Geschiedenis Algerije
In 1976 kwam er een nieuwe grondwet. Algerije werd officieel een éénpartijstaat en Boumédienne president. Boumédienne was een voorzichtig en vooral pragmatisch man, die zich met name richtte op het verbeteren van de economische toestand van het land. Die economie had enorm te lijden gehad onder het vertrek van vooral veel bekwame Europese bestuurders en technici. Een ander groot probleem was de zeer hoge werkloosheid, waardoor veel Algerijnen voor een baan toch maar hun toevlucht zochten in Frankrijk. De economische toestand van Algerije werd uiteindelijk gered na de vondst en exploitatie van olie- en gasvelden in Zuid-Algerije, hoewel het vele geld dat daarmee verdiend werd, niet echt bij de gewone man in de straat terecht kwam.
Kolonel Boumédienne overleed in december 1978 en kolonel Chadli Bendjedid werd intern door het Front de Libération Nationale (FLN) gekozen als derde president van Algerije. In de regeringsperiode van Bendjedid, die twaalf jaar duurde tot 1992, liepen de sociale spanningen steeds verder op. Berber-studenten liepen te hoop tegen de voortgaande arabisering van regering en onderwijs. De regering deed de studenten wat kleine toezeggingen, maar dat leverde weer woedende protesten op van conservatieve, rechtlijnige islamisten, die de straat opgingen om hun ongenoegen kenbaar te maken. De politie greep hard in, maar aan de andere kant werden er als goedmakertje nieuwe moskeeën geopend en werden de rechten van vrouwen verder beperkt. Ook de maatregelen die Bendjedid nam om de treurige toestand van de economie te verbeteren werden met zeer veel argwaan bekeken door de oude FLN-mastodonten. Hét bastion van de socialistische economische controle, een centrale planningsautoriteit, werd opgeheven en bedrijven en banken kregen veel meer vrijheid om te ondernemen.
Dit alles leverde echter weinig op qua sociale rust, want vanaf 5 oktober 1988 liepen massale stakingen uit op rellen in Algiers, en vervolgens ook in steden als Annaba, Blida en Oran. Het geweld in de 'Oktoberrellen' of 'Zwarte Oktober' kostte ongeveer vijfhonderd mensen het leven. De regering hield echter voet bij stuk en liberaliseerde vanaf 1989 de samenleving steeds verder. Er kwam meer persvrijheid en ook het politieke systeem werd flink opgeschud door het grondwettelijk toestaan van andere politieke partijen dan het FLN. Abassi Madani en Ali Belhadj richtten in 1989 het Front Islamique du Salut (FIS) of Islamitisch Reddingsfront op, dat snel aan populariteit won en lokale verkiezingen begon te winnen.
Op 26 december 1991 werden de eerste vrije parlementsverkiezingen gehouden waaraan meerdere politieke partijen mochten deelnemen. De FIS zorgde voor een aardverschuiving door van de 231 te winnen parlementszetels er 188 te winnen, de FLN won er maar 15, zelfs tien minder dan de Front des Forces Socialistes (FFS), een Berber-partij met vooral veel aanhang in de regio Kabylië. Dit ging het leger echter veel te ver en zij greep hard in. Het parlement werd begin 1992 ontbonden, Bendjedid werd gedwongen af te treden, de tweede ronde van de verkiezingen werd geannuleerd, in februari 1992 werd de noodtoestand afgekondigd en het FIS werd verboden. De FIS-leiders Madani en Belhadj werden gearresteerd en andere leiders vluchtten naar het buitenland.
Bendjedid werd in eerste instantie vervangen door een uit vijf personen bestaande Haut Conseil d'Etat (HCE) onder leiding van president Mohammes Boudiaf. Boudiaf werd echter al na zes maanden onder zeer verdachte omstandigheden vermoord door een 'lone wolf' die religieuze motieven zou hebben gehad, maar het lag meer voor de hand dat Boudiaf het slachtoffer was geworden van zijn streven om de geïnstitutionaliseerde corruptie in zijn land aan te pakken. Boudiaf werd op 2 juli 1992 door de FLN-hardliner Ali Kafi (1928-2013) opgevolgd, die op zijn beurt op 31 januari 1994 werd vervangen door een voormalige generaal, Liamine Zéroual, die als negende president van Algerije aantrad in een periode dat Algerije op de rand van een burgeroorlog stond.
De burgeroorlog, door militanten meteen al de 'tweede bevrijdingsoorlog' genoemd, had in april 1994 al meer dan 3000 mensen het leven gekost, waaronder relatief gezien vrij veel buitenlanders. De guerrilla's, verenigd in groeperingen als Groupes Islamiques Armés (GIA) en de Mouvement Islamique Armé (MIA), richtten zich vooral op politiemensen, burgemeesters, rechters en francofiele intellectuelen. De regering beantwoordde het geweld van deze groeperingen met massale arrestaties van verdachten en het instellen van paramilitaire doodseskaders die wraak namen op activiteiten van de guerrilla's. Het lukte president Zéroual echter niet om het geweld terug te dringen, want in juli 1995 ontplofte er een door de GIA gezette bom in de Parijse metro en in december van dat jaar werd er een vliegtuig van Air France gekaapt in Algiers. In november 1996 werden er constitutionele hervormingen toegezegd, maar de situatie werd steeds erger. In de eerste twee weken van de ramadan werden meer dan 300 mensen vermoord, vaak door middel van rituele massaslachtingen.
In 1998 werd president Zéroual gedwongen om op te stappen en de militairen deden een beroep op de vroegere minister van buitenlandse zaken, Abdelaziz Bouteflika, om president te worden. Bouteflika 'won' de verkiezingen van 1999, er waren zeven gegadigden die zich echter op de dag van de verkiezingen terugtrokken, en hij kondigde een politiek van verzoening en nationale eenheid aan. Een aantal islamistische strijders werd zelfs amnestie aangeboden als ze hun wapens zouden inleveren en hij corrigeerde het beeld dat in de burgeroorlog tot dan toe 'maar' 26.000 doden zouden zijn gevallen volgens het officiële regeringsstandpunt. Bouteflika gaf toe dat het er minstens 100.000 waren geweest, en bovendien gaf hij toe, voor de eerste keer ooit door de regering, dat het schrappen van de verkiezingen in 1992 een 'daad van geweld' waren geweest ten opzichte van de FIS.
In juni 1999 kreeg Bouteflika van de leider van de FIS de garantie dat de guerilla-tak, de GIA, zich niet meer gewapend tegen de regering zou keren, en verzocht ook andere terroristische groeperingen om hetzelfde te doen. Er begint zich een scheuring in de GIA af te tekenen, waarvan sommige leden aan de vredesproces willen deelnemen. Deze tekenen van optimisme worden nog versterkt als amnestie wil verlenen aan een aantal moslimterroristen. In juli 1999, op de 37e verjaardag van een onafhankelijk Algerije, werden ca. 5000 gevangenen vrijgelaten.
In 2004 werd president Bouteflika voor een tweede termijn herkozen en zette hij zijn programma van nationale verzoening, hervorming van de nationale economie en de opening naar het buitenland voort. Die tweede termijn was trouwens alleen mogelijk door een verandering in de grondwet over het maximumaantal zittingstermijnen voor een president. Ook in zijn tweede termijn als president bleef Algerije gebukt gaan onder hoge werkloosheid, een huizentekort, elektriciteits- en waterproblemen en een inefficiënte en corrupte ambtenarij.
In 2006 ging de Groupe Salafite pour la Prédiction et le Combat (GSPC), een afsplitsing van de GIA, samen met Al-Qaeda en veranderde op 25 januari 2007 haar naam in Al-Qaïda au Maghreb Islamique (QMI), die onder andere in de Verenigde Staten, Canada en Groot-Brittannië gekenmerkt wordt als een terroristische organisatie.
In 2007 waren er veel bomaanslagen en ontvoeringen door QMI in Algerije, gericht tegen de regering en westerse personen en belangen in Algerije. In juni 2008 benoemde president Bouteflika Ahmed Ouyahia tot nieuwe premier. Ouyahia werd toen al voor de derde keer premier van Algerije, van 31 december 1995 tot 15 december 1998, van 5 mei 2003 tot 24 mei 2006 en van 23 juni 2008 tot 3 september 2012.
In november 2008 nam het parlement een grondwetswijziging aan waarmee de weg werd vrijgemaakt voor een derde termijn voor Bouteflika, die de presidentsverkiezingen in april 2009 overduidelijk won en aan zijn derde termijn als president kon beginnen.
In de periode 2010-2012, de periode van de Arabische Lente, vonden er vanaf 28 december 2010 in heel Algerije voortdurend protesten plaats, geïnspireerd door soortgelijke protesten in het Midden-Oosten en de rest van Noord-Afrika. Oorzaken van deze demonstraties waren onder meer werkloosheid, woningnood, steeds hogere voedselprijzen, corrupte overheid, beperkingen van de vrijheid van meningsuiting en de slechte leefomstandigheden. Lokale protesten waren al lang vóór 2010 gemeengoed, maar de golf van demonstraties en rellen, aangewakkerd door een plotselinge stijging van de voedselprijzen, waren tot nu toe ongekend. De overheid greep snel in door de voedselprijzen te verlagen, maar de geest was al uit de fles en de situatie escaleerde door een aantal zelfverbrandingen voor overheidsgebouwen. Oppositiepartijen, vakbonden en mensenrechtenorganisaties begonnen, ondanks het uitroepen van de noodtoestand, wekelijks zonder toestemming van de overheid demonstraties te houden. De overheid onderdrukte deze demonstraties zoveel mogelijk, maar hief de noodtoestand op. Protesten van werkloze jongeren tegen de hoge jeugdwerkloosheid, onderdrukking en infrastructurele problemen kwamen verspreid over het land nog bijna dagelijks voor in de meeste grote steden.
In 2011 stelde de Algerijnse regering naar aanleiding van de Arabische Lente in bijvoorbeeld Tunesië en Egypte politieke hervormingen voor, zoals het opheffen van de al 19 jaar durende noodtoestand en een verhoging van het aantal vrouwen dat voor de overheid werkte.
Op 3 september 2012 werd Abdelmalek Sellal door president Bouteflika tot premier benoemd als opvolger van Ahmed Ouyahia. Parlementsverkiezingen in mei 2012 en provinciale verkiezingen in november 2012 werden gewonnen door de FLN, terwijl de islamitische oppositiepartijen slecht presteerden.
Op 16 januari 2013 bestormden militante moslims een gasfabriek bij Amenas in Zuidoost-Algerije en gijzelden Algerijnse en buitenlandse arbeiders. Een Algerijnse beveiliger en 38 buitenlanders werden gedood voordat elitetroepen van het Algerijnse leger het complex heroverden.
In april 2013 werd Bouteflika in Frankrijk verpleegd na een beroerte. Politieke protesten van de bevolking bleven in 2013 beperkt, op wat gewelddadige sociaal-economische demonstraties na van verschillende groepen.
In juli 2014 keerde Bouteflika weer terug naar Algerije waar hij in 2014 opnieuw kandidaat werd voor de presidentsverkiezingen en in april voor een vierde termijn werd herkozen. Hij kreeg daarbij hulp van Sellal, die korte tijd terugtrad als premier en in de verkiezingsperiode fungeerde als campagneleider voor Bouteflika. Zijn vervanger was Youcef Yousfi, op 28 april 2014 nam Sellal zijn functie als premier weer op. Bouteflika behaalde een grote meerderheid met 81,53% van de stemmen.