369 |
35.800.000 |
| 1924 |
207.618 |
72.560 |
33.934.000 |
88.200.000 |
Het overzicht betreft de totale produktie van Sumatra-tabak en de produktie van de eigen cultuurondernemingen van de N.V. Deli Maatschappij. Het aandeel, dat de Deli Maatschappij genoot, hetzij direkt door sluiting van consignatiekontrakten, hetzij indirekt door het geven van voorschotten op de tabaksoogst van andere tabaksmaatschappijen, is niet in het overzicht opgenomen. Voor de produktiecijfers in de periode 1925-1940 kan worden verwezen naar de jaarverslagen van de Deli Planters Vereeniging (inv.nrs 304-305) en de jaarverslagen van de Handelsvereeniging Medan (inv.nrs. 354-355).
In het begin van de 20e eeuw werd door de N.V. Deli Maatschappij, zij het met de nodige terughoudendheid, een aanvang gemaakt met de aanleg van rubber-aanplantingen (gom-elastiek aanplant) op gronden van de concessie Batang Serangan. Door de overname van de Langkat Compagnie (1920) kreeg de Deli Maatschappij de beschikking over de rubberonderneming Tandjong Kleling. In dezelfde tijd werden proeven genomen met sisal, koffie, thee en oliepalmen. Vergeleken met de tabaksteelt speelden de genoemde gewassen een relatief onbeduidende rol.
Overzicht van de aanplantingen van de gezamenlijke cultuurmaatschappijen aan de Oostkust, 1914 en 1933.
| Culture |
1914 Aanplant in ha |
1914 Produkt in ha |
1914 Produktie in kg |
1933 Aanplant in ha |
1933 Produkt in ha |
1933 Produktie in kg |
| Rubber |
75.093 |
16.579 |
6.431.773 |
283.333 |
178.438 |
77.535.423 |
| Tabak |
23.341 |
23.341 |
19.723.440 |
16.812 |
16.812 |
13.387.628 |
| Thee |
--- |
--- |
--- |
22.117 |
19.534 |
13.327.775 |
| Palmolie |
--- |
--- |
--- |
62.771 |
39.321 |
80.941.775 |
| Kopra |
5.144 |
--- |
--- |
5.247 |
4.307 |
3.096.912 |
| Koffie |
14.991 |
6.160 |
--- |
3.539 |
2.960 |
1.099.866 |
Transport en handel
De infrastruktuur van Sumatra's Oostkust (wegennet, communicatielijnen) verkeerde in de beginperiode (1863-1880) in een primitieve staat. De planters waren op zichzelf aangewezen. Het vervoer van de tabak en overige gewassen, bestemd voor de Europese en Amerikaanse markten, geschiedde aanvankelijk per ossekar en prauw. De export van de landbouwgewassen naar de westerse markten verliep via de grote havens Penang en Singapore. Op initiatief van J.T. Cremer, toen administrateur van de Deli Maatschappij, werd in 1883 de eerste partikuliere spoorwegmaatschappij, de Deli Spoorweg Maatschappij, opgericht. In het begin besloeg het spoorwegnet slechts 53 km, in 1907 was dat uitgebreid tot 263 km en in 1937 tot 553 km. Het spoorwegnet vormde al spoedig de ruggegraat van het gehele cultuurgebied voor afvoer van de voor de export bestemde landbouwgewassen. Door de ontwikkeling van de Deli Spoorweg Maatschappij en de in 1888 tot stand gekomen spoorwegverbinding tussen Medan en Belawan groeide de laatstgenoemde plaats uit tot een belangrijke aan- en afvoerhaven. De ontwikkeling van Belawan maakte de "omweg" naar Penang en Singapore overbodig.
Het centrum van de tabakshandel in Sumatra-tabak was Amsterdam. Eenmaal vanuit Belawan aangekomen in Amsterdam werd de tabak opgeslagen in veempakhuizen. De pakhuizen van de Deli Maatschappij waren ondergebracht in het Purperhoedenveem, een dochter van de Deli Maatschappij. De tabak werd bij inschrijving verkocht. De verkoop vond plaats op geregelde tijden van maart tot oktober. Tabaksmakelaars beoordeelden en taxeerden de tabaksmonsters voor de inschrijving en deelden hun bevindingen mede aan de importeurs en cliënten.
In 1939 werd de tabaksoogst bij inschrijving verkocht in Medan vanwege de onzekere politieke situatie in Europa.
De rol van de Deli Maatschappij op de tabaksmarkt was toonaangevend. De tabaksproduktie werd via de door de Deli Maatschappij overeengekomen consignatiekontrakten op de markt gebracht.
De kwalitatief mindere tabak, ongeschikt voor de westerse markten, werd verkocht in Nederlands-Indië en de naburige landen in Oost-Azië door een van dat doel opgerichte "Centrale voor de Verkoop van Deli-tabak
RESEARCH
Tot 1892 was de aandacht voor wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van de tabakscultuur gering. Een hardnekkige ziekte (bibitziekte) vormde de aanleiding tot wetenschappelijk plantkundig onderzoek
De "bibitziekte" werd veroorzaakt door een schimmel, die de zaadbedden aantastte. Zie ook D.J. Sanders, Handleiding voor de Deli-tabakscultuur, Amsterdam 1924, blz. 135.
. In samenwerking met de grote tabaksmaatschappijen werd een overeenkomst aangegaan met 's Lands Plantentuin. In 1895 vond de oprichting plaats van een Proefstation voor Deli-tabak. Het proefstation werd ondergebracht in de organisatie van 's Lands Plantentuin in Buitenzorg.
Al snel bleek dat het wetenschappelijk onderzoek belemmering ondervond door het feit, dat het onderzoek in Buitenzorg plaats vond, terwijl het veld van studie in Deli lag. Om aan deze bezwaren tegemoet te komen werd in 1906 de vereniging "Het Deli-Proefstation" opgericht, met als standplaats Medan. Naast het zuiver wetenschappelijke werk van chemici en botanici werden landbouwkundigen aangetrokken, die door hun opleiding een algemeen inzicht hadden in de problematiek van de groot-cultures. Zij vormden een schakel tussen dagelijkse praktijk en wetenschap. In 1923 werd de vereniging "Het Deli-Proefstation" om administratieve redenen opgeheven en ondergebracht bij de Deli Planters Vereeniging.
Onderzoeksresultaten en belangrijke vraagstukken werden gepubliceerd in de "Mededeelingen van het Deli Proefstation"
Zie inv.nrs. 311-323.
.
UITBREIDING
Bij de oprichting had de N.V. Deli Maatschappij de beschikking over een areaal van circa 7.000 ha (10.000 bouw). In de loop der jaren werd de totale oppervlakte belangrijk uitgebreid. In 1931 bedroeg het areaal inmiddels 180.000 ha (260.000 bouw), verdeeld in 31 ondernemingen: 26 tabaks- en 4 rubberondernemingen en 1 oliepalmonderneming. Een belangrijk deel van deze uitbreidingen is toe te schrijven aan de concentratie en fusie van (ondernemers)belangen. Een belangrijk jaar is in dit verband 1920. In dat jaar werden overgenomen:
- het landkontrakt Saint Cyr van de Deli-Langkat Tabak Maatschappij;
- de concessie "Arnhemia" van de Rotterdam-Deli Maatschappij;
- de landkontrakten Rotterdam A en B en Soengei Sikambing van de N.V. Tabak Maatschappij Senembah;
- de Amsterdam-Langkat Compagnie.
In hetzelfde jaar werd door de grote tabaksondernemingen de cultuurmaatschappij "De Oostkust" opgericht. Het ging om een samenwerkingsverband waarin de N.V. Deli Maatschappij, de Deli-Batavia Maatschappij, de Senembah Tabak Maatschappij en Tabak Maatschappij Arendsburg voor gemeenschappelijke rekening de bezittingen van de Rotterdam-Deli Maatschappij overnamen. Deze aankoop had voornamelijk betrekking op een uitbreiding van de tabakscultuur.
De navolgende tabel geeft een overzicht van geschat Westers kapitaal in cultuurondernemingen aan de Oostkust. Van het totaal der beleggingen -ruim 684 miljoen- was 54% Nederlands en 46% kwam voor rekening van andere nationaliteiten. De Britse beleggingen waren hoofdzakelijk gericht op de rubber- en theecultuur; de Amerikaanse uitsluitend op de rubberaanplant. De tabaks- en vezelcultuur was vrijwel geheel in Nederlandse handen.
Westers kapitaal belegd in cultuurondernemingen aan de Oostkust, 1920 (bedragen in duizenden guldens)
| Nationaliteit |
Rubber |
Tabak |
Olie palm |
Thee |
Klapper |
Vezel |
Totaal |
| Nederl. |
143.927 |
100.000 |
53.572 |
27.118 |
3.289 |
40.000 |
367.906 |
| Brits |
105.374 |
- |
3.738 |
13.938 |
787 |
- |
123.837 |
| Amerik. |
74.854 |
- |
- |
- |
- |
- |
74.854 |
| Fr/Belg. |
47.920 |
3.000 |
30.926 |
- |
- |
- |
81.846 |
| Japans |
9.478 |
- |
2.515 |
- |
- |
- |
11.993 |
| Zwits. |
3.508 |
750 |
- |
- |
- |
- |
4.380 |
| Duits |
3.660 |
- |
3.405 |
3.198 |
122 |
- |
10.263 |
| Andere |
7.945 |
- |
- |
- |
- |
- |
7.945 |
| Totaal |
396.666 |
103.750 |
94.156 |
44.254 |
4.198 |
40.000 |
683.024 |
Tot 1920 was het belang dat de Deli Maatschappij had in de "overjarige cultures" van ondergeschikte betekenis. Na 1920 zouden deze cultures meer aandacht krijgen. In 1923 nam de Deli Maatschappij deel in de N.V. Kota Pinang Cultuur Maatschappij. Deze maatschappij legde zich toe op de produktie van sisal, een vezelstof. De bedrijfsresultaten van deze maatschappij waren echter teleurstellend. In 1953 werd de N.V. Kota Pinang Cultuur Maatschappij opgeheven.
In 1926 werd in samenwerking met de grote tabaksmaatschappijen de Cultuur Maatschappij Batang Sangir opgericht, gelegen in de afdeling Solok, residentie Sumatra's Westkust. Met de oprichting van deze maatschappij werd een begin gemaakt met de exploitatie van koffie-, thee- en kinacultures. De Cultuur Maatschappij Batang Sangir werd in 1953 opgeheven.
Belangrijke uitbreidingen van de Deli Maatschappij na 1930 vonden plaats in de periode na de Tweede Wereldoorlog. Het ging dan om fusies, die moeten worden gezien in samenhang met de afnemende aktiviteit in Indonesië na de soevereiniteitsoverdracht en de daaruit voortvloeiende reorganisatie van de N.V. Deli Maatschappij.
REORGANISATIE EN HERORIENTATIE
De jaren 1940-1945 kunnen worden aangemerkt als een interimperiode. De bedrijven in Indië stonden tijdens de Japanse bezetting op non-aktief. In mei 1940 werd de statutaire zetel van de Deli Maatschappij verplaatst van Amsterdam naar Medan. In 1942 werd de het hoofdkantoor van de maatschappij in Amsterdam onder beheer van de Duitse bezetter gesteld. Als beheerder werd aangesteld F. Jarl. Door de onderbeheerstelling werd de direktie gedwongen tot samenwerking met de Duitse bezetter.
Zie inv.nrs. 63-66.
Al snel werd duidelijk, dat de Duitsers belangstelling hadden voor de "know how" van de cultuurmaatschappijen op het gebied van landbouwcultures. Ze wilden de ervaring van de Indische cultuurondernemingen benutten bij de economische ontsluiting van Oost-Europa in het kader van de door hen gepropageerde "Ostkolonisation". Tot een daadwerkelijke exploitatie in Oost-Europa is het niet gekomen. Het door de Duitsers geëntameerde "Oekraine-projekt" kwam de voorbereidingsfase niet te boven.
Zie inv.nr. 66.
In januari 1944 werd de onderbeheerstelling opgeheven.
De periode na de oorlog wordt gekenmerkt door afnemende aktiviteiten in Indonesië en daarmee samenhangende reorganisaties, die ten doel hadden de basis van de Deli Maatschappij te verleggen. Het navolgende overzicht geeft een inzicht in het verloop van de geografische belangen van de maatschappij in de periode 1940-1956, ontleend aan gepubliceerde balansgegevens:
Omzet, 1940-1956 (in duizenden guldens)
|
Indon. |
Amerika |
Nederl. |
Overige landen |
Totaal act-pass |
Kapitaal |
| Eind 1940 |
15.126 |
- |
23.317 |
- |
38.443 |
25.654 |
| % [perc] |
39 |
- |
61 |
- |
100 |
|
| Eind 1947 |
18.057 |
6.182 |
9.691 |
- |
33.930 |
25.654 |
| % [perc] |
53 |
18 |
29 |
- |
100 |
|
| Eind 1948 |
25.470 |
6.182 |
21.095 |
- |
52.747 |
40.000 |
| % [perc] |
48 |
12 |
40 |
- |
100 |
|
| Eind 1949 |
36.095 |
6.448 |
10.738 |
- |
53.281 |
40.000 |
| % [perc] |
68 |
12 |
20 |
- |
100 |
|
| Eind 1950 |
30.124 |
6.235 |
16.854 |
261 |
53.474 |
40.000 |
| % [perc] |
56 |
12 |
32 |
- |
100 |
|
| Eind 1951 |
28.515 |
6.235 |
18.714 |
239 |
53.703 |
40.000 |
| % [perc] |
53 |
12 |
35 |
- |
100 |
|
| Eind 1952 |
28.500 |
9.254 |
16.151 |
239 |
54.144 |
40.000 |
| % [perc] |
53 |
17 |
30 |
- |
100 |
|
| Eind 1953 |
29.100 |
26.161 |
35.039 |
239 |
90.539 |
62.355 |
| % [perc] |
32 |
29 |
39 |
- |
100 |
|
| Eind 1954 |
31.644 |
35.685 |
24.082 |
713 |
92.124 |
64.537 |
| % [perc] |
34 |
39 |
26 |
1 |
100 |
|
| Eind 1955 |
29.644 |
49.323 |
13.075 |
836 |
92.878 |
64.600 |
| % [perc] |
32 |
53 |
14 |
1 |
100 |
|
| Eind 1956 |
29.644 |
55.582 |
8.864 |
1.788 |
95.878 |
65.507 |
| % [perc] |
31 |
58 |
9 |
2 |
100 |
|
Uit het overzicht valt af te lezen, dat de Deli Maatschappij haar werkterrein in de Verenigde Staten van Amerika gestadig uitbreidde. Deze tendens zette zich voort tot de beginjaren '60.
In 1953 werd de fusie tussen de N.V. Deli Maatschappij, de Deli Batavia en de Deli-Batavia Rubber Maatschappij tot stand gebracht. De fusie tussen de drie maatschappijen was een logisch gevolg van de onderlinge samenwerking direkt na de oorlog op het gebied van de tabaksproduktie en verkoop. De fusieprocedure werd met het oog op de kosten zo eenvoudig mogelijk gehouden. Er werd afgezien van een nieuw op te richten naamloze vennootschap. De aandeelhouders van de maatschappijen werd de mogelijkheid geboden om de aandelen van de maatschappijen om te ruilen in aandelen van de N.V. Deli Maatschappij, waarna de maatschappij haar naam veranderde in N.V. Verenigde Deli Maatschappijen (hierna afgekort als VDM). In 1954 werd de Tabak Maatschappij Arendsburg, die in liquiditeitsproblemen verkeerde, overgenomen.
In de navolgende jaren leidde de onzekere politieke situatie in Indonesië tot ingrijpende reorganisatie van de VDM. Nadat door de Indonesische autoriteiten in december 1957 aan de VDM en haar dochterondernemingen het beheer van hun bedrijven werd ontnomen, volgde in begin 1959 de nationalisatie van de bedrijven door de Indonesische regering. In februari 1959 werd een overeenkomst gesloten tussen tabakshandelaren uit Bremen en de Indonesische regering, waarbij de verkoop van tabak, afkomstig van de VDM, werd toevertrouwd aan een voor dat doel opgerichte Deutsch-Indonesische Tabak Handelsgesellschaft m.b.H. te Bremen. De VDM startte daarop een procedure bij het Landesgericht te Bremen met het doel een gerechtelijk beslag te laten leggen op de inmiddels in Bremen aangevoerde tabak. Deze juridische strijd, bekend onder de naam "Het Bremenproces", sleepte zich jarenlang voort en werd uiteindelijk in der minne geschikt. Overigens werden de in 1958 verbroken kontakten van de Deli Maatschappij met de Indonesische regering in 1963 weer hersteld.
Zie inv.nrs. 119-155 en het jaarverslag 1963 inv.nr. 40.
Een jaar eerder had reeds een belangrijke herstrukturering van de VDM plaatsgevonden. In 1958 werd de "Holding Company" N.V. Deli Maatschappij opgericht, welke houdster was van de aandelen van de ingebrachte werkmaatschappijen, die elk een eigen belangensfeer bestreken.
Reorganisatie 1958
Onderstaand overzicht van de dochtermaatschappijen van de N.V. Delimaatschappij is een momentopname. In grote lijnen bleef de organisatie tot 1967 bestaan. Aanpassingen voltrokken zich veelal binnen de organisaties van de verschillende dochtermaatschappijen. Afzonderlijke gegevens over de Amerikaanse belangen van de N.V. Deli Maatschappij werden in het archief niet aangetroffen. Voor deze gegevens kan worden verwezen naar de jaarverslagen van de N.V. Deli Maatschappij, inv. nr. 40.
- N.V. Deli-Maatschappij Internationaal. In deze dochter werden alle Europese aktiviteiten van het moederconcern ondergebracht. De aktiviteiten bestonden in hoofdzaak uit:
- groothandel in tabak, rubber en koffie
- produktie van en handel in "gehomogeniseerde" bandtabak (HTL-procedé)
- algemene im- en exporthandel
Dochters:
- N.V. Purperhoedenveem
- N.V. Pakhuizen Exploitatie Maatschappij
- J. Goldschmidt & Zonen N.V.
- N.V. Beleggings- en Beheermaatschappij "de Amstel"
- N.V. Assurantie Bemiddeling Maatschappij A.B.M.
- Handelmaatschappij, voorheen firma P. Jennen, Jennen Automaten N.V.
- N.V. Gazan, Van der Linden en Co.
- HTL Tabak-Maatschappij N.V.
- N.V. Verenigde Deli-Maatschappijen. In de N.V. Verenigde Deli Maatschappijen werden de bedrijven, die in Indonesie werkzaam waren, ondergebracht. Na de nationalisatie van deze bedrijven werden de produktie van en de handel in tabak en overjarige cultures gestaakt. De bedrijven, slapende vennootschappen hadden nog slechts administratieve en juridische betekenis (zie o.a. stukken betreffende het "Bremen-proces", inv. nrs. 119-155).
Dochters:
- Deli-Djakarta Maatschappij N.V.
- Deli-Djakarta Rubber Maatschappij N.V.
- N.V. Tabak-Maatschappij Arendsburg
- N.V. Amsterdam-Langkat
- N.V. Deli Cultuur Maatschappij
- Waterleiding Maatschappij
- "Ajer Beresih" N.V.
- Imperial Agricultural Corporation
Dochters:
- Bridgforth Tobacco Compagny
- Imperial Briquet Corporation
- Imperial Commodities Corporation. De aktiviteiten van deze dochter richtten zich hoofdzakelijk op de internationale handel in rubber en tabak.
Dochters:
- Alan L. Grant Company (VS)
- Alan L. Grant Company (Can)
- De Hope Goldschmidt Corporation
- Imperial Securities Corporation
- American Sumatra Tobacco Corporation. De verbouw van tabak in de Verenigde Staten was geconcentreerd in de American Sumatra Tobacco Corporation (voor verwerking en handel van tabak zie groep II). De N.V. Deli Maatschappij bezat in 1958 55% van het uitstaande aandelenkapitaal. In 1965 werd de American Sumatra Tobacco Corporation een volwaardige Delidochter.
Het doel van deze nieuwe struktuur was het afscheiden van de belangen in Indonesië en het creëren van zuivere werkmaatschappijen, waarin als direktieleden zitting hadden degenen, die feitelijk met het management belast waren. Investeringen werden in versneld tempo doorgevoerd om te trachten zo spoedig mogelijk tot een goed rendement van het kapitaal en de reserves te komen. Reorganisaties en aanpassingen bepaalden ook het beleid in de jaren '60, dat gepaard ging met initiëring van nieuwe projekten en afstoting van niet-renderende investeringen. In 1967 werd besloten een einde te maken aan de overvloedige experimenten, die het beleid na het verlies van de bezittingen in Indonesië in sterke mate hadden bepaald. In 1967 werden een aantal grote projekten afgestoten en werden de werkzaamheden geconcentreerd op terreinen, die decennia lang het sterkste deel van de maatschappij hadden gevormd (zie bijlage 3).
Reorganisatie 1967
Dochtermaatschappijen van de N.V. Deli Maatschappij
|
Maatschappijen |
Produkt |
| I |
Koch Scheltema N.V., Rotterdam |
tabak |
| II |
Van Rees, Burcksen & Bosman's Handelsmaatschappij N.V. en Van Duin & Co. N.V., Rotterdam. |
thee, koffie en cacao |
| III |
N.V. Deli-HTL Tabak Maatschappij, Eindhoven en Deutsch-Holländische Tabaksgesellschaft
Deutsch-Hollandische Tabakgesellschaft - 50% deelname
, Mannheim. |
tabak (bandtabak) |
| IV |
Corrie, MacColl and Son, Ltd en L.M. Fischel & Co. Ltd Londen. |
rubber, oliezaden, suiker en cacao |
| V |
Imperial Commodities Corporation en Alan L. Grant Company, New York. |
koffie, thee en rubber |
Vooral de belangen in de Verenigde Staten van Amerika werden in sterke mate beperkt. Het accent kwam te liggen op het bedrijf in Europa. Van de bovenvermelde groepen hadden de eerste drie hun hoofdzetel in Nederland, de vierde in Engeland en de vijfde in de Verenigde Staten van Amerika. Naast de direktieleden in Nederland hadden ook Londen en New York hun direktiezetel.