1.02.01 Inventaris van het archief van C. van Heemskerck [levensjaren 1646-1702]: Gezant te Wenen, te Brussel, te Madrid, te Altona, te Constantinopel en te Parijs, 1672-1701

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

De diplomatieke carrière en de verdere levensloop van Coenraad van Heemskerck (1646-1702) hebben tot nu toe weinig aandacht gekregen. Dit gebrek aan belangstelling wordt niet gerechtvaardigd door de betekenis van de periode waarin Van Heemskerck zijn ambassades vervulde in de diplomatieke geschiedenis van de Republiek, door het belang van de diplomatieke activiteiten van de gezant zelf of door de hoeveelheid archiefmateriaal die voorhanden is.
In deze periode, die samenvalt met het optreden van stadhouder-koning Willem III, speelden Nederlandse gezanten een hoofdrol in de Europese diplomatie en werd de definitieve inrichting van de diplomatieke dienst van de Republiek bepaald. De `bravourediplomaat' Van Heemskerck
D.J. Roorda, `De Republiek in de tijd van stadhouder Willem III 1672-1702' in: AGN 8 (Haarlem 1979) 288.
was één van de topdiplomaten van de anti-Franse coalitie, die veelal met succes, doortastend, zelfstandig en bekwaam de moeilijke taken uitvoerde waar de Staten-Generaal, de koning van Engeland en de politieke gebeurtenissen hem voor stelden. Van Van Heemskerck afkomstig archiefmateriaal is in ruime mate bewaard gebleven, in de archieven van zijn lastgevers, in het familiearchief Teding van Berkhout en in zijn eigen gezantschapsarchieven.
Het schuil gaan van die gezantschapsarchieven eerst in de archieven van de Staten-Generaal en later in verschillende legatiearchieven kan nu ook geen excuus meer zijn voor het gebrek aan aandacht voor deze gezant: in deze inventaris zijn ze voor het eerst als zelfstandige archieven in hun oorspronkelijk verband beschreven. Een vrij uitvoerig overzicht van de diplomatieke loopbaan van Van Heemskerck, dat elders niet te vinden is en van belang lijkt voor een goed begrip van de samenhang van de beschreven stukken, gaat aan de inventaris vooraf. De uitvoerigheid van de hierop volgende beschouwing over de aard van de inventarisaties van de door hem gevormde archieven is het gevolg van hun ingewikkelde structuur, hun belang voor een goed begrip van de inrichting van een gezantschapssecretaris en van de ingrijpende veranderingen die ik in de aangetroffen ordening heb aangebracht.

Vrijwilliger op de vloot en bestuurder van Amsterdam

Coenraad van Heemskerck werd geboren in 1646 als zoon van de Amsterdamse raadsheer in de Hoge Raad van Holland en Zeeland Jan van Heemskerck en Alida van Beuningen, zus van Coenraad van Beuningen, de bekende gezant en burgemeester van Amsterdam. Na zijn studie in de letteren en de geschiedenis in Leiden
Johan E. Elias, De vroedschap van Amsterdam I (Haarlem 1903) 76.
begon hij zijn carrière in 1672, toen hij als vrijwilliger aan het hoofd van 50 door hem aangeworven matrozen op het schip van luitenant-admiraal Van Gendt de zeeslag bij Solebay meemaakte.
Gerard Brandt, Het leven en bedrijf van den Heere Michiel de Ruiter etc. (Amsterdam 1687) 668; Arch. Coenraad van Heemskerck 1.
Nog in hetzelfde jaar werd hij secretaris van Amsterdam, een post die hij in 1673 inruilde tegen het pensionarisschap van Gerrit Hooft, voor wie dat ambt te hoog gegrepen bleek.
Elias II (Haarlem 1905) 590.

Eerste gezantschappen: naar de keizer en de hertog van Villa Hermosa 1673 - 1675

In 1673 werd hij voor het eerst met een diplomatieke missie belast. De Staten-Generaal stuurden hem naar Wenen om het standpunt van de keizer te vernemen over de sluiting van een nieuwe conventie, die door de separate vrede tussen Brandenburg en Frankrijk noodzakelijk was geworden.
Secr. res. SG 11 juni 1673.
Hij bleef maar een paar dagen in Wenen, bracht rapport uit aan de Staten-Generaal en keerde onmiddellijk weer terug om met de keizer te onderhandelen over een inmiddels door de Staten-Generaal opgesteld ontwerptraktaat.
Arch. Teding van Berkhout inv. nr. 1 pp. 53-57; secr. ress. SG 12 en 14 juli 1673.
Tijdens die onderhandelingen die hij voerde in samenwerking met de 30 jaar oudere, maar in rang onder hem geplaatste vaste gezant in Wenen, Gerard Hamel Bruynincx, ontpopte Van Heemskerck zich naar het oordeel van De Pater als een bazige persoonlijkheid, die sterk overtuigd was van zijn eigen kunnen en eigen belangrijkheid en in zijn brieven een nogal heftige toon durfde aanslaan. Hij hechtte veel belang aan het ophouden van zijn waardigheid (en daarmee die van de Republiek) en duldde geen achteruitzetting. Zo daagde hij graaf Von Serau van het keizerlijk hof na een incident om de voorrang in maart 1674 in zijn `jeugdige onbezonnenheid' eerst uit tot een duel, om uiteindelijk met een openbaar excuus genoegen te nemen.
J.C.H. de Pater, `De eerste gezant der Nederlandsche Republiek te Weenen', Bijdragen voor Vad. Gesch. en Oudheidk. 6e reeks III (1926) 97-100; Van Heemskerck aan Willem III, 15 mrt. 1674, Arch. SG 12584.167 II.
Van Heemskercks optreden in Wenen werd politiek gezien een succes. Vooral door zijn doortastendheid kwam al op 30 augustus 1673 het Haags Verbond tot stand en wierpen ook de onderhandelingen over uitbreiding van deze alliantie snel hun vruchten af.
De Pater 101.
Op 16 maart 1675, na de toetreding van o.m. Brandenburg en Denemarken, de sluiting van de vrede met Engeland, Munster en Keulen en het openen van de vredesonderhandelingen over een algemene vrede, kreeg hij toestemming om te repatriëren. De Staten-Generaal, die geen acht hadden geslagen op zijn in oktober 1674 geuite klachten, dat een langer verblijf aan het hof hem zou ruïneren
Van Heemskerck aan de Staten-Generaal 18 okt., rec. 9 nov. 1674.
, achtten zijn overkomst nu noodzakelijk omdat zij mede op zijn rapport hun maatregelen m.b.t. de komende militaire campagne moesten afstemmen.
Secr. ress. SG 18 en 24 dec. 1674; Hamel Bruynincx aan de griffier 21 mrt. rec. 1 apr. 1675.
Voor de opstelling van dit plan de campagne was overleg vereist met de prins van Oranje en de hertog Villa Hermosa, de nieuwe gouverneur van de Spaanse Nederlanden. Zoals voor de hand lag werd Van Heemskerck, die op 30 maart in Den Haag was teruggekeerd, op 20 mei door de Staten-Generaal aangewezen om dit overleg in het hoofdkwartier te velde en aan het hof in Brussel bij te wonen.
Van Heemskerck aan de griffier 26 mei rec. 28 mei 1675; res. SG 1 mei 1675; secr. ress. SG 20 en 21 mei 1675.
Snelle resultaten werden dit maal niet bereikt. Verschillende keren reisde Van Heemskerck tussen Den Haag, Brussel en het leger te velde heen en weer. Hij voerde besprekingen over de militaire campagne, maar ook over de kwestie van de Oostender kapers die verschillende Nederlandse koopvaarders hadden opgebracht, over betalingen door Spanje aan de Staat voor de zending van een vloot onder De Ruyter naar de Middellandse Zee en over de belangen van de prins in zijn geschil met de gravin van Isenghien.
Arch. TVB 2, p. 135; Van Heemskerck aan de griffier 26 mei rec. 28 mei en 3 juni, rec. 7 juni 1675, Arch. SG 11673; id. 19 en 28 aug. 1675, Arch. SG 8584; res. SG 4 juni 1675; secr. res. SG 20 juni 1675. Het langlopende geschil met de gravin betrof o.m. de goederen van de prins in de Spaanse Nederlanden. Zie hierover o.a. Abraham de Wicquefort, Histoire des Provinces Unies des Païs Bas etc., III (Amsterdam 1866) 115, 116.
Ook moest hij met de prins overleggen over een eventuele oorlogsverklaring van bondgenoot Denemarken aan Zweden. Een gezantschap naar Denemarken, dat hem op 9 augustus door de Staten-Generaal werd opgedragen, vond echter geen doorgang.
Secr. ress. SG 9 en 14 aug. 1675.

Gezant naar Spanje 1675 - 1676

Van Heemskerck, die op 7 november 1675 aan de Staten-Generaal rapport uitbracht, kreeg wel een ander gezantschap te vervullen. Op 25 november werd hij aangesteld tot buitengewoon gezant naar Spanje, als opvolger van de op 20 oktober overleden Valckenier.
Res. SG 25 nov. 1675.
Op 29 november vertrok hij uit Den Haag. Na beleefdheidsbezoeken aan de hertog van Villa Hermosa, bij wie hij nog eens tevergeefs de zaak van de Oostender kapers ter sprake bracht, en aan de Franse regering (!) kwam hij in de functies van extraordinaris envoyé en extraordinaris gedeputeerde van Holland ter Staten-Generaal op 11 januari 1676 in Madrid aan.
Verbaal van zijn gezantschap naar de hertog van Villa Hermosa, SG 8584; secr. ress. SG 25 nov. 1675 en 28 feb. 1676.
Daar moest hij vermindering zien te bewerkstelligen van de voor de Republiek ondraaglijk geworden subsidieverplichtingen en onderhandelen over het Spaanse aandeel in de kosten van de zending van De Ruyter. Bovendien moest hij wederom de belangen van Willem III behartigen in diens geschil met de gravin van Isenghien.
Secr. ress. SG 25 nov. 1675 en 7 jan. 1676; res. Holland 15 juli 1676.
Op 8 april kon hij de prins melden dat zijn verblijf in Spanje in dit geschil "geen het minste goet" meer kon doen waarbij hij tevens de hoop uitsprak "dat Uwe Hoocheyt, d'andere principale poincten van mijne commissie gebracht zijnde in een staat, dat mijn langer verblijf hier geen verder dienst can doen, des halven niet qualijk zal nemen, dat ik, difficulteyt makende, om hier langer sonder vrucht van Haar Ho. Mo. ende Uwe Hoocheyt tot grote costen van den Staat te verblijven, geresolveert heb, ingevolge van de aan mij daartoe gegeven permissie, weder te keeren".
Van Heemskerck aan Willem III, 8 apr. 1676, kopie, verbaal van zijn gezantschap naar de koning van Spanje, SG 8585; relaas, ibid.; res. SG 25 nov. 1675.
Op 20 juni 1676 bracht hij in de vergadering van de Staten-Generaal uitvoerig mondeling rapport uit, terwijl hij op 23 juli zijn verbalen inleverde van zijn gezantschappen naar Brussel en Madrid.
Secr. res. SG 20 mei 1676; res. SG 23 juli 1676.

De kwestie Naarden 1679

Nu vatte Van Heemskerck, die op 12 juli met Cornelia Pauw in het huwelijk was getreden, weer zijn werkzaamheden op als pensionaris van Amsterdam, in welke funktie hij in 1679 met Willem III in aanvaring kwam. Over het voorstel van de prins om Naarden te versterken (door de Amsterdamse regenten als een tegen hun stad gerichte maatregel beschouwd) zou hij hebben gezegd "dat de fortificatie van Naarden maar soude kosten drie hondert duysent guldens, edoch dat den tijdt toch soude kunnen komen dat Amsterdam om drie millioenen wel soude wenschen dat die noyt gemaackt was geweest". Deze uitspraak was aan de prins overgebracht, die vervolgens bij de magistraat genoegdoening eiste. Deze verdedigde zijn "zeker geen staatsgezinde"
Roorda 288.
pensionaris door te wijzen op diens goede opvoeding en de respectvolle wijze waarop hij over het doen en laten van de prins gewend was te spreken. Als Van Heemskerck een dergelijke uitspraak zou hebben gedaan, dan was deze niet tegen de prins gericht geweest. Willem III accepteerde dit als genoegdoening hoewel hij van de onschuld van Van Heemskerck niet was overtuigd.
Res. Amsterdam 8 mrt. 1679 in secr. res. Holland 10 mrt. 1679.
Nog hetzelfde jaar werd Van Heemskerck tot gecommitteerde raad benoemd,
Elias I 76.
wat zijn invloed op het Amsterdamse stadsbestuur niet vergrootte.

Opnieuw naar Spanje 1680 - 1686

Intussen was in 1678 de vrede van Nijmegen gesloten die de Europese politieke verhoudingen niet werkelijk had gestabiliseerd. De koning van Spanje had afstand gedaan van Franche Comté, maar bleef de graventitel voeren.
Frankrijk wilde geen haast maken met de ontruiming van gebieden in de Spaanse Nederlanden die bij de vrede aan Spanje waren gebleven. Omdat opnieuw een gewapend conflict dreigde, werd Van Heemskerck op 18 mei 1680 door de Staten-Generaal als buitengewoon gezant naar Spanje gestuurd.
Ress. SG 16 en 18 mei 1680.
Hij moest de Spaanse koning afhouden van nieuwe oorlogshandelingen en aandringen op maatregelen die nodig waren om de vrede te bewaren. Daarnaast moest hij een regeling treffen inzake de schulden van de Spaanse Kroon aan Willem III en de Admiraliteitscolleges en schadevergoeding verkrijgen voor door Spanje benadeelde particuliere ingezetenen van de Staat.
Instructie, res. SG 18 mei 1680.
Na zijn vertrek uit Den Haag op 28 mei 1680 besprak Van Heemskerck eerst met de hertog van Villa Hermosa in Brussel de Frans-Spaanse geschillen en de noodzaak om de legers in de Zuidelijk Nederlanden op volle sterkte te brengen. Vervolgens stelde hij zich bij de Nederlandse gezanten in Parijs op de hoogte van de politieke stand van zaken in Frankrijk.
Relaas, SG 8616; res. SG 27 mei 1630.
Op 30 juli tenslotte kwam hij aan in Madrid.
Van Heemskerck aan de griffier 7 aug. 1680 in SG 8616, bijl. 13.
Kort na zijn aankomst kwam de koning van Spanje in conflict met de keurvorst van Brandenburg, die wegens het uitblijven van achterstallige subsidiegelden op de rede van Oostende een Spaans oorlogsschip had laten kapen. Van Heemskerck moest aan het Spaanse hof bemiddelen; de Republiek en Engeland wisten het uitbreken van een oorlog nog net te voorkomen.
Res. SG 24 sep. 1680; Jan Wagenaar, Vaderlandsche Historie, XV (Amsterdam 1756) 51-53.
De bemiddeling tussen Spanje en Frankrijk verliep minder succesvol. Frankrijk eiste steeds meer gebieden in de Spaanse Nederlanden op. Ondanks de sluiting door de keizer, Spanje, Zweden en de Republiek van het Viervoudig Verbond in 1681, waarbij o.m. de nakoming van de in 1678 gemaakte afspraken over de Spaanse Nederlanden werd gegarandeerd, bezette Frankrijk een groot deel van deze gebieden. Op 30 november 1683 verklaarde Spanje Frankrijk de oorlog. Formeel tot het zenden van hulptroepen verplicht, volstonden de Staten-Generaal met bemiddelings- en arbitragepogingen. In 1684 werd in Regensburg een wapenstilstand gesloten waarbij Spanje, alle mooie beloften ten spijt, "tijdelijk" afstand moest doen van verscheidene gereünieerde gebieden.
Intussen zat Van Heemskerck in Madrid op hete kolen. In de verwachting dat zijn missie niet langer dan een jaar zou duren, hadden de Staten-Generaal bij zijn vertrek het moment van zijn terugkeer aan zijn eigen oordeel overgelaten.
Res. SG 23 mei 1680.
Dat jaar was nu al lang voorbij. Van Heemskercks particuliere belangen in Amsterdam (die op dat moment in een hevig conflict was gewikkeld met de stadhouder over troepenvermindering) maakten zijn overkomst wenselijk. Tegelijkertijd maakte de kritieke politieke situatie het hem onmogelijk uit Madrid te vertrekken zonder dat er een opvolger was benoemd. Toen in 1682 en 1683 zijn brieven aan de Staten-Generaal, de griffier, Willem III, de Staten van Holland en Amsterdam over zijn verlangen om vervangen te worden niet het gewenste resultaat opleverden, raakte zijn geduld op. Op 2 september 1683 schreef hij aan raadpensionaris Fagel dat hij na een verblijf van drie jaar in Spanje eindelijk wel eens wilde repatriëren. Wilde men hem hiervoor onverhoopt geen toestemming geven, dan moest men hem het verblijf in Spanje maar draaglijker maken door een verhoging van zijn traktement. "Ik ben capabel", zo schreef hij dreigend, "eer sonder resolutie thuys te komen, daar kome dan van het wil".
Spaans verbaal, SG 8617 nr. 196; SG 8618 nrs. 78, 85-87, 152-155 en 197.
Toch moest hij zich neerleggen bij een weigering van de Staten-Generaal, verpakt in een besliste toestemming om te repatriëren zodra de politieke situatie dat enigszins mogelijk zou maken.
Res. SG 16 okt. 1683. De op 27 juli 1683 door Holland op een eerder verzoek genomen resolutie, die neerkwam op een afwijzing van zijn revocaties of dismissie was minder diplomatiek geformuleerd.
Van Heemskerck sputterde nog wat na over het geld, maar op zijn klachten dat hij de dupe werd van de vage en niet op alle gezanten gelijkelijk toegepaste bepalingen van het reglement, werd door de Staten-Generaal niet meer gereageerd.
Van Heemskerck aan de Staten-Generaal 11 nov. 1683 in SG 8618 nr. 227.
In 1685 kreeg Van Heemskerck toestemming om te vertrekken zodra de betalingen door de Spaanse Kroon aan Willem III en de Admiraliteitscolleges zouden zijn geregeld. Op 1 maart 1686 meldde de gezant (na zes jaar lang de chicanes van de Spaanse regering te hebben aangezien) "dat men dienaengaende hier van daen niets goets te wagten heeft".
Id. 1 mrt. 1686 in SG 8621 nr. 33.
Op 5 maart stelden de Staten-Generaal Battier aan als zijn opvolger en op 18 juli gaven zij Van Heemskerck opdracht te repatriëren.
Ress. SG 5 mrt. en 18 juli 1686.
Op 23 september vertrok de gezant uit Madrid. Hij liet, naar eigen zeggen, "weijnige ofte geene saken onafgedaen buyten diegene die om de jegenwoordige schaarsheyt van middelen ende toestant van de monarchie niet hebben kunnen voortgeseth wenden".
Van Heemskerck aan de SG 12 sep. 1686, SG 8621 bijl. 166.
Op 29 november bracht hij in Den Haag rapport uit.
Res. SG 29 nov. 1686.

Het congres van Altona 1689 - 1690

Na zich twee en een half jaar weer met het stadsbestuur van Amsterdam en zijn `particuliere affaires' te hebben beziggehouden, kreeg Van Heemskerck op 28 april 1689 opdracht om als buitengewoon gezant naar Altona te gaan.
Res. SG 28 apr. 1689.
Daar bemiddelden de keizer en de keurvorsten van Saksen en Brandenburg, tot dan toe zonder enig succes, in de geschillen tussen de koning van Denemarken en de nauw met Zweden verbonden hertog van Holstein-Gottorp. De door hen betwiste erfopvolging in Oldenburg en Delmenhorst had hen al een paar keer tegen elkaar in het geweer gebracht en nu dreigde de bezetting door Denemarken van het hertogelijk deel van Sleeswijk in 1684 op een oorlog tussen Denemarken en Zweden uit te lopen. Ook de hertogen van Brunswijk-Lüneburg waren bij de kwestie betrokken. Zij zagen de aanwezigheid van Deense troepen aan hun noordgrenzen als een bedreiging van hun veiligheid en ondersteunden de eisen van de hertog van Holstein-Gottorp.
De Staten-Generaal stelden veel belang in de beëindiging van het conflict. In 1688 was de oorlog tussen Frankrijk, waarmee Denemarken zich had verbonden, en de anti-Franse coalitie waarvan Zweden deel uitmaakte, opnieuw uitgebroken. Zweden had de beloofde troepenleveranties afhankelijk gesteld van het bereiken van een gunstig onderhandelingsresultaat
Van Heemskerck aan de griffier 15 juli 1689 in SG 8627 bijl. LXIII.
, de hertogen van Brunswijk-Lüneburg zouden door het uitbreken van een Deens-Zweedse oorlog wellicht gedwongen worden hun troepen die in dienst waren van de Republiek ter eigen verdediging terug te roepen
Deductie van de Brandenburgse gezant in Altona, Fuchs, in SG 8627 bijl. VI.
en Denemarken zou in dat geval de banden met Franrijk wel eens nauwer kunnen aanhalen.
Van Heemskerck kreeg dan ook de opdracht de koning en de hertog tot een minnelijke schikking te bewegen. Mocht dat niet lukken, dan moest hij er in ieder geval voor zorgen dat het conflict niet verder op de spits werd gedreven en dat Zweden zoveel mogelijk werd tegemoetgekomen
Instructie Van Heemskerck, secr. res. SG 2 mei 1689.
Die taken voerde hij snel en doeltreffend uit. De koning van Denemarken zag uiteindelijk in dat hij een nieuw gewapend conflict het onderspit zou moeten delven tegen een vijand die op militaire steun kon rekenen van de keizer, Brandenburg en de Republiek
SG 8627 bijll. XXIII en XXVI.
en verplichtte zich op 20 juni 1689 bij het traktaat van Altona tot de ontruiming van de gebieden van de hertog van Holstein-Gottorp. Bovendien bleek hij bereid zich "in de goede partije te laten trecken",
Relaas Van Heemskerck in SG 8627 p. 21
wat leidde tot de sluiting op 3 november 1690 van een traktaat van defensieve alliantie tussen Denemarken, Engeland en de Republiek.
Hoewel het geschil met de sluiting van het traktaat nog niet uit de wereld was (na afloop van de Negenjarige Oorlog zou het weer in volle hevigheid losbarsten), kon Van Heemskerck de afloop van zijn bemiddeling "seer glorieus" noemen; "dat (ik) in het groote deel, dat (ik) in het Holsteynse accommodement heb gehad, aan d'eene syde de con. van Sweden, het huis Lüneburg, ende de hertog van Holstein heb contentement gedaan, sodanig, dat deselve sich ter hoogsten van den con. van Groot Bretaigne ende der Staat beloven, ende mijne conduite bij publique officien so in Engeland, als in Den Haag hebben geroemt, en (ik) wederom aan d'andere kant het geluk heb gehad van mij t'eenemaal de bienveullance van den con. van Deenemarken ende de goede wille van desselfs ministers te doen behouden ende vermeerderen".
SG 8627, pp. 21 en 22.
Op 2 maart 1690 bracht hij rapport uit in Den Haag.
Res. SG 2 mrt. 1690.

Tweede gezantschap naar de keizer (vanaf 1690)

Van Heemskerck had graag ook aan Willem III, inmiddels koning van Engeland, rapport uitgebracht
Als boven.
, maar al op 23 maart besloten de Staten-Generaal hem als buitengewoon gezant naar de keizer te sturen. Na de repatriëring van Hop, die in 1689 voor de Staten-Generaal met de keizer het Groot Verbond van Wenen had gesloten, wilden zij de vriendschappelijke betrekkingen "bij dese conjuncture van tijden ende saecken" met een nieuwe buitengewone bezending cultiveren.
Res. SG 23 mrt. 1690.
Gerard Hamel Bruynincx, die men niet meer geschikt achtte voor de gezantschapspost en die men door de zending van Hop al naar het tweede plan had verwezen, werd hiermee in feite overbodig. Enkele maanden na de aankomst van Van Heemskerck zou hij terugkeren naar Den Haag waar hij een jaar later overleed.
De Pater 125.
Van Heemskerck vertrok op 3 mei 1690
SG 8635 I, fo. 1.
uit Den Haag en deed op doorreis naar Wenen de hoven van Hannover, Cell, Brunswijk-Wolffenbüttel en Keursaksen aan. Bij de drie hertogen van Brunswijk en de keurvorst van Saksen drong hij aan op steunverlening aan de uit Piemont verdreven Waldenzen die een leger hadden geformeerd om de valleien van Piemont op de Fransen te heroveren. Bovendien besprak hij de kwestie Saksen-Lauenburg dat door het huis Brunswijk-Lüneburg, dat met o.m. Keursaksen de erfopvolging pretendeerde, in bezit was genomen. De regeling van deze kwestie was voor de geallieerden een zaak van groot belang. Als er een gewapend conflict uit zou voortkomen, zouden de Noordse kronen niet afzijdig kunnen blijven en zonder troepen van de betrokken partijen aan de geallieerde strijdmacht worden onttrokken. Engeland en de Republiek, de enige staten die in dit geschil onpartijdig werden geacht, waren welhaast verplicht te bemiddelen.
Secr. ress. SG 6 mrt., 10 en 15 mei 1690; SG 8627 bijll. CX en CXI; SG 8635 I bijll. 25-31; Arch. CVH 38 en 69.
Op 14 juni 1690 kwam Van Heemskerck in Wenen aan
SG 8635 I bijl. 34.
waar hem een moeilijke en veelomvattende taak wachtte. Hij moest de steun van de keizer inroepen bij het tot stand brengen van een minnelijke schikking in de kwestie Saksen-Lauenburg, bij het doen naleven door alle betrokken partijen van het traktaat van Altona, het voorkomen van nieuwe onlusten in Noord-West Duitsland en het bevorderen van de belangen van de Piemontese Waldenzen.
Hij moest zien te bereiken dat de keizer Zweden en Denemarken zou overhalen de handel op Frankrijk te verbieden, wat de keizer zelf op grond van de conventie met de Republiek van 1689 al had gedaan. Als Hamburg of andere rijkssteden zouden klagen over het opbrengen van hun schepen wegens contrabande, moest hij hen de rechtmatigheid van dergelijke door keizerlijke proclamaties gesanctioneerde maatregelen onder ogen brengen.
Hij moest medewerking van de keizer zien te verkrijgen bij de uitbreiding van het Groot Verbond met Zweden, Denemarken, Spanje en het hele Duitse Rijk. Hij moest de keizer, die ook in een oorlog met de Turken was gewikkeld, houden aan zijn in 1689 gedane toezegging om niet minder dan de helft van zijn legers tegen Frankrijk in te zetten. Het tot stand brengen van een vrede tussen de keizer en het Turkse Rijk had de hoogste prioriteit: eerst dan zou de keizer zijn totale oorlogsinspanning op Frankrijk kunnen richten.
Instructie van Van Heemskerck, secr. res. SG 4 apr. 1690.
De versterking van de coalitie en de oorlogvoering tegen Frankrijk hadden uiteraard Van Heemskercks grootste aandacht. De toetreding van Spanje tot het Groot Verbond van Wenen leverde weinig problemen op. Zweden liet zich weliswaar tot het verlenen van aktieve militaire steun overhalen, maar nam in de praktijk, mede door Franse machinaties aan het Zweedse hof, een min of meer neutrale positie in. Het wierp zich eind oktober 1690 op als bemiddelaar tussen de keizer en Frankrijk en zou deze rol tot de vrede van Rijswijk blijven spelen. Denemarken wilde niet verder gaan dan de levering van 3000 man hulptroepen. In ruil hiervoor zou de keizer aan de koning het recht van tolheffing op de Elbe bij Glückstadt moeten verlenen. De Staten-Generaal wilden op dit punt, zij het met grote tegenzin, wel concessies doen. Maar het verzet hiertegen van vooral Lüneburg, Zweden en Engeland was te groot om met Denemarken zaken te kunnen doen.
Van Heemskerck aan de griffier 16 juli 1690, SG 8635 I nr. 58; secr. res. SG 4 aug. 1690.
Anderen werden wel in de coalitie opgenomen. De hertog van Savoye sloot op 20 oktober 1690 een traktaat met Engeland en de Republiek. De voordelen die Frankrijk en de paus hem boden als hij zich neutraal zou verklaren waren echter zo groot dat hij vanaf het begin een onzekere factor was in het verbond. Behalve Savoye traden in de periode 1690-1692 ook Beieren, Mainz, Brandenburg, Trier en Hannover tot de alliantie toe.
Van Heemskerck probeerde onophoudelijk Duitse vorstendommen als Hessen-Kassel, Württemberg, Brandenburg, Saksen-Gotha, Keursaksen, Hannover, Cell en Wolffenbüttel ertoe te bewegen met zoveel mogelijk troepen aan de oorlog tegen Frankrijk deel te nemen. Enkele klippen die hij daarbij moest omzeilen zijn al genoemd: de problemen rond de uitvoering van het traktaat van Altona, de erfopvolging in Saksen-Lauenburg en de tolheffing bij Glückstadt.
Daarnaast had de hertog van Hannover, die bij al deze problemen was betrokken en tot de neutrale partij behoorde, zijn zinnen gezet op de keurvorstentitel. Mede op aansporing van een wegens de afgunst van de hertog van Brunswijk-Wolffenbüttel discreet opererende Van Heemskerck, verleende de keizer hem eind 1692 het negende electoraat, o.m. in ruil voor zijn toetreding tot de coalitie. Hierdoor en door bemoeienissen met andere geschillen wist Van Heemskerck de huizen van Brunswijk-Lüneburg en Brunswijk-Wolffenbüttel ook persoonlijk aan zich te verplichten.
Van Heemskerck aan de griffier, 4 feb. 1692, SG 8635 III nr. 30; Arch. CVH 230-232.
Het centrale probleem waar Van Heemskerck zich voor gesteld zag was echter de twee-frontenoorlog die de keizer moest voeren en die ernstig afbreuk deed aan de kracht en de effectiviteit van de militaire campagnes tegen Frankrijk. Herhaaldelijk drong de gezant er bij de keizer op aan minder troepen in Hongarije en meer troepen aan de Rijn in te zetten, maar de keizer kwam zijn toezeggingen niet altijd of niet steeds op tijd na. Ook de door Engeland en de Republiek aan de hoven van Wenen en Constantinopel ondernomen bemiddelingspogingen hadden weinig succes. De keizer beschouwde Engeland en de Republiek aanvankelijk niet als officiële bemiddelaars.
Nadat hem in 1690 was gemeld dat Frankrijk en de Porte een of- en defensief traktaat hadden gesloten, waarbij zou zijn bepaald dat de een niet zonder de ander vrede zou sluiten met de keizer, besloot hij bovendien de sultan geen vredesvoorstellen meer te doen, omdat dit in deze omstandigheden als een teken van zwakte zou kunnen worden uitgelegd. Ook nu gaf hij de zaak niet in handen van Nederlandse ambassadeurs in Wenen en Constantinopel, wat Van Heemskerck zo graag had gewild. Pas op 30 december 1691 aanvaardde hij officieel de Engels-Nederlandse bemiddeling.
Van Heemskerck aan de griffier 25 juni 1690, SG 8635 I bijl. 41; Von Stratmann aan Van Heemskerck, 30 dec. 1691, bij Van Heemskerck aan de griffier 30 dec. 1691, rec. 11 jan. 1692; Arch. SG 11690.

Gezant en `gevangene' in Turkije 1692 - 1694

Toen de Engelse bemiddelaar Harbord op 10 augustus 1692 in navolging van zijn voorganger Hussey in Turkije was overleden, kreeg Van Heemskerck van de Staten-Generaal en van Willem III als koning van Engeland opdracht zich naar Belgrado te begeven. Daar moest hij tot de komst van Harbords opvolger, Paget, en de Nederlandse gezant in Constantinopel, Colyer, de vredesbemiddeling voortzetten.
Secr. ress. SG 1 sep. 1692 en 16 apr. 1693; credentialen van de SG en Willem III, 1 en 4 sep. 1692, Arch. CVH 96, nrs. 36 en 2. De onderhandelingen zijn hieronder niet zoals gebruikelijk vanuit de Engelse of de Turkse visie beschreven (verg. Joseph von Hammer, Geschichte des Osmanischen Reiches, VI 1656-1699, Pest 1830, 1571-573 en 587), maar vanuit het Nederlandse gezichtspunt.
Op 26 september 1692 vertrok Van Heemskerck uit Wenen.
Turks verbaal, Arch. CVH 94, p. 10.
Zijn opdracht moet hij als een grote eer hebben ervaren, temeer omdat de keizer zelf op zijn aanstelling had aangedrongen.
G. von Antal en J.C.H. de Pater, Weensche gezantschapsberichten van 1670 tot 1720, I ('s-Gravenhage 1929) 521.
Toch aanvaardde hij de reis niet zonder reserves als we mogen afgaan op de verzen van Vergilius die hij kopieerde op de achterkant van een kopiebrief van de grootvizier aan Colyer en die betrekking hadden op de tocht van Aeneas naar de onderwereld.
Arch. CVH 61. De eerste vier verzen luiden: "hic locus est, parteis ubi se via findit in ambas; dextera, quae ditis magni sub moenia tendit hac iter elysium nobis; at laeva malorum exercet poenas et ad impia Tartara mittit" (Vergilius, Aeneis VI 540-543). Van Heemskerck zag zich uiteraard linksaf slaan.
Optimistisch daarentegen waren zijn lastgevers en hijzelf over de duur van de missie. De Staten-Generaal verwachtten hem zo snel in Wenen terug dat ze het niet nodig vonden gezantschapssecretaris Jacob van Hamel Bruynincx (de zoon van de vroegere gezant), die tijdens de afwezigheid van Van Heemskerck in Wenen op de winkel zou passen, van instructies en credentialen te voorzien.
Secr. res. SG 16 apr. 1693. Von Antal en De Pater I, XXVIII.
Van Heemskerck rekende erop binnen een half jaar in Wenen op zijn "posto ordinario" terug te zijn.
Van Heemskerck aan Beintema, 18 jan. 1693, Arch. CVH 133; Van Heemskerck aan de grootvizier, 7 juni 1693, Arch. CVH 94, eerste katern p. 12; Van Heemskerck aan de SG, 8 okt., rec. 29 okt. 1692, Arch. SG 11198.
Al op 13 oktober 1692, twee dagen na zijn aankomst in Belgrado overhandigde hij aan de dragoman van de Porte, Maurocordato, de ontwerptraktaten tussen Turkije enerzijds en de keizer en zijn geallieerden Polen en Venetië anderzijds, die hij onderweg had opgesteld. Hij hoopte het antwoord van de grootvizier, dat hij in ieder geval voor diens vertrek naar Adrianopel dacht te ontvangen, binnen korte tijd aan de keizer te kunnen overbrengen.
Turks verbaal, Arch. CVH 94, eerste katern p. 12; Van Heemskerck aan de SG, 8 okt., rec. 29 okto. 1692.
Maar de Turken hadden geen haast. Zij wachtten liever met het openen van de onderhandelingen tot Paget, die naar hun verwachting gunstiger voorwaarden te bieden had, in Turkije aangekomen was. Evenmin kreeg Van Heemskerck na de ontvangst van het bericht dat Paget op doorreis naar Belgrado in Wenen was aangekomen, toestemming naar Wenen terug te keren. Integendeel, de grootvizier gaf hem opdracht naar Adrianopel te komen: het was in Turkije niet gebruikelijk een gezant met de staat en de functie van Van Heemskerck met lege handen weg te sturen en bovendien was Paget nog niet op de plaats van de onderhandelingen gearriveerd. Van Heemskerck zag in dat het weinig zin had tegen dit `irregulier gedrag' te protesteren. In de overtuiging dat men in ieder geval tot vrede genegen was vertrok hij op 3 november 1692 naar Adrianopel, waar hij op 4 december aankwam.
Arch. CVH 122; Van Heemskerck aan Willem III, 23 mrt. 1693, Arch. CVH 96 nr. 141; aan de griffier, 2 nov. 1692, ibid. nr. 69; aan de grootvizier, 1 nov. 1692, ibid. nr. 63; ibid. nr. 64; Turks verbaal, Arch. CVH 94, eerste katern pp. 20, 21, 24, 25.
De Turkse vredeswil viel echter tegen. De grootvizier hield Van Heemskerck in Turkije vast om het bij de hand te hebben als de vredespargij de overhand kreeg en om hem tegen Paget uit te spelen. In feite kon Van Heemskerck, toen hem een audiëntie met de grootvizier was geweigerd, toen hem alle briefwisseling was verboden en toen hij ook na de aankomst in Adrianopel van Colyer en Paget op resp. 16 januari en 10 februari 1693 geen toestemming kreeg om te vertrekken, zich als gevangene van de Porte beschouwen.
Turks verbaal, Arch. CVH 94, 1e katern pp. 28, 29, 31; J.H. Hora Siccama, `De vrede van Carlowitz en wat daaraan voorafging', Bijdr. Vad. Gesch. 4e reeks VIII, 104-106.
Op 24 maart 1693 kregen de drie ambassadeurs gezamenlijk eindelijk hun officiële audiëntie bij de grootvizier, waar de door Van Heemskerck ingediende vredesvoorwaarden als onaanvaardbaar van de hand werden gewezen. Paget deed hierop onverwachts, zonder overleg met Colyer en Van Heemskerck (die in de onderhandelingen vooralsnog alle mogelijkheden open wilde houden), aan de grootvizier het voorstel vrede te sluiten op basis van een absoluut uti possidetis, ook m.b.t. Kaminiëk, dat tegen de uitdrukkelijke wil van de keizer aan Turken zou blijven. De grootvizier kreeg overigens niet de gelegenheid op dit voorstel te antwoorden: drie dagen later kwam hij ten val.
Van Heemskerck aan Willem III en de griffier, 23 mrt. 1693, Arch. CVH 96 nrs. 141 en 142; aan de griffier, 12 apr. 1693, ibid. nr. 146; Arch. CVH 126.
De aanvaring van Van Heemskerck en Paget, die van het eigenmachtig optreden van de laatste het gevolg was, vormde slechts een hoogtepunt in een reeks van conflicten tussen beide ambassadeurs. Paget was te trots om te dulden dat de Nederlanders in de onderhandelingen de hoofdrol speelden; Van Heemskerck was te fier om de provocaties van Paget over zijn kant te laten gaan.
P. Bosscha, De geschiedenis van oostelijk en noordelijk Europa gedurende het merkwaardige tijdvak 1687-1716, (Zaltbommel 1860) 29.
Paget maakte Van Heemskerck verdacht bij de keizer en Van Heemskerck verdedigde zich daartegen; Van Heemskerck stelde Paget voor, gezamenlijk bij de grootvizier op een snel antwoord aan te dringen, waarop Paget liet weten dat hij geen haast had.
Als boven, 358-359; Arch. CVH 126.
De ambassadeurs, zo schreef Colyer aan Cuper, "verstaen malkanderen gants niet"; hun wederzijdse antipathie neemt "dagelijx overhand nogh soodaenigh toe ..., dat alle bemiddelingen vruchteloos uijtvallen".
Colyer aan Cuper, 27 mrt. en 15 juni 1693, bij Bosscha 25 en 29.
De voortdurende verzoeken van Van Heemskerck om het te laten gaan bleven zonder succes. De op 16 april 1693 door de Staten-Generaal opgestelde brieven van rappel, de door de Staten-Generaal aan de sultan en de grootvizier geschreven brieven waarin in diplomatieke termen van schending van het volkenrecht werd gesproken en besprekingen met de grootvizier en andere hoogwaardigheidsbekleders konden de grootvizier, die Van Heemskerck inmiddels als afgezant en spion van de keizer was gaan beschouwen, niet tot een andere houding bewegen. Van Heemskerck moest na het vertrek uit Adrianopel van Paget, Colyer en de grootvizier lijdelijk afwachten tot de militaire campagne van 1693 zou zijn beëindigd.
Secr. ress. SG 16 apr. en 3 sep. 1693; brieven van rappel, Arch. CVH 96 nrs. 220 en 221; SG aan sultan en grootvizier, 16 juli 1693, ibid. nr. 198; Van Heemskerck aan de griffier, 17 okt. 1693, ibid. nr. 203; Turks verbaal, ibid. 94 2e katern pp. 10-13, 15, 16, 21, 22, 25, 29; Hora Siccama 109.
"Men is hier in een land", schreef hij op 4 juni, "daer het gemeene spreekwoord is, dat men weet wanneer men komt, maer niet wanneer men gaet, en sij sijn in possessie van doorgaens te doen wat hun goed dunkt".
Van Heemskerck aan de griffier, 4 juni 1693; Arch. CVH 96 nr. 168.
Op 19 december 1693 kreeg Van Heemskerck van de grootvizier drie weken na diens terugkeer van het front, de toezegging dat er maatregelen zouden worden genomen om hem, met het Turkse antwoord op de vredesvoorstellen van de keizer naar Wenen terug te laten gaan.
Turks verbaal, Arch. CVH 94 2e katern pp. 31 en 32; Van Heemskerck aan de griffier, 30 dec. 1693, ibid. 96 nr. 224.
Terzelfder tijd deden zich echter nieuwe diplomatieke ontwikkelingen voor. De Franse gezant D'Avaux had de geallieerden via het Zweedse hof een vredesvoorstel gedaan, terwijl Polen in Adrianopel over een afzonderlijke vrede kwam onderhandelen. Om kontakten tussen de Poolse gezant en Van Heemskerck onmogelijk te maken werd het huis van Van Heemskerck op 21 januari 1694 onder bewaking gesteld.
Turks verbaal, als boven 94 2e katern pp. 33 en 38. Ondanks dit huisarrest kwam Van Heemskerck toch met de Pool in kontakt; ibid. p. 39.
Op 1 maart 1694 kreeg Van Heemskerck eindelijk zijn afscheidsaudiëntie bij de grootvizier, waar hem zijn recredentialen en het negatieve antwoord op de vredesvoorstellen werden overhandigd.
Als boven pp. 46, 47.
Hij vertrok op 12 maart uit Adrianopel en kwam op 7 april in Belgrado aan.
Van Heemskerck aan Paget, 12 apr. 1694; als boven 138.
Daar werd hij opnieuw vastgehouden. Onder voorwendsel dat de nieuwe grootvizier (de oude was in ongenade gevallen) de vredesvoorwaarden nog eens met hem wilde bespreken, kreeg Van Heemskerck huisarrest en werd hij van elk kontakt met de buitenwereld afgesloten. Na een hernieuwde gevangenhouding van ruim negen maanden, kreeg hij pas half november 1694, toen het de Turken duidelijk was geworden dat hij ondanks de druk van zijn gevangenschap geen diplomatieke concessies zou doen, de gelegenheid naar Wenen te vertrekken, waar hij op 12 december aankwam.
Als boven, 138 en 139.
De schamele resultaten van zijn missie baarden in Europa heel wat minder opzien dan zijn smadelijke behandeling die men zag als een poging van de Turken om zijn rapportage aan zijn lastgevers over de militaire en politieke situatie in Turkije zo lang mogelijk uit te stellen en als een represaille voor het vasthouden van het Turkse gezantschap in Oostenrijk in de jaren 1689-1692.
Hora Siccama 116-117; Von Hammer VI 570. Inderdaad berichtte Van Heemskerck aan Willem III dat Turkije zo zwak was geworden dat de keizer het gemakkelijk in bedwang kon houden zonder noemenswaardige afbreuk te doen aan de geallieerde krijgsmacht in het westen, Arch. CVH 99.

Terug in Wenen 1694 - 1697

Van Heemskerck besteedde de eerste weken na zijn terugkomst in Wenen aan zijn rapportage van de Staten-Generaal, Willem III en de keizer, en nam op 12 januari 1695 de taken van zijn `ordinaris commissie' weer op zich. Vanaf het begin werkte hij hierbij nauw samen met de Engelse gezant Lexington die tijdens zijn afwezigheid zijn diplomatieke taken had waargenomen en met wie hij het zeer goed kon vinden.
Van Heemskerck aan de raadpensionaris, 8 jan. 1695, Arch. CVH 169; aan de SG 15 dec. 1694, en aan de griffier, 22 dec. 1694, Arch. CVH 139.
Ook nu bleef hij zich beijveren voor de beëindiging van de Turkenoorlog in het algemeen en de regeling van de Zevenburgse kwestie in het bijzonder. De Nederlandse gezanten in Wenen hadden voor de Zevenburgse protestanten, die door de keizer om hun geloof werden vervolgd, regelmatig bij de keizer geïntervenieerd. Hamel Bruynincx had er zelfs zijn positie aan het hof voor in de waagschaal gesteld.
De Pater 124, 125.
Van Heemskerck probeerde de keizer met wat meer takt te verzoenen met zijn opstandige onderdanen, die zich met de Turken hadden verbonden, en hem o.m. tot teruggave van geconfisceerde kerken en scholen te bewegen.
Arch. CVH 224-228.
Maar de oorlog met Frankrijk kreeg van de Nederlandse gezant nu weer de meeste aandacht. Hierbij ging het deels zoals voorheen om de coördinatie van de militaire operaties en het opvoeren van de militaire en financiële inspanningen van de keizer en de Duitse vorsten, waartoe o.m. het Groot Verbond van 1689 werd vernieuwd.
Als boven, 197-213.
Maar voor een steeds belangrijker deel richtten de inspanningen van de Nederlandse diplomatie zich nu op het tot stand brengen van een algemene vrede. In 1694 had D'Avaux in Zweden de Franse voorwaarden bekend gemaakt, op 9 augustus 1696 sloot Savoye met Frankrijk een afzonderlijke vrede, op 4 januari 1697 aanvaardden de geallieerden Zweden als bemiddelaar en op 9 mei 1697 werden de onderhandelingen in Rijswijk geopend. De pogingen van Van Heemskerck en Lexington om de keizer in die onderhandelingen op één lijn te krijgen met de Republiek en Engeland waren niet erg succesvol. Tussen de zeemogendheden en Frankrijk werd op 20 september 1697 de vrede getekend; de keizer, in de steek gelaten door zijn bondgenoten, trad pas eind oktober toe.
Arch. CVH 216-218; Von Antal en De Prater I, XXVIII.

Laatste ambassade: Frankrijk 1698 - 1701

In het vooruitzicht van het sluiten van de vrede en daarmee van zijn vertrek uit Wenen liet Van Heemskerck, die zich inmiddels beschouwde "als een vergetene ende bynae een vreemdeling in mijn eijgen vaderland", aan Heinsius, zijn "protecteur ende vriend", weten dat hij in aanmerking wilde komen voor "de ordinaris ambassade in Frankrijk voor drie jaren, mits dat ik de eere had van vooraf in de extraordinaris ambassade gebruijckt te werden ende daertoe van hier werde thuijs geroepen". Hij vroeg de raadpensionaris bij de eerste gelegenheid de koning hierover te onderhouden omdat hij het ervan zag komen "dat ijmand uijt Gelderland het hooft van voirs. extraordinaris ambassade wel mocht sijn ende dat er uijt Holland sig kunnen opdoen die meer appuy ende credit hebben als ik".
Van Heemskerck aan Heinsius 14 aug. 1697, Arch. Heinsius, inv. nr. 513. In een Gelders-Hollands gezantschap zou de gezant uit Gelderland en niet Van Heemskerck de eerste in rang zijn.
Heinsius deed wat van het werd gevraagd. Op 26 november 1697 schreef hij Van Heemskerck dat hij zo spoedig mogelijk naar de Republiek moest terugkeren; op 7 december antwoordde de gezant dat hij binnen 14 dagen zou vertrekken en zó snel naar Den Haag zou reizen als zijn lichaam, dat in zijn leven "vrij wat fatigues gedaan ende gehad heeft", het zou toelaten.
Id., 7 dec. 1697, als boven.
Een paar dagen later nam hij afscheid van de keizer, die hem zijn met diamanten bezet portret aanbood en hem (op 12 december) in de rijksgravenstand verhief.
Elias I 76; res. SG 12 feb. 1698.
Nadat Holland op 17 december had besloten hem ter generaliteit als ambassadeur naar Frankrijk voor te dragen, stelden de Staten-Generaal hem tenslotte op 28 december met Van Nassau-Odijk in die funktie aan en gelastten ze hem ten overvloede zo vlug mogelijk uit Wenen af te reizen.
Res. Holland 17 dec. 1697; res. SG 28 dec. 1697. Een typische illustratie van de feitelijke besluitvorming in de Republiek.
Van Heemskerck vertrok kort voor de jaarwisseling uit Wenen, kwam op 25 januari 1698 in Den Haag aan en bracht door een "opgekoomen sieckte" pas op 12 februari repport uit. Op 3 maart kreeg hij voor Holland zitting in de Staten-Generaal, op 8 maart nam hij met Van Odijk (die door Zeeland was genomineerd en Van Heemskerck dus de voorrang moest geven) afscheid en op 24 maart vertrok hij, opgehouden door het slechte weer, uit Den Haag.
Arch. TVB 2, pp. 383, 385, 386, 421; ress. SG 25 jan., 12 feb., 8 en 21 mrt. 1698.
De door Holland voor het gezantschap ontworpen instructie werd op 21 maart door de Staten-Generaal vastgesteld. In de eerste plaats moesten de gezanten aan Lodewijk XIV de dank en de gelukwensen van de Staten-Generaal overbrengen vanwege zijn bereidheid de vriendschappelijke betrekkingen met de Republiek te herstellen. Vervolgens moesten zij met de Franse regering overleggen over daadwerkelijk herstel van die vriendschappelijk betrekkingen, met name die op handelsgebied. De vaststelling van een nieuw tarief van inkomende en uitgaande rechten, waarover de Nederlandse commissarissen Nieuwpoort en Van Rosmalen in Parijs onderhandelden, was hierbij van het grootste belang. Voorts moesten zij de publikatie in Frankrijk bespoedigen van de in Rijswijk gesloten traktaten, protesteren tegen iedere inbreuk op de hierin vervatte bepalingen en genoegdoening verkrijgen voor door overtreding van die bepalingen benadeelde onderdanen van de staat. Tenslotte moesten zij in overleg met de ambassadeur van Engeland (Portland) en de andere geallieerden er alles aan doen om de generale vrede in Europa te handhaven.
Res. Holl. 19 mrt. 1698; secr. res. SG 21 mrt. 1698.
Bij de voorbereiding van hun officiële intrede in Parijs spaarden de ambassadeurs kosten noch tijd. Met de pracht en praal die van hun gevolg en hun karossen moest afstralen wilden zij diepe indruk maken op de Parijzenaars en zelfs de schitterende intrede van Portland in de schaduw stellen. Hoewel zij al in april 1698 in Parijs waren aangekomen en op 6 mei hun eerste audiëntie hadden gehad, duurde het dan ook tot 24 augustus voor zij hun intrede konden doen.
Arch. TVB 2, p. 443; Van Heemskerck aan de griffier, 2 mei 1698, Arch. CVH 285 en 337-340.
De Parijse bevolking, die en masse naar het spektakel was komen kijken, moet inderdaad zeer enthousiast zij geweest. Bij de aanblik van het eerste Nederlandse gezantschap sinds tien jaar schijnen sommigen zelfs hun ogen niet droog hebben kunnen houden. Nederlandse waarnemers waren van mening dat de magnifieke entree die van Portland verre te boven ging, maar madame De la Bazinière schreef aan Marlot: "les ambassadeurs d'Hollande ont à la fin fair leurs entrée; les carosses estoient magnifique, mais le reste n'aprochoit point de celle de Milord".
Van Heemskerck aan de SG, 29 aug. 1698, Arch. CVH 342; De Veneroni, Entrée de leurs excellences, Messeigneurs Heemskerck et D'Odijk enz., Arch. TVB 12; Europesche Mercurius 1698, 148 vlg; Madame De la Bazinière aan Marlot, 3 sep. 1698, in: Willem III en Portland, N. Japikse ed., 1e ged. II, RGP kl. serie 24 ('s-Gravenhage 1928) 691.
Toen Van Odijk, wiens aanwezigheid in Parijs voornamelijk een ceremoniële betekenis had, een maand na de intrede alweer afscheid van de koning had genomen
Arch. TVB 2, p. 464.
, moest de extraordinaris ambassade van Van Heemskerck op zijn wens in een ordinaris worden omgezet. Maar over "het werck van den intrede ende gelijck tractement met de ambassadeurs van Savoyen en Venetien" kon met de Franse regering geen overeenstemming worden bereikt.
Van Heemskerck werd op 27 december 1698 voorlopig in zijn post gecontinueerd als extraordinaris ambassadeur en zou in 1701 in dezelfde rang uit Frankrijk vertrekken.
Van Heemskerck aan de griffier, 26 mrt. 1700, arch. CVH 287; res. SG 27 dec. 1698.
De taken van Van Heemskerck als ambassadeur in Parijs hadden een ander karakter dan zijn eerdere taken in Wenen. Daar in het centrum van de internationale politiek vroegen vooral zaken van oorlog en vrede zoals de versterking van de coalitie de opvoering en coördinatie van de oorlogsinspanning en de voorbereiding van het vredescongres zijn aandacht. Hier stond het herstel van de politieke en commerciële betrekkingen tussen twee landen voorop en moest hij de belangen behartigen van al die ingezetenen van de staat die door de oorlog waren benadeeld.
De uitvoering van de in Rijswijk gesloten vredes- en handelstraktaten hield de vaststelling in van een nieuw douanetarief, de afschaffing van aan Nederlandse kooplieden opgelegde discriminerende belastingen, de teruggave van in de oorlog geconfisceerde bezittingen van Hugenootse refugiées en van door Frankrijk opgebrachte koopvaardijschepen en de vrijlating van krijgsgevangenen op de Franse galeien. Bovendien had de vrede veel Nederlandse onderdanen nieuwe hoop gegeven op de afdoening van hun civiele vorderingen op Franse burgers.
Maar terwijl Van Heemskerck en zijn secretarie hun handen vol hadden aan de publieke en particuliere gevolgen van de voorbije oorlog,
Arch. TVB 2, p. 458.
kondigde de nieuwe zich al aan. In strijd met de afspraken over de verdeling van de Spaanse erfenis, die door Frankrijk, Engeland en de Republiek op 25 maart 1700 bij het traktaat van partage waren gemaakt, aanvaardde Lodewijk XIV het testament van de op 1 november 1700 kinderloos overleden koning van Spanje die zijn kleinzoon, de hertog van Anjou, tot troonopvolger had benoemd. De Republiek liet bij monde van Van Heemskerck nog wel een formeel protest horen, maar erkende Anjou uiteindelijk toch als koning van Spanje, in de hoop dat hij wilde afzien van zijn aanspraken op de Franse troon. Toen conferenties hierover in Den Haag waren mislukt en Frankrijk in september en oktober 1701 enkele redemptiedorpen, die tot het grondgebied van de Republiek hoorden, had bezet, was duidelijk dat de oorlog opnieuw op uitbreken stond. Op 7 september 1701 sloten Engeland, de Republiek en de keizer het Haags Verbond en in mei 1702 verklaarden Engeland en de Republiek Frankrijk de oorlog.
Arch. CVH 359.
Intussen was Van Heemskerck al weer lang en breed in de Republiek teruggekeerd. Al in juni 1699 had hij een conceptbrief aan Willem III geschreven waarin hij terugblikte op een diplomatieke loopbaan van 28 jaar, bekroond met de belangrijkste ambassade die de Republiek te vergeven had. Hij vroeg de koning naar de Republiek te mogen worden teruggeroepen als hij die post drie jaar zou hebben bekleed, "pour vivre le peu de jours qui me restent dans une honnette oisiveté".
Van Heemskerck aan Willem III, juni 1699, concept, Arch. CVH 347.
Maar nog voor die drie jaren om waren begon het hem niet alleen aan ambitie, maar ook aan fysieke kracht te ontbreken. Door een slepende ziekte getroffen moest hij zich steeds vaker door secretaris Vroesen en de Engelse gezant Manchester laten vervangen. Al in februari 1701 liet hij "op apparentie en hoop van vertrek" in het ambassadegebouw die dingen inpakken die het minst nodig waren
Arch. TVB 2, p. 700.
en toen een diplomatieke breuk met Frankrijk nog uitbleef, vroeg hij de Staten-Generaal op 26 september toestemming van Parijs naar Holland te mogen terugkeren. De "doodelijke kranckheijt" en de "quijnende sieckte" waardoor hij na dertig jaar staatsdienst "zoo in de militie als in de politie, in verscheijde Besendingen, en drie extraordinaris ambassades" sinds enige tijd werd bezocht, hadden het hem onmogelijk gemaakt zijn aanzienlijke post naar behoren waar te nemen.
Res. SG 10 okt. 1701.
Nadat de Staten-Generaal hem op 10 oktober 1701 toestemming hadden gegeven om te repatriëren en zijn vrouw op 20 november haar afscheidsaudiëntie bij de koning had gekregen, vertrok hij op 24 november uit Parijs. Secretaris Jan Vroesen bleef als zaakgelastigde in Parijs tot het uibreken van de oorlog. Na een zware reis kwam Van Heemskerck half december in Den Haag aan. Door zijn ziekte was hij niet in staat rapport uit te brengen aan de Staten-Generaal. Op 56-jarige leeftijd overleed hij in Den Haag op 23 juli 1702.
Ress. SG 10 okt. en 19 dec. 1701; Arch. TVB 2, pp. 704, 711, 727, 728; Elias I 76.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Vorm in inhoud van de gezantschapsarchieven van Van Heemskerck zijn bepaald door zijn onderscheiden taken als gezant. Van Heemskerck had zoals de meeste van zijn collega's te maken met aangelegenheden van de staat en aangelegenheden van particulieren. De `publieke' taak en daarmee het voeren van de politieke correspondentie was bij uitstek zijn eigen terrein. Aangelegenheden van particulieren daarentegen, delegeerde hij grotendeels aan de gezantschapssecretarissen die het contact met de Nederlandse consuls onderhielden,
Verg. Arch. SG 8620 nr. 136.
veelal ook de overige correspondentie in `particuliere zaken' deden en het desbetreffende deel van het gezantschapsarchief vormden.
De aard en duur van het gezantschap waren bepalend voor de relatieve omvang van het publieke en het particuliere deel van het gezantschapsarchief. In het archief van zijn Turkse gezantschap, dat een kortstondige bemiddeling tussen de keizer en de sultan tot doel had, hebben maar weinig stukken op de belangen van particulieren betrekking. Het archief van zijn gezantschap naar Frankrijk, waar de behartiging van de belangen van door de voorbije oorlog benadeelde onderdanen van de staat blijkens zijn instructie tot zijn belangrijkste taken behoorde, bestaat daarentegen voor tweederde uit dit soort stukken.
Naast stukken betreffende publieke en particuliere zaken treft men in zijn gezantschapsarchieven ook stukken aan die op andere ambtelijke aangelegenheden en met name op de personele en financiële zaken van het gezantschap betrekking hebben alsmede stukken met een zuiver privé-karakter.

Verbaalvorming

Na beëindiging van hun gezantschap moesten de Nederlandse gezanten een verbaal, d.w.z. het rapport van hun missie, met de relatieven, d.w.z. de belangrijkste stukken die zij bij de uitoefening van hun taken hadden opgemaakt en ontvangen, aan de Staten-Generaal overleveren.
Res. SG 16 dec. 1656.
Het rapport (het verbaal in engere zin, ook wel relaas genoemd) was meestal niet veel meer dan een repertorium op de relatieven. De relatieven of bijlagen waren chronologisch geordend en doorlopend genummerd. Van Heemskerck leverde zoals veel van zijn collega's geen minuten en originelen in, maar afschriften. Van hem zijn dan ook uit kopieën bestaande geëxhibeerde netverbalen bewaard in de archieven van de Staten-Generaal en uit minuten en originelen bestaande `minuutverbalen' in zijn gezantschapsarchieven.
Verg. Arch. SG 8635 en Arch. CVH 5-7. De term `verbaal' gebruikte men niet allen voor het eigenlijke rapport, maar ook voor het rapport met de bijlagen of (als geen rapport werd bijgevoegd) voor de bijlagen alleen. Waar in het vervolg van verbaal sprake is, wordt verbaal in de ruimste zin bedoeld. Onder minuutverbaal worden bijgevolg meestal nog in het net te schrijven relatieven verstaan. Hiermee wordt de verwarrende term `minuutrelatieven' vermeden.
De meeste stukken die de gezanten bij de samenstelling van hun verbalen als relatieven uit hun archieven selecteerden waren van publieke aard: akten van commissie, instructie (eventueel met retroacta), credentie en appel; de diplomatieke correspondentie met lastgevers, voornamelijk bestaande uit brieven aan en resoluties van de Staten-Generaal; stukken die als bijlage hierbij hadden gediend, zoals nota's van en aan de regering van de staat waarbij zij waren geaccrediteerd.
De term `nota', die niet in de archivistische terminologie is opgenomen, verdient de voorkeur boven de destijds gebruikte, maar nu enigszins vage en verwarrende term `memorie'.
Uit dossiers over `particuliere zaken' werden bij het samenstellen van het verbaal hoogstens de belangrijkste stukken gelicht, zoals bij de gezant zelf ingekomen `brieven van voorschrijven' (aanbevelingsbrieven) van de Staten-Generaal en regeringsnota's. Van de stukken over de financiële zaken van het gezantschap (waaronder zaken met betrekking tot het personeel dat door de gezant zelf werd betaald) werden hoogstens de resoluties van de Staten-Generaal waarbij het doen van bijzondere uitgaven werd toegestaan, als relatieven in het verbaal opgenomen. Andere onkosten werden door de gezant gewoontegetrouw of krachtens het reglement op de buitenlandse ambassades zonder voorafgaande toestemming bij de Staten-Generaal gedeclareerd of uit het traktement bestreden. Stukken die op deze uitgaven betrekking hebben, zoals de halfjaarlijkse declaraties en de door de gezant meestal vasthoudend en enthousiast gevoerde correspondentie over hierin door de Rekenkamer geroyeerde posten, werden, evenals de privé-papieren, niet in het verbaal, maar in het persoonlijk archief van de gezant opgenomen.
Die van Van Heemskerck in Arch. TVB 2.

Relatie verbalen-gezantschapsarchieven

Van Heemskerck heeft over een aantal van zijn gezantschappen een verbaal ingeleverd bij de Staten-Generaal. Een verbaal over zijn eerste gezantschap naar de keizer (1673-1675) ontbreekt. Wel is onder de Van Heemskerck afkomstige stukken in het familiearchief Teding van Berkhout een kopieregister van in 1674 bij Hamel Bruynincx en Van Heemskerck in Wenen ingekomen brieven bewaard gebleven waarvan het origineel zich in het archief van Hamel Bruynincx bevindt.
Resp. Arch. TVB 1 en Arch. Gerard Hamel Bruynincx 2. Een overzicht van de geëxhibeerde verbalen in aanhangsel 2, p. 80.
Aan de voltooiing van zijn verbalen over de jaren 1690-1701 is Van Heemskerck niet meer toegekomen. Bij de Staten-Generaal leverde hij alleen de kopierelatieven in over de jaren 1690-1692.
Arch. SG 8635. Het hierin opgenomen incomplete relaas hoort m.i. bij de relatieven in het gezantschapsarchief.
De bouwstoffen van nog te voltooien verbalen over die periode heeft hij kennelijk tot zijn dood met zich meegesleept. Het archief van zijn Turkse missie (die hij tijdens zijn gezantschap naar de keizer vervulde) nam hij in 1694 mee naar Wenen, waar hij, vooruitlopend op de indiening van een verbaal, zijn voorlopige rapporten schreef.
Van Heemskerck aan de SG, 12 jan. 1695, Arch. CVH 98.
Vermoedelijk bracht hij zijn Weens-Turkse archieven in 1698 uit Wenen, waar de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging na zijn vertrek aanvankelijk - tot teleurstelling van Weense regeringskringen - niet werd gecontinueerd, over naar Parijs.
Over die teleurstelling Consbruck aan Van Heemskerck, 31 mei 1698, als boven 322. Op de overbrenging naar Parijs wijzen de herkomst van Arch. CVH 317 en 318 en de beschrijving van inv. nr. 1275 van het vroegere `Legatiearchief vervolg supplement', alsmede de brief van Colyer van 15 juli 1697 (Arch. CVH 337), die door Van Heemskerck op 15 augustus van dat jaar in Wenen werd ontvangen (brief van Colyer, 17 aug. 1697, Arch. CVH 180) en waarop hij in 1698 in Parijs aantekeningen maakte m.b.t. zijn intrede aan het Franse hof.
Van zijn gezantschappen naar Wenen en Turkije kwamen de minuutverbalen nog wel gereed, maar van zijn Franse ambassade heeft hij waarschijnlijk geen minuutverbaal meer samengesteld.
In zijn brief aan de SG van 29 aug. 1698 (Arch. CVH 285) meldt Van Heemskerck nog optimistisch: "wij doen 't zelve na vragen ende sullen dat nevens 't geheele ceremonieel op zijn plaats in het verbaal insereren".
In 1701 toen de oorlog met Frankrijk al op uitbreken stond, moet Van Heemskerck zijn Franse archief (waarin latere stukken van zijn als zaakgelastigde achtergebleven secretaris Vroesen ontbreken) met zijn Weens-Turkse gezantschapspapieren hebben meegenomen naar Den Haag. Kennelijk zijn al deze bouwstoffen van verbalen die nooit gereed kwamen door zijn nabestaanden ter griffie van de Staten-Generaal gedeponeerd.
Over een dergelijke overdracht heb ik geen resolutie gevonden. De archieven worden, in tegenstelling tot die van D'Ancillon (inmiddels spoorloos), Schonenberg en Van Kinschot niet genoemd in de inventarissen van de archieven van de SG van Van Goor uit 1765 en Nieuwenhuizen uit 1793 (Arch. Fagel inv. nr. 605), die overigens ook de overgedragen archieven van Rumpf en Van der Meer niet vermelden. Wel meldt Bakhuizen in 1858 dat ze destijds naar de griffie van de SG werden overgebracht (R.C. Bakhuizen van den Brink, Conceptverslag 1858, R. Fruin ed., VROA 1926 I, 80).

Inventarisaties op het Rijksarchief

De gezantschapsarchieven van Van Heemskerck moeten met de archieven van de Staten-Generaal aan het Rijksarchief zijn overgedragen, al wordt het enige bewijs dat ze zich daar bevonden vóór de verhuizing naar het Plein in 1854 geleverd door de registratietekens die op sommige van de Weense en Parijse gezantschapspapieren zijn gesteld.
Het gaat om de volgende aanduidingen: `zolder 8, 10980' (Arch. CVH 497); `8' (526); `zolder 10, 10982' (312); `zolder 15' (126); `zolder 16, 10988' (498); `zolder 24.1, 10996' (313) en `zolder 24.2a' (472). `Zolder' duidt op de bergplaats in het oude gebouw; de hoge nummers zijn verhuisnummers.
Die tekens lijken er overigens ook op te wijzen dat de verschillende gezantschapsarchieven van Van Heemskerck in de eerste helft van de 19e eeuw nog niet van elkaar waren gescheiden.
`Zolder 15' heeft betrekking op de Turkse ambassade; de overige nummers op de ambassade naar Frankrijk.
Maar aan deze situatie kwam in 1856 een einde. In dat jaar verenigde De Jonge de in 1854 door Buitenlandse Zaken overgedragen legatiearchieven met stukken uit de archieven van de Staten-Generaal, de archieven van de Staten van Holland en verschillende particuliere collecties en losse aanwinsten die op de buitenlandse betrekkingen van de Republiek betrekking hadden in een collectie die de misleidende naam `Legatiearchieven' kreeg en die (met uitzondering van de diplomatieke congresstukken) volgens de standplaatsen van de gezanten was geordend. De archieven van Van Heemskerck werden hierbij opgesplitst in een Weens, een Turks en een Frans gedeelte en geplaatst tussen de verbalen, gezantschapspapieren en legatiearchieven van andere Nederlandse gezant in Wenen, Turkije en Frankrijk.
Rond de eeuwwisseling werd deze collectie door Hingman en Telting geherinventariseerd. In 1897 splitste Hingman het door Van Heemskerck in Wenen gevormde archief verder uit naar correspondent. Ook de minuutverbalen vielen aan deze correspondentsgewijze herordening ten prooi. In 1900 en 1901 voltooide Telting de herinventarisatie van de afdelingen Frankrijk en Turkije. Zijn beschrijvingen van de van Van Heemskerck afkomstige stukken weken van die van De Jonge niet wezenlijk af.
Inventaris Hingman/Telting 98-109 (Wenen), 644-648 (Frankrijk) en 1070-1071 (Turkije).
Nadat een aantal stukken uit de verspreide collecties in de archieven van Van Heemskerck was ingevoegd,
De akte van garantie uit Kamer 3 nr. 88 kk, nu Arch. CVH 297; decreten van de koning van Frankrijk uit Kamer 14, 1e lijst nr. 14, nu Arch. CVH 433; kladverslag van een conferentie van 15 sep. 1696 uit Kamer 43 nr. 25, nu Arch. CVH 199.
bracht Bijlsma rond 1925 een aantal andere uit deze archieven van afgedwaalde stukken onder in `legatiearchief vervolg supplement'.
Stukken betreffende het geheime verdrag tussen Frankrijk en Savoye uit Arch. SG vervolg 22, alsmede stukken betreffende de ambassade naar Turkije uit Arch. SG vervolg 164 naar inv. nr. 1236; een stuk betreffende het congres van Altona (wsch. uit Arch. SG vervolg) naar inv. nr. 1259; particuliere correspondentie over de jaren 1690-1700 uit Verspr. Coll. Kamer 43 nr. 62 naar inv. nr. 1275.
Japikse, die met zijn in 1953 begonnen herinventarisatie een poging deed de gezantschapspapieren niet als een collectie, maar als een fonds van secretarie-archieven te ordenen, liet de Franse en Turkse archieven van Van Heemskerck buiten de inventarisatie. Het in Wenen gevormde archief,
Inclusief de hierboven genoemde stukken betreffende Savoye (leg. 1236).
nam hij op in het zgn. `legatiearchief Duitse Keizer', waarvan hij de inventarisatie in 1956 voltooide.
Inventaris Japikse nrs. 4-60 en 196-207.
Het onderscheid tussen de perioden 1690-1692 en 1694-1697 (resp. de jaren vóór en na het Turkse intermezzo) kwam in zijn inventaris door de samenvoeging van stukken uit beide perioden te vervallen.
Van Zoeren voegde bij de door hem rond 1959 gedeeltelijk uitgevoerde doornummering van de inventaris van Japikse de portefeuilles met het door Van Heemskerck in Frankrijk gevormde archief weer in het legatiearchief Frankrijk,
Onder de inv. nrs. 534-539.
zonder aan de chronologische ordening van Telting veel te veranderen. Later deed hij hetzelfde met stukken die door Bijlsma naar Legatiearchief vervolg supplement waren overgebracht
Leg. vervolg supplement inv. nr. 1259 werd Japikse/Van Zoeren 540A, terwijl inv. nr. 1275 over verschillende nummers werd verdeeld. Zie noot 112.
en met enkele stukken uit Arch. SG vervolg.
Stukken m.b.t. de zaak Van Stralen uit Arch. SG vervolg 274; werd inv. Japikse/Van Zoeren nr. 540B.
In het legatiearchief Duitse Keizer voegde hij tenslotte beide portefeuilles betreffende Van Heemskercks Turkse gezantschap in.
Inv. Japikse/Van Zoeren nrs. 124A en 124B.
Het geëhibeerde verbaal van het gezantschap van Van Heemskerck naar de keizer over de periode 1690-1692 dat destijds door commies-chartermeester De Zwaan "op den zolder onder de pannen" was gevonden en door De Jonge ten onrechte aan het gezantschapsarchief was toegevoegd,
Als boven, nrs. 121-124.
werd in 1963 door Japikse naar de archieven van de Staten-Generaal teruggebracht.
Arch. SG inv. nr. 8635.
Bij zijn herinventarisatie van 1967 splitste Schutte ook de Turkse stukken uit naar correspondent waarbij hij niet met Van Heemskerck corresponderende auteurs als correspondent behandelde. Voortgaande op de door Japikse ingeslagen weg voegde hij die stukken uit de Weense en Turkse bestanddelen van het archief bij elkaar die door of aan dezelfde correspondent geschreven waren, met uitzondering van de stukken in het Turkse verbaal en een aantal dossiers. Het grootste deel van het Weens-Turkse archief van Van Heemskerck kreeg zo het aanzien van een alfabetisch op naam van de correspondent geordende brievenverzameling. Overigens voegde ook hij enkele losse stukken in.
Een brief van Apafi (Aanw. 1880 A XV 5) onder inv. nr. 4671 en een cijfercode (Arch. SG vervolg 70) onder inv. nr. 4164.
Vervolgens ging hij op dezelfde manier het Franse archief van Van Heemskerck te lijf dat tot dan toe nog nauwelijks was geïnventariseerd.

De verwerving van het archief

Het archief is bij Koninklijk Besluit of ministeriële beschikking overgebracht.