De inlijving bij Frankrijk (9 juli 1810 - 20 november 1813)
Het decreet van 9 juli 1810 verklaarde Holland met het keizerrijk Frankrijk verbonden, Amsterdam werd de derde stad van het keizerrijk, de koninklijke lijfwacht werd verenigd met de keizerlijke en de bestaande belastingen zouden worden gehandhaafd tot 1 januari 1811. Op die datum zou de Franse administratie worden ingevoerd. Holland zou in het Rijk vertegenwoordigd zijn met zes senatoren in de keizerlijke Senaat, zes leden in de Franse Staatsraad, vijfentwintig in de Législative (Wetgevend Lichaam) en twee raadsheren in het Franse Hof van Cassatie.
De aartsthesaurier, Charles François Lebrun, hertog van Plaisance (Piacenza, Italië), kwam naar Amsterdam om op te treden als plaatsvervanger van de keizer (Algemeen Stedehouder van de keizer). Hij moest van alle ambtenaren en officieren de eed afnemen, toezien op de stipte naleving van keizerlijke besluiten, lopende zaken afwikkelen, op de begroting van 1810 een zo groot mogelijk bedrag reserveren voor de marine en Hollandse ministers die hem niet bevielen, vervangen. Op 1 januari 1811 zou hij benoemd worden tot Gouverneur-Generaal van de Hollandse departementen.
Op 18 oktober 1810 werd het Decreet van Rambouillet uitgevaardigd, waarbij het bestuur over de Hollandse departementen geregeld werd. Het decreet zelf was onderverdeeld in veertien titels met in totaal 220 artikelen. Dit decreet vormde in feite de grondwet tot 1813
H.T. Colenbrander, Inlijving en Opstand (Amsterdam 1913) 25.
. In de eerste titel werd het algemeen bestuur geregeld. De overige titels regelden onder andere het gebruik van de Nederlandse taal, de territoriale indeling in zeven departementen en de verdere onderverdeling in arrondissementen, de rechterlijke organisatie, de financiën, de conscriptie en de erediensten.
Het algemeen bestuur in de periode 1 januari 1811 - 20 november 1813 bestond uit de Gouverneur-generaal (Lebrun), de Intendant-generaal van Financiën (Gogel) en de Intendant van Binnenlandse Zaken (F.J.B. d'Alphonse) en directeuren voor Waterstaat (Van den Houte, later J.H. Mollerus), de Schatkist (R. Voûte), de Douane (Coquebert-Montbret), de Publieke schuld (Six van Oterleek) en Politie (Devilliers du Terrage). De Gouvernementssecretarie (Secrétairerie des Commandements) werd geleid door Verheijen, die onder Lodewijk Napoleon kabinetssecretaris was geweest. In de voorgaande jaren was al een grote mate van centralisatie bereikt, in de periode van de inlijving werd dit proces voltooid.
Na de Volkerenslag bij Leipzig op 20 oktober 1813 tussen de Grande Armée en de legers van de Coalitie werd op initiatief van G.K. van Hogendorp op 20 november 1813 een Algemeen Bestuur der Vereenigde Nederlanden geproclameerd dat de macht in handen zou nemen tot de prins van Oranje in Nederland zou zijn teruggekeerd. Deze arriveerde op 30 november 1813 in Scheveningen. Op 6 december 1813 aanvaardde hij de soevereiniteit over het Nederlands grondgebied.
Willem I maakte voor de opbouw en het bestuur van het koninkrijk dankbaar gebruik van het goedlopende bestuursapparaat, zoals zich dat na 1795 ontwikkeld had
G.D. Homan, Nederland in de Napoleontische tijd (Haarlem 1978), 125.
.