Molukkers naar Nederland

Aankomst Kota Inten, 1951. Foto: Joop van Bilsen / Anefo
22 juni 2026

Op 22 juni is het 75 jaar geleden dat het schip Kota Inten vanuit Indonesië in Rotterdam aankwam. Het schip vervoerde de laatste grote groep Molukse militairen van het Koninklijk-Nederlandsch Indisch Leger (KNIL) en hun gezinnen. Tussen februari en juni 1951 werden circa 12.500 Molukkers via twaalf bootreizen ‘gerepatrieerd’. Ze werden toen nog Ambonezen genoemd, omdat een groot deel van hen afkomstig was van het eiland Ambon. Hoewel het de bedoeling was dat hun verblijf slechts tijdelijk zou zijn, zijn de meesten in Nederland gebleven. Het Nationaal Archief bewaart veel archieven over de Molukse gemeenschap.

Opstand in Makassar

Begin april 1950 kwamen Molukse KNIL-soldaten onder aanvoering van Andi Aziz in Makassar in opstand tegen Indonesische troepen. De Republiek der Zuid-Molukken werd uitgeroepen. Er vonden hevige gevechten plaats. In augustus kwam er een bestand. Een van de voorwaarden was dat alle militairen die in Nederlandse dienst waren (zowel Nederlandse leger als KNIL) moesten vertrekken naar Nederland. Via een rechterlijke uitspraak werd Nederland in januari 1951 verplicht gesteld om niet alleen militairen op te nemen, maar ook hun gezinnen.

Rommelige verscheping 

Het eerste schip met Molukse KNIL-militairen en hun families, de Kota Inten (dit schip verzorgde ook de laatste reis), vertrok uit Soerabaja op 20 februari 1951. Een dag later vertrok een tweede schip: de Atlantis. De inscheping op deze twee schepen verliep uiterst rommelig, zo blijkt uit een rapport van de legerleiding uit de archieven van de strijdkrachten in Nederlands-Indië’. Zo waren de passagierslijsten onvolledig, weigerde een deel van de passagiers zich in eerste instantie in te schepen, was de bewaking van het schip niet op orde en bleken er uiteindelijk 67 verstekelingen aan boord te zijn.

De reis

De reis duurde ongeveer 30 dagen. De boten waren overvol, waardoor niet iedereen een goede slaapplek had. De gezinnen kregen uitgebreide instructies over wat ze allemaal mee mochten nemen. De ruim- en handbagage moest tot een minimum worden beperkt. Ook mochten “goederen aan bederf onderhevig en kwalijk riekend (trassie, gedroogde vis, etc.)” niet in de handbagage. Deze moesten “luchtdicht verpakt in de ruimbagage”. Verder waren er restricties aan de hoeveelheid rijst, koffie, specerijen en rookartikelen die mee mocht. De KNIL-militairen ontvingen al in Indonesië “Europese kleding”. Hun vrouwen en kinderen kregen pas in Port Saïd kledingpakketten uitgereikt. Dankzij die extra kleding kwamen ze niet helemaal onvoorbereid in het koude Nederland aan. Om alvast te wennen aan het Hollandse klimaat en de daarbij behorende keuken, werden op de boot iedere week vier Hollandse maaltijden geserveerd.

Aankomst in Nederland

In Nederland zagen de Molukkers zich voor nieuwe uitdagingen geplaatst. Opeens moesten ze zien te overleven in een land dat ze niet kenden. Omdat de Nederlandse overheid ervan uitging dat de Molukkers maar kort zouden blijven, werden ze afgezonderd van de rest van de bevolking. Ze kwamen terecht in leegstaande kloosters, kazernes en in de voormalig concentratiekampen Vught en Westerbork. Deze laatste twee werden omgedoopt tot het woonoord Lunetten (Vught) en het woonoord Schattenberg (Westerbork).

Overheidsbemoeienis

De bemoeienis van de overheid met de Molukse ‘nieuwkomers’ ging ver, zo blijkt uit verschillende archieven. In het archief van de Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken (DUW) zit bijvoorbeeld een dossier over de voeding in Molukse woonoorden. Het dossier bevat onder meer een rapport uit 1951 van de arts van Schattenberg, die de gezondheid van de Molukkers in de gaten moest houden. Hij staat uitgebreid stil bij de vitamine- en calorie-inname van de bewoners. Hij concludeert onder meer dat de “groenten, bedoeld als sajoer, tot pap [zijn] gekookt. […] [O]p die wijze [zijn] alle vitaminen ontleed en onwerkzaam gemaakt. Sajoer is een groentesoep, […] waar de groenten, door ze het laatst bij te voegen, half rauw blijven.” Een wat bijdehante ambtenaar merkt hierover op in de begeleidende brief: “in het schrijven [wordt] naar voren gebracht dat de sajoer niet al te gaar gekookt dient te worden. Hierop wil ik slechts antwoorden dat het voorwaar niet mogelijk is de blikgroente, die de laatste maanden gebruikt wordt en dus reeds gaar is…rauw te maken.”

Zelf onderzoek doen?

Bekijk de zoekhulp Molukkers naar Nederland, 1951 en doorzoek de passagiersdatabase.

Aangehaalde archieven: