De distributie van levensmiddelen begon in 1939. Tot de inval van de Duitsers bleef de distributie beperkt tot een proefneming met peulvruchten en suiker. Tijdens de Duitse bezetting en ook na de bevrijding in mei 1945 nam het aantal in distributie gebrachte voedingsmiddelen en industriële artikelen gestaag toe. De distributie van levensmiddelen bereikte een hoogtepunt in de jaren 1946 en 1947. De distributiestamkaart vormde de grondslag van het distributiestelsel. Uitgifte van deze kaart was gebaseerd op de gegevens van de bevolkingsregisters. Om in aanmerking te komen voor een distributiestamkaart moest men opgenomen zijn in een bevolkingsregister (hetzij gemeentelijk, hetzij centraal).
Besluit van 31 maart 1936 tot vaststelling van voorschriften omtrent het aanleggen, inrichten en bijhouden van bevolkingsregisters en het doen der daartoe vereischte opgaven (besluit bevolkingsboekhouding Stb. 1936/342).
Tweemaal heeft een algemene uitreiking van stamkaarten plaatsgevonden: in 1939 en in 1944. De Rijksdistributiekaart, uitgegeven in september 1939, kan worden beschouwd als een voorloper van de Distributiestamkaart (afgekort d.s.k.). In een aantal bijzondere gevallen vonden nog enkele grotere uitreikingen plaats van (nood-)stamkaarten, zoals na het bombardement van Rotterdam en na de bevrijding in 1945.
5.2 De Tweede Distributiestamkaart 1944-1949
De tweede distributiestamkaart (TD)
De Tweede Distributiestamkaartenbeschikking 1943 trad in werking met ingang van 13 december 1943. De beschikking werd niet in de Staatscourant gepubliceerd.
is in vele opzichten een voorbeeld van een maatregel van de Duitse bezettingsmacht in Nederland. De instructies voor de behandeling van deze kaarten waren tot in detail nauwkeurig vastgelegd om fraude te voorkomen. De TD met bijbehorende inlegvellen waren slechts geldig binnen de distributiekring waarin zij waren uitgegeven. Na de bevrijding werd een nieuwe regeling ontworpen die aanmerkelijk eenvoudiger was. Deze beschikking had slechts betrekking op de na-uitreiking en de inlevering. Op 13 juni 1948 werden de inlegvellen buiten gebruik gesteld.
Stcr. 1948/125.
De Tweede Distributiestamkaartenbeschikking werd per 1 januari 1950 ingetrokken.
Stcr. 1949/255.
5.4 Bonkaarten
Voor de voorziening van particuliere verbruikers werden bonnen aangewezen op de bonkaarten voor voedingsmiddelen en op de versnaperingen (zg. gemengde kaarten). Voor bonkaarten kwamen in aanmerking personen, die in rechtmatig bezit waren van een distributiestamkaart. De procedure, welke gevolgd werd bij de terbeschikkingstelling van voedingsmiddelen verliep in de regel zo, dat voor de normale verbruikers periodiek bonkaarten werden uitgegeven, waarop regelmatig bepaalde nummers geldig werden verklaard voor een zekere hoeveelheid van een artikel. Na uitreiking van de rijksdistributiekaart volgden afzonderlijke bonkaarten voor de voornaamste levensmiddelen en een algemene bonkaart voor artikelen, waarvoor bonaanwijzing beperkt bleef tot een keer per vier weken. Iedere distributiegerechtigde bezat in 1941 één bonkaart algemeen, een broodkaart, bloemkaart, vleeskaart, boterkaart. Tijdens de periode vanaf oktober 1944 tot oktober 1945 waren zgn. noodkaarten in gebruik. Deze kaarten bevatten genummerde bonnen zonder produkt-aanduiding, zodat elke bon voor een willekeurig produkt kon worden aangewezen. Dit systeem maakte een soepele aanwijzing mogelijk maar had als nadeel dat controle minder efficient verliep. Naarmate in de jaren 1946 en 1947 een meer gestabiliseerde toestand ontstond werd het oude systeem van vóór 1944 hersteld. Behalve de normale bonkaarten werden tevens zgn. toeslagkaarten uitgereikt voor:
- bijzondere arbeid;
- zwangere vrouwen en jonge moeders;
- zieken.
ad a. Voor bepaalde vormen van arbeid werden boven de gangbare rantsoenen toeslagkaarten voor bijzondere arbeid verstrekt (voor modellen zie inv. nr. 269). Voor deze verstrekkingen waren beroeplijsten samengesteld.
Zie circulaire van 12 juni 1941; de beoordeeling van den aard der werkzaamheden, in verband met de te verstrekken extra rantsoenen, met lijsten van beroepen A en B.
De toeslagkaarten waren onderverdeeld in klassen: licht verzwaarde arbeid, matig zware arbeid, zware arbeid, zeer zware arbeid en uiterst zware arbeid. De aanvragen voor toeslagkaarten werden in de regel aangevraagd door de werkgever.
ad b. Vrouwen, die in de laatste 24 weken van hun zwangerschap waren, konden in aanmerking komen voor extra voedingsmiddelen. Bij aanvraag moest de vrouw een attest van arts of vroedvrouw overleggen, waaruit bleek, dat zij in de laatste 24 weken van haar zwangerschap was.
ad c. Ten behoeve van patiënten, die in verband met ziekte meer of andere voedingsmiddelen dan de normale rantsoenen nodig hadden, werden toeslagkaarten verstrekt. Richtlijnen voor deze verstrekkingen werden vastgesteld door de geneeskundige hoofdinspecteur van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid. De aanvraag geschiedde niet door de patiënt zelf maar door de behandelende geneesheer.
In beginsel werd gestreefd naar een algemene landelijke geldigheid van bonkaarten. Vanaf 1942 is voor een scherpere controle op onregelmatigheden de stad en landregeling ingevoerd.
5.5 Controle op het waardemateriaal
De directe controle op het waardemateriaal berustte bij de afdeling Interne Controle van elke distributiedienst. De eindcontrole berustte bij de afdeling Administratie van het CDK, die werd bijgestaan door de bijkantoren en de Inspectie van de afdeling Buitendienst van het CDK. De inspectie van de Afdeling Buitendienst was belast met het algemeen toezicht op de gang van zaken bij de distributiediensten.