Vandaag treedt het eerste kabinet-Jetten aan: een minderheidskabinet. Het heeft dus geen vaste meerderheid in de Tweede Kamer. Een minderheidskabinet is geen unicum in Nederland; diverse kabinetten steunden in het verleden op een minderheid in de Tweede kamer. Het kabinet-Cort van der Linden (1913–1918) wordt gezien als het eerste minderheidskabinet van Nederland.
Begin twintigste eeuw was het politieke landschap in Nederland erg versnipperd. De meningen van de partijen waren zeer verdeeld, met name over kwesties als het kiesrecht en onderwijs. Er was geen duidelijke meerderheid in de Tweede Kamer die een kabinet kon vormen.
Partijloze formateur
Bij de verkiezingen van 25 juni 1913 behaalden liberalen en sociaaldemocraten (SDAP) een meerderheid. Het lukte formateur Dirk Bos (Vrijzinnig-Democratische Bond) niet om een kabinet te vormen met de SDAP. Bos weigerde daarna om de mogelijkheden van een liberaal minderheidskabinet te onderzoeken. Daarop vroeg koningin Wilhelmina op 2 augustus aan Pieter Cort van der Linden (1846-1935), die zelf niet was aangesloten bij een politieke partij, om dat wel te doen.
Extraparlementair
Cort van der Linden ging voortvarend te werk. Nog voor het einde van die augustusmaand trad een extraparlementair kabinet aan met een partijloze premier en negen ministers van liberale en vrijzinnig-democratische huize. Het kabinet was extraparlementair omdat het niet kon rekenen op formele steun van politieke partijen in het parlement. Daarmee was het ook een minderheidskabinet. Om te benadrukken dat er geen band was met parlementaire fracties, zei Cort van der Linden dat zijn kabinet regeerde overeenkomstig de 'volkswil'. De sociaaldemocraten wilden het kabinet alleen steunen als er voorstellen kwamen voor het algemeen kiesrecht en een staatspensioen. Het kabinet zou het bijna vier jaar volhouden.
Schoolstrijd en kiesrecht
Het Nationaal archief bewaart het archief van Cort van der Linden. Hierin zit het (handgeschreven) regeringsprogramma van vier pagina’s. De belangrijkste plannen waren het regelen van de slepende onderwijskwestie (de ‘Schoolstrijd’) en de invoering van het algemeen mannenkiesrecht en passief vrouwenkiesrecht.
De kern van de Schoolstrijd was de eis van de confessionele partijen (protestanten en katholieken) dat het bijzonder onderwijs (christelijke scholen) financieel gelijkgesteld werd met het openbaar onderwijs, dat door de staat werd betaald. De gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs werd door het kabinet bereikt met de Grondwetswijziging van 1917. Daarin werd ook de invoering van het algemeen mannenkiesrecht mogelijk gemaakt. Dit was een eerste stap richting het algemeen kiesrecht voor mannen én vrouwen.
Eerste Wereldoorlog
Het kabinet-Cort van der Linden was nog geen jaar aan het werk toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Nederland kreeg in de eerste oorlogsmaanden met een grote stroom Belgische vluchtelingen te maken (in totaal ongeveer één miljoen); het Nederlandse leger werd gemobiliseerd en het kabinet nam maatregelen om het economische leven zoveel mogelijk overeind te houden. Gedurende de oorlog zorgden de blokkade van de geallieerden en de oorlogvoering op zee voor steeds grotere problemen bij de invoer van goederen. Door de voedselschaarste werd in 1916 de Distributiewet ingevoerd. Deze noodwet regelde een eerlijke distributie van schaarse goederen via een bonnenstelsel. Iedereen, arm of rijk, had hierdoor recht op een gelijke hoeveelheid levensmiddelen.
Neutraliteitspolitiek
Nederland koos onder de regering van Cort van der Linden voor een strikte neutraliteitspolitiek. Ondanks de oorlogsdreiging, is het de verdienste van de regering dat zij Nederland redelijk ongeschonden door deze periode wist te loodsen. In 1918 ontstond er wel een conflict toen generaal Cornelis Jacobus Snijders (1852-1939), opperbevelhebber van de Land- en Zeemacht, verklaarde dat verzet bij een Duitse inval zinloos zou zijn. Het leidde tot zijn ontslag. Tot grote ergernis van koningin Wilhelmina, die Snijders steunde.
Archiefwet (1918)
Deze kabinetsperiode is voor de archiefwereld ook interessant. Rond 1900 werd gewerkt aan het professionaliseren van het archiefwezen. Zo was in 1891 de Vereeniging van Archivarissen in Nederland (VAN) opgericht. Op initiatief van de VAN kwam er in 1918 een eerste Archiefwet. Hierin werd een aantal zaken vastgelegd, zoals: het principe van de overbrenging van archieven naar een archiefbewaarplaats; regels over de openbaarheid van archieven; vakbekwaamheidseisen voor archivarissen; vernietigingsvoorschriften en eisen voor archiefbeheer bij gemeenten, provincies en waterschappen. De nieuwe Archiefwet die dit jaar in de Tweede Kamer wordt behandeld, bouwt voort op deze beginselen.
Zelf onderzoek doen?