Geschiedenis van de archiefvormer
Op 17 september 1944 is bij koninklijk besluit het personeel van (de Rijksradio-Omroep) De Nederlandsche Omroep ontslagen. Na Dolle Dinsdag had de rijksradio niet veel meer te betekenen. Kort na die dag werden vrijwel alle afdelingen geliquideerd en het personeel op wachtgeld gesteld. Slechts enkelen bleven achter om de liquidatie te voltooien. Eind oktober 1944 werd ook de NSB-leiding uitgeschakeld en kwam de omroep vrijwel geheel in handen van de Duitsers.
Op 3 oktober 1944 was in Eindhoven de Radio-Omroep Herrijzend Nederland gestart o.l.v. H.J. van den Broek ('De Rotterdammer' van Radio Oranje). Hij fungeerde, op initiatief van het Militair Gezag, als een soort gemachtigde voor het radiowezen. Op 5 mei 1945, toen de regering het personeel van de omroepverenigingen ontsloeg, gingen de uitzendingen van 'Herrijzend Nederland' als een soort staatsomroep gewoon door. De uitzendingen betroffen vanaf begin juni 1945 tevens programma's van Radio Oranje die niet meer zelfstandig uitzond.
Op 24 juni 1945 trad het kabinet-Schermerhorn aan, waarna op 2 juli 1945 de officiële overdracht plaatshad van de bemoeienis met de radio-omroep door het Ministerie van Binnenlandse Zaken aan het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.
Op 20 januari 1946 verving het kabinet-Schermerhorn Radio Herrijzend Nederland door Radio Nederland in Overgangstijd. Radio Herrijzend Nederland werd gezien als een staatsomroep, een situatie die ongewenst werd geacht. Stichting Radio Nederland moest nu als opvolger – met grotere onafhankelijkheid ten opzichte van de staat – het radiowezen regelen. De stichting was bedoeld als tijdelijke oplossing. De grote vraag was of de situatie van vóór 1940 weer moest worden hersteld of dat het omroepbestel geregeld moest worden door één centraal orgaan. De stichting werd gezien als de tijdelijke garantie voor het bevorderen van de nationale eenheid enerzijds en het zo goed mogelijk tot hun recht laten komen van de verschillende geestelijke en maatschappelijke stromingen anderzijds. Eén van de taakstellingen was het bevorderen van het Nederlandse radiowezen in het buitenland. Een belangrijk onderdeel van dit beleid werd gevormd door het ontwikkelen van de Wereldomroep onder het directeurschap van H.J. van den Broek.
De stichting kwam onder voorzitterschap te staan van mr. L.A. Kesper. Het secretariaat werd gevoerd door mr. Ph. De Vries. In het bestuur zaten, in tegenstelling tot Herrijzend Nederland, naast vertegenwoordigers van de verantwoordelijke departementen ook vertegenwoordigers van de belangrijkste geestelijke stromingen, de Kunstenaars Federatie en de omroepverenigingen. Het bestuur kreeg de verantwoordelijkheid het dagelijkse bestuur te benoemen. De uitvoering werd verdeeld over de Programmadienst, de Technische Dienst en de Financieel Economische Dienst. Verder was de stichting verantwoordelijk voor de inrichting van adviescommissies, zoals de Programma Coördinatie Commissie, en de liquidatie van de Rijksradio-omroep ‘De Nederlandse Omroep’. De omroepverenigingen waren slechts verantwoordelijk voor de voorbereiding en kregen niet de feitelijke zeggenschap over de programmering. Die verkregen ze wel in de tijd na de opheffing per 16 februari 1947 van Radio Nederland. Een kleine twee jaar na de bevrijding was de vraag naar het nieuwe omroepbestel beantwoord ten gunste van de voorstanders van een radiowezen gevormd door verschillende omroepverenigingen.
Reeds tijdens de bezetting fungeerde prof. J. Oranje, lid van het College van Vertrouwensmannen, als regeringscommissaris voor het Radiowezen. Hij hield toezicht op de omroep door te letten op de uitvoering van ministeriële beschikkingen inzake het radiobestel, de financiën en de regeling van de schadeloosstellingen. Na het aantreden van het kabinet-Schermerhorn werd hij opgevolgd door mr. L.A. Kesper. De regeringscommissaris was na het opheffen van de Stichting Radio Nederland in 1947 verantwoordelijk voor de afhandeling van de schadeloosstelling uit het rechtsherstel door de Rijksradio-omroep ‘De Nederlandse Omroep’ in liquidatie. Vanaf 1959 is de uitkering van de schadeloosstelling opgenomen in de begroting van de regeringscommissaris voor het Radiowezen en is de liquidatie van de Rijksradio-omroep beëindigd.
Commissie voor de Zuivering van het Radio-Omroeppersoneel
Op 19 juni 1945 installeerde prof. mr. J. Oranje (als regeringscommissaris en hoofd van de Commissie voor den Radio-Omroep) de Commissie voor de Zuivering van het Radio-omroeppersoneel. De taak van de commissie, onder voorzitterschap van mr. J. Roelse, bestond uit het zuiveren van het personeel dat de (vroegere) omroepverenigingen wensten aan te nemen, alsmede van alle leden van het vroegere omroeppersoneel indien zij zelf op zuivering prijs stelden en bij de Commissie voor den Radio-Omroep hadden gesolliciteerd.
De commissie zuiverde alleen het omroeppersoneel in vaste dienst en had dus geen bemoeienis met de zuivering van omroepbesturen of incidentele medewerkers. Cabaretmedewerkers werden bijvoorbeeld door de Ereraad voor de Kleinkunst doorgelicht.
Op 12 oktober 1945 werd definitief besloten om de commissie te splitsen in drie subcommissies, waardoor men hoopte sneller te kunnen werken. De Technische Subcommissie, eerst onder voorzitterschap van mr. F.J. Sträter, daarna D. Koffyberg, vergaderde van 9 oktober 1945 tot 16 april 1946 in 51 zittingen. De Artistieke Subcommissie, aanvankelijk onder voorzitterschap van mr. J. Roelse, daarna mr. F.J. Sträter, vergaderde van 8 oktober 1945 tot in september 1946 in 61 zittingen. De Administratieve Subcommissie stond onder voorzitterschap van mr. T.I.K.M. Hiltermann, vergaderde van 19 oktober 1945 tot 29 juni 1946 in eveneens 61 zittingen.
Begin oktober 1945 trad mr. Roelse af als voorzitter van de 'hoofdcommissie' en werd mr. Sträter voorzitter van de opvolgende 'Plenaire Commissie', waarin de subcommissies voor de behandeling van algemene zaken bijeenkwamen. Als secretarissen van de diverse (sub)commissies fungeerden mr. A.W. Hibbeln, A. Cauvern, mr. A.J.W. Wagenaar,C.Plaisir en H.S. Dijk.
Ten behoeve van de mogelijke revisie van besluiten van de commissie fungeerde vanaf december 1945 de Revisiecommissie onder voorzitterschap van mr. Hiltermann. De revisieprocedure werd op 2 februari 1946 in een reglement vastgelegd; ingesteld werd toen de Commissie van Advies over Bezwaarschriften tegen Uitspraken van de Commissie voor de Zuivering van het Radio-omroeppersoneel, bestaande uit mr. E. Brongersma, prof. mr. H.R. Hoetink en mr. B. van der Waerden. De bezwaarschriften werden eerst door de Commissie van Advies bestudeerd en daarna met gunstig of afwijzend advies aan de Revisiecommissie in behandeling gegeven. De Revisiecommissie vergaderde van december 1945 tot 20 oktober 1947 in 39 zittingen, nam 23 zaken in behandeling, waarvan in 17 gevallen tot vernietiging van de oorspronkelijke uitspraak werd overgegaan. Daarnaast was de Revisiecommissie, na opheffing van de subcommissies, belast met de afhandeling van de resterende zuiveringszaken.
In totaal zijn 741 personen op hun politieke zuiverheid en hun gedragingen tijdens de bezetting door de commissie en de Revisiecommissie onderzocht. Hiervan verkregen 341 een 'certificaat van zuiverheid'; tegen hun (weder)indiensttreding bij de omroep bestond geen bezwaar. In de overige 400 gevallen varieerde de uitspraak van een berisping tot een levenslang verbod om werkzaamheden voor een of andere omroep te verrichten. Circa 150 personen bleken te vallen onder de zogenaamde collectieve schorsingsmaatregel. Deze maatregel hield 5 maanden (5 mei-5 oktober 1945) schorsing van optreden voor de microfoon of vertegenwoordiging van de omroep naar buiten in voor ieder die na 1 april 1941 (toen De Nederlandsche Omroep een nationaal-socialistische instelling werd) voor de microfoon was opgetreden of de omroep op enigerlei wijze naar buiten had vertegenwoordigd.
Geschiedenis van het archiefbeheer
Van de bewaargeschiedenis van de archieven van de Commissie voor de Zuivering van het Radio-Omroeppersoneel, Radio-Omroep Herrijzend Nederland, Stichting Radio-Nederland in den Overgangstijd en de Regeringscommissaris voor het Radiowezen (gezamenlijke omvang 5 archiefdozen) is weinig bekend. Bij brief van 19 januari 1954 aan mr. H.S. Dijk (inv. nr.1765) verklaart de regeringscommissaris voor het Radiowezen zich bereid het archief van de voormalige Commissie voor de Zuivering van het Radio-Omroeppersoneel 'in bewaring te nemen en voor niet-bevoegden ontoegankelijk te houden'. Maar of dit uitgevoerd is en wat er later met het archief gebeurd is, is niet bekend. Invoeging van de fragmenten in reeds bewerkte of te bewerken hoofdgedeelten is aan te bevelen.
De persoonsdossiers (omvang 7, 5 meter), zijn gealfabetiseerd volgens de 'ABC-regels', handleiding voor het alfabetisch rangschikken. De 'IJ' is gealfabetiseerd bij de letter 'I' en niet bij de 'Y'.
Aan de totstandkoming van deze inventaris werkten mee:
- Voor het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport: L.B. Humbert
- Voor het Algemeen Rijksarchief: F. van Dijk, A. Fris
- Voor de CAS: P. van den Bogaerdt, G.J. Freerks, G.E. Erents als verantwoordelijk teamleider.
De verwerving van het archief
Het archief is krachtens bepalingen van de Archiefwet overgebracht.