Nederlanders wagen graag een gokje. Al in 1726 wordt de voorloper van de Nederlandse Staatsloterij opgericht: de Generaliteitsloterij. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden worden maar liefst 120.000 loten verkocht. Ter vergelijking: driehonderd jaar later spelen meer dan één miljoen mensen met een abonnement mee met de Staatsloterij. Voor de speciale Oudejaarstrekking loopt dit aantal zelfs op tot miljoenen deelnemers, met bijna twintig miljoen beschikbare loten.
Gokje wagen
Gokken is van alle tijden. Ook in Nederland, waar ‘Wie niet waagt, die niet wint’ een bekend spreekwoord is, doen we graag mee in de hoop op financieel geluk. In de zeventiende en achttiende eeuw zijn loterijen voor bestuurders van dorpen en steden in de Republiek een veel gebruikte methode om de financiële middelen aan te vullen. Maar het wemelt ook van kleine, illegale loterijen. Om wildgroei tegen te gaan, besluiten de Staten-Generaal in 1726 een collectieve loterij te organiseren. Adolf Huske stuurt bij de prijsvraag de naam Generaliteitsloterij in en wordt daarvoor vorstelijk beloond. Hij krijgt vijfhonderd gulden; het jaarloon van een geschoolde arbeider.
Meteen is de Generaliteitsloterij een succes. In de Ridderzaal in Den Haag worden bij de start maar liefst 120.000 loten verkocht en gaat er een hoofdprijs uit van 30.000 gulden. De eerste trekking vindt plaats op 4 april van dat jaar.
Voor elk wat wils
De loten in de Generaliteitsloterij worden in de 18e en 19e eeuw verkocht in zes verschillende categorieën (‘klassen’) waarbij de inleg varieert tussen de vijf en twintig gulden. De hoogste prijs die wordt uitgekeerd is 100.000 gulden. Die valt in de zesde categorie, waarin het minste aantal loten wordt verkocht. Dit systeem zorgt ervoor dat de loterij voor verschillende sociale en economische klassen aantrekkelijk is. Na enkele tussentijdse naamswijzigingen wordt in 1848 de naam van de Generaliteitsloterij veranderd in Nederlandse Staatsloterij.
Franse tijd
De invulling en structuur van de Generaliteitsloterij wijzigt in de loop van de tijd geregeld. In de Franse Tijd (1794 – 1814) wordt de organisatie ervan, inmiddels omgedoopt in Koninklijke Nederlandsche Loterij, ingericht op het inzamelen van geld om de kosten van de Franse militaire bezetting en de oorlogsinspanningen van Napoleon te dekken. Maar ook voor publieke doeleinden zoals sociale voorzieningen en infrastructurele projecten. De loterij blijft populair, omdat er vaak grote geldprijzen te winnen zijn.
Kollekteurs, splitters en debitanten
De Fransen voeren voor de nationale loterij regels in en houden toezicht op de verkoop van loten en de prijsstructuur. In het reglement van 13 oktober 1812 wordt melding gemaakt van kollekteurs, splitters en debitanten en hun verantwoordelijkheden. Kollekteurs zijn verantwoordelijk voor het inzamelen van de betalingen en het distribueren van de loten aan de deelnemers. Splitters zijn degenen die een lot met meerdere mensen delen, waarmee ze de kans op winst hopen te vergroten. Een gewonnen prijs moeten ze wel delen op basis van hun inleg. De debitanten tenslotte zijn mensen die een betalingsachterstand hebben of nog niet hebben betaald voor hun deelname aan de loterij.
De grote winnaar
In 2016 fuseren de Nederlandse Staatsloterij en de Lotto tot de Nederlandse Loterij. Deze loterij voert nu meer dan zeven bekende kansspelen, waaronder ook Eurojackpot, Miljoenenspel, Krasloten en TOTO. Inmiddels heeft de Nederlandse Loterij er wat concurrentie bijgekregen van o.a. de Postcodeloterij, maar dat mag de ‘pret’ niet drukken. Een gokje wagen is nog altijd wat veel Nederlanders graag doen. En blijft de Staat de grote winnaar. In recente jaren droeg de Nederlandse Loterij jaarlijks ongeveer 91 miljoen euro direct af aan de staatskas, naast andere bijdragen aan sport en goede doelen.