Geschiedenis van de archiefvormer
De leden van de huidige families Calkoen en van Beeck Calkoen stammen af van Jan Willemsz. van Dort, die zich rond 1600 te Amsterdam vestigde. Over de afstamming van Jan Willemsz. van Dort bestaat geen zekerheid. Elias nam in zijn 'Vroedschap van Amsterdam' aan dat hij uit Dordrecht afkomstig zou zijn; dit is echter onwaarschijnlijk; genealogische naspeuringen wijzen naar Deventer of omgeving, onder meer naar het plaatsje Dort en het graafschap Zutphen. Zijn vrouw Alida Tomminck stamt af van Kleefse ouders.
Jan Willemsz. van Dort was lakenkoper in de Barberstraat te Amsterdam, in 'De Blauwe Calkoen', waarvan de familienaam Calkoen is afgeleid. Zijn zoon Nicolaas huwde met een dochter van de bekende Amsterdamse stadstimmerman Cornelis Danckerts, wiens naam is verbonden aan de bouw van de Westerkerk. Van deze eerste generaties zijn alleen overgebleven het testament van Jan Willemsz. van Dort, genaamd Calkoen, van 1623 (inv.nr. 49) en een aantal stukken betreffende de vicario op het altaar van St. Catharina en St. Barbara te Brielle, afkomstig van de familie Danckerts (inv.nr. 65). De overgebleven archivalin van de familie Calkoen nemen grosso modo een aanvang rond 1690.
Het ging de Calkoens wel voor de wind; kinderen van Nicolaas huwden met leden van bekende Amsterdamse regentengeslachten als Slicher, Trip en Haeck. Het feit dat Nicolaas' zoon, Cornelis Calkoen, schepen en raad, groothandelaar in lakenstoffen, Italiaanse zijdestoffen, Turkse garen en blauwverver, bij zijn dood het voor die tijd geweldige fortuin van één miljoen gulden naliet spreekt voor zichzelf. Zijn broers waren allen kooplieden, zowel op Oost-Indië als op de Levant. De handel in lakenstoffen zijn de Calkoens tot ongeveer 1765 blijven beoefenen.
De familie Calkoen was in de achttiende eeuw geheel opgenomen in de leidende regentengeslachten te Amsterdam. Jan Calkoen, door stadhouder Willem IV in de Vroedschap gebracht, was in 1754, 1757, 1759, 1762, 1764, 1766 en 1767 burgemeester van Amsterdam, zijn broer mr. Cornelis was ambassadeur in Turkije en ambassadeur in Polen en Saksen.
In deze tijd begint echter ook het verval op financieel gebied zich af te tekenen. Al liet Jan Calkoen nog wel f. 700.000,-- voor zijn neefjes en nichtjes na, mr. Cornelis, de ambassadeur ('Sijn Wel Edel Gestrenge heeft van sijn jeugt aan seer nobel en vrolijk geleeft, was een groot liefhebber van de sexse en groot minjon van de soor vermaarde een uytmuntende schoone dame Mejuffrou Catharina Johanna Horst', Bicker Raye, Aantekeningen) wist met zijn geld wel raad.
Zijn achterneef Nicolaas Calkoen werd in 1795 wegens zijn trouw aan het stadhouderlijk bewind uit de Amsterdamse Vroedschap verwijderd. Hij legde zich weer toe op de koophandel. Het zat hem in deze roerige tijden echter niet mee, al werd hij in 1815 door koning Willem I tot lid van de Eerste Kamer benoemd en in de adelstand verheven; zijn erfgenamen worden na zijn dood in 1817 van zijn nalatenschap niet veel rijker.
Zijn broer, mr. Abraham baron Calkoen (1774-1849), die na de omwenteling van 1795 eveneens wegens Oranjegezindheid uit zijn stadsbetrekking was gezet, overleefde de stormen beter. Hij legde zich toe op het beheer van de landgoederen, die zijn vader in de omgeving van Oostveen, Kortenhoef en Achttienhoven had verworven. In 1803 trad hij in dienst van de keurvorst van Hessen-Kassel als tweede luitenant van de cavalerie. Onder koning Willem I was hij luitenant-kolonel van de landstorm en militiecommissaris van Amsterdam. De huidige leden van de genobileerde tak van de familie Calkoen stammen af van zijn zoon Abraham baron Calkoen (1797-1873), voorzitter van het Muntcollege.