Suikerbieten, tulpenbollen of dahliaknollen – in het voorjaar van 1945 eet de Nederlandse bevolking in de nog bezette gebieden alles wat maar eetbaar is om te overleven. Maar dat lukt lang niet altijd; in het laatste oorlogsjaar sterven in het westen van Nederland meer dan 22.000 mensen door honger en kou. In het Nationaal Archief is veel terug te vinden over de Hongerwinter. Van voedselverstrekking via de Centrale Keukens tot recepten voor tulpenbrood en de voedseldroppings aan het eind van de oorlog.
Tweede Wereldoorlog, een lange finale
In juni 1944 landen geallieerde troepen in Normandië. Het eind van de Duitse bezetting is in zicht! In het najaar van 1944 bevrijden de geallieerden Zuid-Nederland. Maar de opmars stokt en de rest van Nederland moet nog tot het voorjaar van 1945 wachten op de bevrijding.
In september 1944 gaat een algemene spoorwegstaking van start. Door het vervoer van Duitse militairen en materieel te dwarsbomen, hoopt het spoorwegpersoneel de geallieerden te steunen. Als reactie leggen de Duitsers al het transport per schip naar het westen stil. Ook laten ze een deel van de brandstof- en voedselvoorraden die er nog zijn naar Duitsland vervoeren. Daardoor ontstaat in het midden en westen van Nederland een groot tekort aan voedsel en brandstof.
Koude en natte winter
Het zijn moeilijke maanden. Door het gebrek aan kolen worden in het najaar van 1944 elektriciteit en gas afgesloten. Zonder brandstof is er geen verwarming en kan er niet gekookt worden. Mensen gaan overal op zoek naar brandstof: ze halen hout uit leegstaande huizen, kappen bomen en halen houten blokjes uit tramrails. Alles wat kan branden, verdwijnt in de kachel.
Al heft de Duitse bezetter het vervoersverbod later weer op, door bevriezing is bevoorrading van brandstof en voedsel via waterwegen lang onmogelijk. In de steden moeten mensen urenlang in de rij staan voor winkels en gaarkeukens om nog iets te eten te krijgen. Tegen inlevering van bonnen en wat geld kunnen mensen karige rantsoenen in hun pannetje meekrijgen. Veel mensen ondernemen hongertochten naar het platteland om voedsel te kopen of te ruilen tegen sieraden of kleding.
Van bietenstamppot tot bollencake
Tijdens de Tweede Wereldoorlog voorziet het Voorlichtingsbureau van de Voedingsraad (de voorloper van het huidige Voedingscentrum), de Nederlandse bevolking van recepten voor tulpenbollen, suikerbieten en dahliaknollen. Tulpensoep, bietenstamppot, bollencake of gebakken dahliaknollen, er is van alles van te maken. Lekker of niet, de bollen en knollen zijn veilig te eten. In de gemeente Oegstgeest kunnen mensen 25 kilo tulpenbollen kopen voor 75 cent per kilo. De burgemeester verzekert de inwoners dat tulpenbollen 50% meer voedingswaarde dan aardappelen hebben en niet slecht voor de gezondheid zijn.
De nood stijgt
Tussen februari en april 1945 bereiken vijf voedselzendingen van het Rode Kruis uit Zweden en Zwitserland en van het Internationale Rode Kruis bezet Nederland. Ze zorgen voor een beetje verlichting, maar het is een druppel op een gloeiende plaat. Maar de herinneringen aan het wittebrood gebakken van het Zweedse meel zijn bijna legendarisch. De rantsoenen kunnen even omhoog om daarna weer dramatisch terug te zakken. Ondertussen zijn de prijzen op de zwarte markt enorm hoog. Wie het geld heeft, kan voor 60 gulden een half mud aardappels kopen of een brood voor 25 gulden.
Operatie Manna, Chowhound en Faust
Het duurt lang voordat de geallieerden in actie komen. De Britten en Amerikanen vinden dat voedselhulp niet belangrijker mag zijn dan het verslaan van Nazi-Duitsland. Ze houden daarom lang vast aan een blokkade. Pas in de laatste week van de oorlog schieten de geallieerden de hongerende bevolking in Nederland te hulp. Na moeizame onderhandelingen sluiten de geallieerden en de Duitse bezetter eind april 1945 een overeenkomst in het plaatsje Achterveld, vlakbij Amersfoort. Dit leidt tot de operaties Manna en Chowhound voor voedseldroppings per vliegtuig. Ook start operatie Faust voor voedseltransport over de weg.
Tussen 29 april en 8 mei droppen Britse en Amerikaanse bommenwerpers in meer dan 5000 vluchten bijna 8 miljoen kilo voedsel boven West-Nederland. In de voedselpakketten zitten onder andere bloem, gist, margarine, kaas, suiker, zout, melk- en eipoeder, vlees, gedroogde groenten, chocolade, thee, koffie, mosterd en biscuits. Ze worden met groot enthousiasme ontvangen.
Op 1 augustus 1945 stopt de noodhulp. Toch is de schaarste dan nog niet voorbij. Tot in de jaren vijftig blijven producten op de bon. In 1952 is, als laatste, ook koffie weer zonder bon te koop.
Zelf onderzoek doen? Bekijk dan:
- Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd, 1939-1945, archiefnummer 2.11.23.02, inv.nrs.192, 193
- Voorlichtingsbureau voor de Voeding en taakvoorgangers, archiefnummer 2.11.88, inv.nr. 10
- Gezondheidsraad LNV, archiefnummer 2.15.33, inv.nr. 478
- Losse aanwinsten betreffende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945), archiefnummer 2.22.17, inv.nr. 4
Of lees:
- Ingrid de Zwarte, De Hongerwinter (Amsterdam 2019)
- David Barnauw, De hongerwinter (Hilversum 1999) S30 25
- “Maak het toch gezellig!” Historische recepten van de hongerwinter tot nu (Den Haag, 2008) 503 C8