2.05.01 Inventaris van het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1813-1870

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Gegevens voor deze inleiding zijn ontleend aan: F.J.M. Otten, Gids voor de archieven van de ministeries en de Hoge Colleges van Staat 1813-1940 (Den Haag, Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, 2004), pp. 197-207.

1. Organisatie

De Staatsregeling van 1798 riep een achttal onder het Uitvoerend Bewind ressorterende agentschappen in het leven, waaronder het Agentschap voor de Buitenlandse Betrekkingen. In 1801 werd dit agentschap omgezet in een Secretariaat voor de Buitenlandse Zaken en in 1806, onder het koninkrijk Holland, tot Ministerie van Buitenlandse Zaken. Na de inlijving bij het Franse keizerrijk in 1810 was er uiteraard voor een zelfstandig departement van Buitenlandse Zaken geen plaats meer. Eind 1813 werd het departement heropgericht, zij het aanvankelijk als Secretariaat en vanaf 1815 als Ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze laatste benaming is sindsdien ongewijzigd gebleven.
In de eerste jaren na 1813 kende Nederland een vrij actieve buitenlandse politiek in verband met het streven van koning Willem I zijn rijk als grote mogendheid erkend te krijgen. Na de afscheiding van België (1839) moest deze politiek worden opgegeven. Twijfel aan de nationale identiteit kwam daarvoor in de jaren-1840 in de plaats. Daarna werd neutraliteit het richtsnoer in de buitenlandse politiek. Het ministerie van Buitenlandse Zaken genoot medio 19de eeuw weinig prestige: bij kabinetsformaties fungeerde het departement nogal eens als sluitpost.
De Staten-Generaal toonden als regel weinig belangstelling voor de buitenlandse politiek. Omgekeerd had het parlement weinig greep op het beleid, wat onder meer samenhing met de betrekkelijk geringe wetgevende activiteit van Buitenlandse Zaken en met de geheimhouding die vaak vereist was. Bovendien huldigden de Nederlandse koningen in de 19de eeuw, zowel voor als na 1848, het standpunt, dat de buitenlandse betrekkingen eigenlijk buiten de competentie van de Staten-Generaal vielen.
Bij de heroprichting van het departement op 7 december 1813 werd Gijsbert Karel van Hogendorp, als lid van het Algemeen Bestuur een van de grondleggers van de nieuwe staat, benoemd tot secretaris van staat voor Buitenlandse Zaken. Van Hogendorp was afkerig van een administratie met talrijke afdelingen en bureaus. Bij de regeling van de organisatie en werkwijze in maart 1814 kwamen er dan ook slechts twee bureaus: één voor politieke en geheime zaken, belast met de correspondentie met de diplomaten, en één voor commerciële, financiële en huishoudelijke zaken.. Direct onder Van Hogendorp stond de secretaris van het departement, die toezicht hield op beide bureaus, maar meer direct werkzaam was in het eerste bureau. Het tweede bureau werd geleid door een commissaris. In 1815 werd een secretaris voor de geheime zaken toegevoegd aan het eerste bureau.
In september 1815 kreeg het departementshoofd de titel van minister. Na de samenvoeging met België resideerde het departement afwisselend in Den Haag en Brussel. In verband met de grote-mogendheidaspiratie hield Buitenlandse Zaken tijdens het Verenigd Koninkrijk van Willem I een zware diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland in stand. Zo bedroegen de kosten van het gezantschap te Londen in 1815 liefst 100.000 gulden, het dubbele van het departement zelf, dat destijds vijftien personeelsleden telde.
De reorganisatie van de departementen ingevolge het Koninklijk Besluit van 4 september 1823 nr.7 bracht ook voor Buitenlandse Zaken de aanstelling van een secretaris-generaal. De bureaus werden opgeheven. De secretaris voor geheime zaken behield pro forma zijn titel; de commissaris werd met de rang van referendaris toegevoegd aan de secretaris-generaal..
Onder de regering van Willem I werden fondsen voor de nijverheid ook aangewend voor consulaire activiteiten: om dit te vergemakkelijken werd in 1834 de administratie voor de Nationale Nijverheid overgebracht naar het departement van Buitenlandse Zaken, zij het als een afzonderlijk organisatie-onderdeel onder leiding van een administrateur. Deze combinatie was overigens van korte duur, want al in 1841 werden de taken van die administratie verkaveld over verschillende departementen, waarbij voor Buitenlandse Zaken het buitenlands economische beleid gereserveerd bleef.. Het handelsbeleid rond het midden van de 19de eeuw werd vooral bepaald door het streven naar vrijhandel en het beginsel van de vrije zee. Terwijl in deze jaren de diplomatieke dienst werd ingekrompen, werd het aantal consulaire agenten uitgebreid.
Omdat nogal wat ministers van Buitenlandse Zaken geen diplomatieke ervaring hadden, was er behoefte aan ondersteuning door een deskundige adviseur op dit terrein. Dit leidde in 1866 tot de instelling van het Kabinet, dat onder leiding kwam te staan van een diplomaat in de rang van gezant of gezantschapsraad.

2. Taken

De achtereenvolgende grondwetten vanaf 1814 gaven de Koning het `opperbestuur der buitenlandsche betrekkingen'. Als zodanig was de Kroon bevoegd zorg te dragen voor het diplomatieke verkeer, de benoeming van gezanten en consuls, het ontvangen van vreemde gezanten en consuls, het voeren van onderhandelingen en het sluiten van verdragen met vreemde mogendheden. De minister van Buitenlandse Zaken was bij uitsluiting belast met het buitenlands beleid van het gehele koninkrijk, inclusief Oost- en West-Indië. Wel was het usance, dat de minister van Koloniën werd betrokken bij koloniale kwesties en de betrekkingen met het Nabije en Verre Oosten.
2.1 Diplomatieke en protocollaire aangelegenheden
Het was de taak van de diplomatieke ambtenaren om tussenkomst te verlenen bij het diplomatieke verkeer tussen de Nederlandse regering en het land waar zij resideerden. De contacten tussen de Nederlandse en buitenlandse regeringen verliepen tot circa 1920 uitsluitend langs diplomatieke weg. Daarnaast hadden de diplomaten als taak over de ontwikkelingen in het land van hun standplaats periodiek te rapporteren aan hun minister. Benoeming en ontslag van diplomaten geschiedden bij KB maar werden voorbereid en uitgevoerd door het departement.
Op het Congres van Wenen (1815) was een rangorde van diplomatieke vertegenwoordigers vastgesteld. De eerste categorie bestond uit ambassadeurs: zij werden alleen door grote mogendheden onderling ingezet. De tweede werd gevormd door buitengewone gezanten en gevolmachtigde ministers: de gezanten. De derde groep, die van ministers-resident (met minder bevoegdheden dan een gezant) verdween in de loop van de 19de eeuw. Ten slotte waren er nog de zaakgelastigden.
In de beginjaren had Nederland een naar verhouding omvangrijk diplomatiek apparaat, met ambassades in Londen en Constantinopel. Na het aflopen van hun termijnen, respectievelijk in 1832 en 1828 heeft Nederland tot 1940 geen ambassadeurs meer benoemd.. Op aandrang van de Tweede Kamer werd na 1830 het aantal diplomatieke posten ingekrompen, terwijl andere een lagere status kregen. Rond 1850 hield Nederland zestien gezantschappen aan in het buitenland. Tot 1855 werden de contacten met veraf gelegen landen waarmee geen formele diplomatieke banden bestonden, zoals China en Japan, onderhouden door het departement van Koloniën.
Van 1815-1867 was Buitenlandse Zaken betrokken bij een diplomatiek ingewikkelde situatie, waarbij het groothertogdom Luxemburg, bestuurd door de Koning van Nederland als Groothertog, lid was van de Duitse Bond. Dit gold van 1840-1867 tevens voor het hertogdom Limburg, dat echter in afwijking van Luxemburg als provincie deel uitmaakte van het koninkrijk der Nederlanden.
Onder de protocollaire taken vielen:
  • het onderhouden van de contacten van de Koning met andere staatshoofden en met aanzienlijke personen, waaronder het regelen van staatsbezoeken;
  • aangelegenheden van het Koninklijk Huis: informatie aan het buitenland over geboorten, huwelijken en overlijden;
  • de accreditering van buitenlandse diplomaten in Nederland en van Nederlandse diplomaten in het buitenland;
  • het verlenen van Nederlandse onderscheidingen aan niet-Nederlanders en het geven van toestemming aan Nederlanders tot het aannemen van buitenlandse decoraties.
2.2 Sluiten van verdragen
Ingevolge artikel 58 van de Grondwet van 1815 had de Koning het recht verdragen te doen sluiten en te bekrachtigen, zij het met de verplichting daarvan aan de Staten-Generaal mededeling te doen. Voor verdragen inzake ruil of afstand van grondgebied was de goedkeuring van het parlement nodig. De bekrachtiging door de Koning vond plaats door middel van een plechtige oorkonde, waarin de gehele tekst van het verdrag was opgenomen. Voor andere overeenkomsten dan verdragen gold de goedkeuring bij wet niet: zij moesten wel zo spoedig mogelijk aan de Staten-Generaal worden meegedeeld.
Het voeren van de onderhandelingen over traktaten en overeenkomsten was een taak van Buitenlandse Zaken. Vaak gebeurde dat in nauw overleg met andere departementen. Bij bepaalde verdragen verleende Buitenlandse Zaken in hoofdzaak slechts diplomatieke tussenkomst: zo werden uitleveringsverdragen mede door Justitie behandeld.
2.3 Buitenlandse economische betrekkingen
De rol van Buitenlandse Zaken op dit beleidsterrein is niet altijd even groot geweest. In de beginjaren lag het zwaartepunt bij het ministerie van (Koophandel en) Koloniën en gedurende de gehele periode was de voor het handelsbeleid zo belangrijke heffing van rechten van in-, uit- en doorvoer een zorg van het ministerie van Financiën.
Met het oog op de behartiging van de belangen van de Nederlandse handel- en scheepvaart beschikte Buitenlandse Zaken in veel landen over consulaire agenten. .Tot ver in de 19de eeuw waren de meeste consuls onbezoldigde handelslieden, voor wie het consulaat een nevenactiviteit was. Er waren drie consulaire rangen: consul-generaal, consul en vice-consul; de twee eerste categorieën werden bij KB benoemd. Al in januari 1814 werd een regeling inzake hun taken vastgesteld, nadien gevolgd door diverse herzieningen.
Hun primaire taak was de bescherming van Nederlandse onderdanen, vooral hun belangen bij handel en scheepvaart: inklaring, aan- en afmonstering, het afgeven van zeebrieven, voorzieningen bij schipbreuk e.d. Zij moesten het departement periodiek informatie verschaffen, zoals halfjaarlijkse lijsten van Nederlandse schepen met gegevens over hun vracht en jaarlijkse verslagen over de economische situatie in het land van hun standplaats. De laatste categorie werd vanaf 1865 door het departement gepubliceerd, nadat eerder (vanaf 1849) samenvattingen waren verschenen in de Staatscourant. In landen waar Nederland diplomatiek niet vertegenwoordigd was, verzorgden de consuls-generaal tevens de politieke rapportage.
De meeste handelsverdragen kenden een summiere inhoud, veelal neerkomend op meestbegunstiging of behandeling op dezelfde voet als eigen onderdanen. Voor de handel op de koloniën moest Nederland vanaf 1855 vaak akkoord gaan met wederzijdse toelating van consuls.
2.4 Politiek-juridische aangelegenheden
In ruime zin was Buitenlandse Zaken belast met de behartiging van de belangen van Nederlandse staatsburgers in het buitenland en van vreemdelingen in Nederland. Over de rechten, status en bevoegdheden van wederzijdse staatsburgers waren met veel landen overeenkomsten gesloten. Daarin waren onder meer kwesties van nationaliteit en exterritorialiteit geregeld. In het laatste geval waren westerse onderdanen in vooral Aziatische en Noordafrikaanse landen onttrokken aan de plaatselijk rechtsinstellingen en kon hun zaak worden behandeld door de Nederlandse consul in het desbetreffende land.
Voorts had het departement de taak paspoorten af te geven. Een groot aantal Nederlandse consulaire posten had de bevoegdheid om ten aanzien van aldaar verblijvende Nederlanders registers van de Burgerlijke Stand aan te houden, notariële akten op te stellen en hulp te verschaffen aan rechterlijke autoriteiten. Het departement was belast met de afhandeling van nalatenschappen van in den vreemde overleden Nederlanders. Ten aanzien van de uitlevering van misdadigers en toelating en uitzetting van vreemdelingen, een taak die viel onder het ministerie van Justitie, diende Buitenlandse Zaken te letten op een juiste uitvoering van de verdragen en overeenkomsten.
Ten slotte had het departement bemoeienis met aangelegenheden van internationaal publiek- en internationaal privaatrechtelijke aard en juridische kwesties voortvloeiend uit verdragen, gesloten met vreemde mogendheden.

Geschiedenis van het archiefbeheer

De verwerving van het archief

Het archief is krachtens bepalingen van de Archiefwet overgebracht.