Terug naar zoekresultaten

2.06.061 Inventaris van het archief van het Ministerie van Economische Zaken; Adviseur/Afdeling Produktiviteitsbevordering, 1951-1966

Voer een zoekterm in
VorigeVolgende

Archief

Titel

2.06.061
Inventaris van het archief van het Ministerie van Economische Zaken; Adviseur/Afdeling Produktiviteitsbevordering, 1951-1966

Auteur

CAS 31

Versie

06-07-2021

Copyright

Nationaal Archief, Den Haag
1987 cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok

Ministerie van Economische Zaken; Afdeling Productiviteitsbevordering
EZ / Productiviteitsbevordering

Periodisering

oudste stuk - jongste stuk: 1950-1970

Archiefbloknummer

E20215

Omvang

; 929 inventarisnummer(s) 20,90 meter

Taal van het archiefmateriaal

Het merendeel der stukken is in het
Nederlands

Soort archiefmateriaal

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefdienst

Nationaal Archief

Locatie

Den Haag

Archiefvormers

Ministerie van Economische Zaken/Adviseur voor de productiviteitsbevordering en de afdeling productiviteitsbevordering (1950-) Ministerie van Economische Zaken/Coördinatiecollege voor de productiviteit Ministerie van Economische Zaken/Raad van Toezicht op de Sociologische en Sociaal-Psychologische projecten Ministerie van Economische Zaken/commissie tot onderzoek Ploegenarbeid en Vermoeidheidsfactor, , 1953-1961, , 1954-1959

Samenvatting van de inhoud van het archief

Het archief bevat stukken die zijn opgesteld in de periode na WOII, door de verschillende ambtelijke organen, ressorterend onder het Ministerie van Economische Zaken, met als doel het bevorderen van de productiviteit. Er worden hierbij horizontale (nationaal gericht) en verticale activiteiten (branchegericht) onderscheiden. Daarnaast ook stukken die betrekking hebben op internationale productiviteitsaangelegenheden.

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer
Op 15 maart 1951 ( Koninklijk besluit van 14 maart 1951, Staatsblad 53. ) werd de grondslag voor de productiviteitsbevordering gelegd met de benoeming van prof.dr. A.H.M. Albregts als Minister zonder Portefeuille bij het Ministerie van Economische Zaken.
De aanleiding tot een en ander was de gebrekkige groei van de economische productie in Nederland. Het bleek noodzakelijk om de loonpolitiek van de gevaren, die de loonstop voor de economische ontwikkeling inhield, los te maken en op de productiviteitsbevordering af te stemmen. Naarmate aan dit streven de nodige bedrijfseconomische precisering werd gegeven, werd een meer actieve medewerking van het Ministerie van Economische Zaken vereist en daarnaast ook van de andere departementen, die op hetzelfde werkterrein taken hadden.
Een externe stimulans werkte in dezelfde richting. Als consequentie van de Marshallhulp in 1947 wensten de Amerikaanse autoriteiten een deel van de door hen beschikbaar gestelde tegenwaardegelden voor productiviteitsbevordering bestemd te zien, teneinde de achterstand van Europa in vergelijking tot Amerika te verkleinen. Volgens de Amerikaanse visie werd onder productiviteitsbevordering een breed terrein van activiteiten verstaan, dat een interdepartementale coördinatie vereiste. Bovendien moesten de op deze wijze verkregen middelen bij het Ministerie van Economische Zaken centraal worden beheerd. Deze fondsen kwamen in 1952 en 1953 ter beschikking en bedroegen in totaal circa 42 miljoen gulden.
De COP
Reeds in 1950 werd voor het contact met het bedrijfsleven de Contactgroep Opvoering Productiviteit (COP) gevormd, die in 1962 is opgegaan in SER verband onder de naam Commissie Opvoering Productiviteit.
Aanvankelijk was de taak van de COP vooral het propageren van productiviteitsverbetering. Daarnaast had dit orgaan speciale taken. In de eerste drie, vier jaren organiseerde zij reizen ten behoeve van bedrijfsgenoten naar Amerika en de overkomst van Amerikaanse deskundigen in het kader van de Technische Bijstand (Technical Assistance). Later kwam daarbij het adviseren van de Minister van Economische Zaken omtrent de programmering en de uitvoering van productiviteitsprojecten. Tussen de COP en het Ministerie van Economische Zaken kwam een taakverdeling tot stand. Hoewel de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van projecten steeds geheel aan het bedrijfsleven werd overgelaten, was controle nodig op de besteding van de gelden. Dit laatste was een departementale aangelegenheid.
Daarnaast ontstond, zowel bij de voorbereiding als bij de uitvoering van de projecten, meestal een vrij intensief en duurzaam contact tussen de hierna te noemen Adviseur voor de Productiviteitsbevordering en de betrokkenen aangaande de middelen en methoden waarmee de productiviteitsbevordering in concreto moest worden verbeterd.
Het Coördinatiecollege voor de Productiviteit
Ten behoeve van de interdepartementale samenwerking werd op 1 juni 1951 ( Beschikking van de Minister zonder Portefeuille van 1 juni 1951, nummer 17451, afd. Algemene en Financiële Zaken. ) het Coördinatiecollege voor de Productiviteit gevormd, onder voorzitterschap van minister prof.dr. A.H.M. Albregts en zijn opvolgers. De taak van dit college was te onderzoeken op welke wijze de productiviteit in het bedrijfsleven kon worden bevorderd en het ter zake te voeren beleid kon worden gecoördineerd. Met ingang van medio juli 1951 werd overgegaan tot de benoeming van mr. J.A. Berger als Adviseur voor de Productiviteitsbevordering. Hij heeft deze functie uitgeoefend tot zijn overlijden op 18 oktober 1961 ( Keesings Historisch Archief, dertigste jaargang, pagina 16939, nummer 1326. ) . Daarna is de functie opgeheven.
De Afdeling Productiviteitsbevordering
Op advies van mr. J.A. Berger werd de afdeling Productiviteitsbevordering opgericht. De taken hiervan waren de volgende:
  • Het stimuleren van collectieve productiviteitsacties in het bedrijfsleven;
  • het bestuderen en bevorderen van wetenschappelijke onderzoekingen in het kader van de productiviteitsbevordering op bedrijfsorganisatorisch, bedrijfseconomisch, sociologisch en sociaal psychologisch terrein;
  • het behandelen van aanvragen om financiële steun uit het productiviteitsfonds;
  • het onderhouden van contact met de instellingen, welke financiële steun uit het productiviteitsfonds ontvangen, zoals de verschillende productiviteitscentra;
  • centraal contactpunt voor de Contactgroep Opvoering Productiviteit (tot 1961), daarna Commissie Opvoering Productiviteit van de Sociaal Economische Raad;
  • centraal contactpunt voor het Europees Productiviteits Agentschap (EPA), vanaf 1962 internationale productiviteitsaangelegenheden genoemd.
Tot 1964 was de afdeling een zelfstandige afdeling van het Ministerie van Economische Zaken. Vanaf 1964 was de afdeling een hoofdafdeling onder het Directoraat generaal voor Industrie en Handel van het Ministerie van Economische Zaken. De taken bleven ongewijzigd.
In 1966 onderging de hoofdafdeling een organisatorische verandering. Door samenvoeging met de hoofdafdeling Industriële Ontwikkeling ontstond de hoofdafdeling Productiviteitsbevordering en Industriële Ontwikkeling. Het hoofd van de afdeling jhr.drs. H. Quarles van Ufford en zijn medewerkers mr. A.A.T. van Rhijn en drs. Ph. Schnebbelie werden onder andere belast met het secretariaat van de volgende archieven:
  1. Het archief van het Coördinatiecollege voor de Productiviteit;
  2. het archief van de Raad van Toezicht op de Sociologische en Sociaal psychologische Projecten. De raad was ingesteld op 7 mei 1954 en had tot taak toezicht houden op de uitvoering van de sociaalpsychologische en sociologische onderzoekingen, die werden uitgevoerd met subsidie uit de tegenwaarderekening en eventueel andere rijksmiddelen, en de Minister voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie dienaan gaande verslag uit brengen;
  3. het archief van de Commissie tot Onderzoek Ploegenarbeid en Vermoeidheidsfactor. Deze commissie was vermoedelijk ingesteld in februari 1954 en had tot taak onderzoekingen verrichten naar de sociale aspecten van de toenemende ploegenarbeid in de bedrijven en de normale arbeidsbelasting.
Geschiedenis van het archiefbeheer
Het archief van de Adviseur voor de Productiviteitsbevordering en de afdeling Productiviteitsbevordering omvatte de periode 1951 - 1966. Oorspronkelijk was dit archief zaaksgewijs geordend en vermengd met de archieven van het Coördinatiecollege voor de Productiviteit, de Raad van Toezicht op de Sociologische en Sociaal psychologische Projecten en de Commissie tot Onderzoek Ploegenarbeid en Vermoeidheidsfactor. De zaaksgewijze ordening bleek echter niet altijd even consequent doorgevoerd te zijn.
Tot 1960 werden in de dynamische periode de stukken ingeschreven in agenda's. Van 1953 tot 1954 werd door een tijdelijk aan de afdeling toegevoegde ambtenaar een aparte agenda bijgehouden. Deze droeg de naam 'agenda OESO stukken' en had betrekking op de stukken van internationale productiviteitsaangelegenheden. Niet achterhaald kon worden welke methode van inschrijving na 1960 is gehanteerd.
Voor de indeling van het archief werd na 1960 gebruik gemaakt van een speciaal voor dit archief ontworpen registratuurplan. Hieruit bleek dat voor het gehele archief slechts één codegetal van de code van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten toepasbaar was, namelijk 1.826.398.32 Productiviteitsbevordering, zodat het noodzakelijk was een nadere onderverdeling te maken. Hierbij werd het codegetal vervangen door de letters PB met toevoeging van een notatie. Deze indeling is bij de overplaatsing van de stukken naar de bewaarplaats voor semi-statische archieven verloren gegaan. Om het archief in deze periode toegankelijk te maken werd een plaatsingslijst vervaardigd.
Stukken van personele aard zijn niet aangetroffen. Ook na informatie bij het Ministerie van Economische Zaken en raadpleging van de archieven van het Directoraat generaal voor Industrie en Handel en het Centraal Archief, eveneens van het Ministerie van Economische Zaken, is niet duidelijk geworden waar deze stukken zich bevinden.
De verwerving van het archief
Overbrenging van een overheidsarchief

Inhoud en structuur van het archief

Selectie en vernietiging
Zowel in de dynamische als de semi-statische periode werden geen stukken vernietigd.
Voor de selectie van het archief van de APB en de secretariaatsarchieven is gebruik gemaakt van de officieel vastgestelde lijst van voor vernietiging in aanmerking komende bescheiden van het Ministerie van Economische Zaken 1965. Voor de bewerking was de totale omvang van de archieven 27 meter. Hiervan werd 1,5 meter afgescheiden en 5 meter vernietigd, hetgeen neerkomt op een vernietigingspercentage van 19,6.
Op 18 oktober 1955 door de Commissie tot Onderzoek Ploegenarbeid en Vermoeidheidsfactor was de Stichting Onderzoek ploegenarbeid en normale arbeidsbelasting in het leven geroepen voor de praktische uitvoering van het onderzoek naar ploegenarbeid. Het archief van de Stichting is door dr G.H. Bast, voormalig sociologisch teamleider, aan het ARA, geschonken. Bij overdracht omvatte het archief 1,5 meter, waarvan na selectie 0,5 meter overgebleven is.
Op 10 november 1986 werd door het hoofd van het bureau Algemene Secretarie van het Ministerie van Economische Zaken machtiging tot vernietiging verleend. De daadwerkelijke vernietiging werd gerealiseerd door het Bureau Vernietiging Overheidsarchieven te Apeldoorn. Nadat de bewerking was beëindigd is het archief teruggezonden naar de beheerder.
Verantwoording van de bewerking
Als begindatum voor het archief van de Adviseur voor de Productiviteitsbevordering en de afdeling Productiviteitsbevordering (APB) is het jaar genomen, waarin de adviseur is benoemd en de afdeling is opgericht. Als einddatum is het jaar gekozen, waarin de hoofdafdeling Productiviteitsbevordering een organisatorische verandering onderging. Met ingang van 1966 ging deze hoofdafdeling door samenvoeging met de hoofdafdeling Industriële Ontwikkeling op in een nieuw gevormde hoofdafdeling Productiviteitsbevordering en Industriële Ontwikkeling. Een exacte datum hiervan is niet bekend, doch in overleg met het Ministerie van Economische Zaken is 1 januari 1966 aangehouden.
De meeste stukken van na bovengenoemde datum zijn overgebracht naar de taakopvolger. De stukken die zijn achtergebleven in het archief hebben betrekking op zaken, waarbij de beslissing tot subsidieverlening in de verantwoorde periode genomen werd. Ook zijn stukken aangetroffen van voor de begindatum. Deze bleken door de afdeling te zijn verwerkt in zaken, waarbij later advies werd gegeven.
Getracht is het archief van de APB te splitsen in een archief van de Adviseur voor de Productiviteitsbevordering en een archief van de afdeling Productiviteitsbevordering. Dit bleek echter niet mogelijk in verband met inconsequent gebruik van ingekomen stempels en het niet gescheiden bijhouden van agenda's.
Tijdens de bewerking bleek dat er een vermenging met de secretariaatsarchieven had plaatsgevonden. Deze archieven werden als aparte archieven behandeld. Gekozen is voor opname van deze archieven in één inventaris, vanwege hun onderlinge samenhang.
Ordening van het archief
De niet altijd even consequent doorgevoerde zaaksgewijze ordening is tijdens de bewerking waar nodig hersteld, waarbij tevens werd gelet op de juiste toepassing van het bestemmingsbeginsel. De tijdens de dynamische periode uitgevoerde materiële scheiding van dossiers is gehandhaafd.
Opgemerkt dient te worden dat de adviseur en zijn medewerkers in vele commissies zitting hebben gehad en uit hoofde van hun functie adviezen hebben uitgebracht aan deze commissies. Bij het aantreffen van de adviezen is gekozen voor het bijeenhouden van de daarbij behorende vergaderstukken. Deze zijn terug te vinden in de beschrijvingen die beginnen met 'stukken betreffende vergaderingen'.
Tijdens de bewerking werd documentatie aangetroffen. Voor een beter begrip van de archiefstukken zijn deze bescheiden van belang, zodat deze verwerkt zijn in de deelbeschrijving behorend bij de desbetreffende verzamelbeschrijving.
Bij de indeling van de inventaris in enge zin is onderscheid gemaakt tussen de verschillende archieven. Deze zijn aangegeven door middel van Romeinse cijfers.
De rubrieksindeling van de inventaris van de APB is, gelet op het takenoverzicht van de afdeling, ontleend aan het eerdergenoemde registratuurplan.
Na de indeling 'stukken van algemene aard' en 'stukken betreffende bijzondere onderwerpen' is de laatstgenoemde hoofdrubriek onderverdeeld in 'organisatie' en 'taakuitvoering'. Deze taakuitvoering bestond zowel uit nationale als internationale productiviteitsaangelegenheden.
Voor wat betreft de COP en het EPA is gekozen om deze als aparte subrubrieken op te voeren, gezien de hoeveelheid stukken en mede gelet op het takenpakket.
In de beschrijvingen, behorend bij de rubriek Contactgroep Opvoering Productiviteit, later de Commissie Opvoering Productiviteit van de Sociaal Economische Raad wordt de afkorting COP gebezigd. Deze afkorting is ook in de stukken voor beide organen gebruikt.
Vervolgens is een verdeling gemaakt in 'horizontale' en 'verticale aktiviteiten'. Onder horizontale aktiviteiten wordt verstaan het geheel van aktiviteiten, dat op nationale schaal is opgezet. Verticale aktiviteiten daarentegen zijn aktiviteiten, die ten bate van bepaalde branches zijn opgezet.
In de rubriek 'internationale productiviteitsaangelegenheden' bevonden zich vrij veel Engelstalige stukken. De onderwerpsaanduidingen zijn ten behoeve van de beschrijvingen in het Nederlands vertaald. In de in deze rubriek vallende beschrijvingen betreffende de 'Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES), later de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)' wordt zowel de afkorting OEES (tot 1961) als OESO gebruikt. Deze organisatie heeft in genoemd jaar een organisatorische verandering ondergaan, hetgeen tevens een naamswijziging tot gevolg had.
Als hulpmiddel bij de raadpleging van de archiefbescheiden is een alfabetische afkortingenlijst in de inventaris opgenomen, aangezien in de stukken veelvuldig gebruik is gemaakt van deze afkortingen. Ten behoeve van de EPA projecten is ook als bijlage bij de inventaris een overzicht vervaardigd betreffende de inhoud van de projecten. De beschrijvingen zijn binnen de rubrieken van het archief van de APB en in de secretariaatsarchieven chronologisch gerangschikt.
Daar waar in de verzamelbeschrijvingen verschillende soorten uiterlijke vormen voorkomen, wordt in de daarbij behorende deelbeschrijvingen alleen de minst voorkomende uiterlijke vorm vermeld.
Ten behoeve van een juiste weergave van de beschrijvingen zijn waar nodig verwijzingen geplaatst.

Aanwijzingen voor de gebruiker

Openbaarheidsbeperkingen
Volledig openbaar.
Beperkingen aan het gebruik
Reproductie van originele bescheiden uit dit archief is, behoudens de algemene regels die gelden voor het kopiëren van stukken, niet aan beperkingen onderhevig. Er zijn geen beperkingen krachtens het auteursrecht.
Materiële beperkingen
Het archief kent geen beperkingen voor het raadplegen van stukken als gevolg van slechte materiële staat.
Aanvraaginstructie
Openbare archiefstukken kunnen online worden aangevraagd en gereserveerd. U kunt dit ook via de terminals in de studiezaal van het Nationaal Archief doen. Om te kunnen reserveren dient u de volgende stappen te volgen:
  1. Creëer een account of log in.
  2. Selecteer in de archiefinventaris een archiefstuk.
  3. Klik op ‘Reserveer’ en kies een tijdstip van inzage.
Citeerinstructie
Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste éénmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld. Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.
VOLLEDIG:
Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Economische Zaken; Afdeling Productiviteitsbevordering, nummer toegang 2.06.061, inventarisnummer ...
VERKORT:
NL-HaNA, EZ / Productiviteitsbevordering, 2.06.061, inv.nr. ...

Verwant materiaal

Beschikbaarheid van kopieën
Inventarisnummers van dit archief zijn niet in kopievorm beschikbaar
Publicaties
Geraadpleegde bronnen en literatuur
  • Archief van het Directoraat-generaal voor Industrie en Handel van het Ministerie van Economische Zaken. 1966-1969.
  • Centraal Archief van het Ministerie van Economische Zaken. 1951-1965.
  • Fortuyn, P., Sociaal-economische politiek in Nederland. Met een ten geleide door Harmsen, G. Alphen aan den Rijn, 1981.
  • Hen, P. de, De actieve en re-actieve industriepolitiek in Nederland: de overheid en de ontwikkeling van de Nederlandse industrie in de jaren 30 en tussen 1945 en 1950. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1980.
  • Keesings Historisch Archief: geïllustreerd dagboek van het hedendaags wereldgebeuren. Amsterdam: Keesing, 1961.
  • Klein, P.W. en Plaat, G.N. van der (red.)., Herrijzend Nederland: Opstellen over Nederland in de periode 1945-1950. 's-Gravenhage: Nijhoff, 1981.
  • Liagre Bohl, H. de, Nekkers, J. en Slot, L. (red.). Nederland industrialiseert! politieke en ideologische strijd rondom het naoorlogse industrialisatiebeleid 1945-1955. Nijmegen: Sun, 1981.
  • Nederland na 1945: Beschouwingen over ontwikkeling en beleid. Deventer: Van Loghum Slaterus, 1980.
  • Tien jaar economisch leven in Nederland: Herstelbank 1945-1950. 's-Gravenhage: Nijhoff, 1955.
  • Wijers, dr. G.J., Industriepolitiek: een onderzoek naar de vormgeving van het overheidsbeleid gericht op industriële sectoren. Leiden/Antwerpen: Stenfert Kroese, 1982.

Bijlagen

Lijst van in de archiefbescheiden gebruikte afkortingen
Afkorting
Omschrijving
ABC
Algemene Bedrijfsgroepen Centrale
ANB
Algemene Nederlandse Bouwbedrijfsbond
AVNIJ
Algemene Vereniging van Nederlandse IJzergieterijen
BIAC
Business and Industry Advisory Committee
BOB
Bedrijfs Organisatie Bureau
BOG
Bureau Opleiding Gieterijpersoneel
BONG
Stichting ter Bevordering van de Ontwikkeling van de Nederlandse Gieterijen
BOTU
Stichting Bevordering Onderlinge Toelevering en Uitbesteding
CAR
Committee for Applied Research
CCO
Stichting Consumenten Contact Orgaan
CEIF
Council of European Industrial Federations
CIMIB
Centraal Instituut Methodische Instructie van het Bedrijfsleven
CIOS
Congrès International de l'Organisation Scientifique
CIVI
Centraal Instituut voor Industrie-ontwikkeling
COP
Commissie Opvoering Productiviteit
COP
Contactgroep Opvoering Productiviteit
CSR
Committee for Scientific Research
CSWV
Centraal Sociaal Werkgevers Verbond
CVV
Commissie voor Verfpraktijkproeven
DAC
Development Assistance Committee
ECA
Economic Co-operation Administration
EDA
European Development Agency
EIM
Economisch Instituut voor de Middenstand
EOQC
European Organisation for Quality Control
EPA
Europees Productiviteits Agency
EPC
Europees Productiviteits Centrum
ETI
Economisch Technologisch Instituut
FENEWOL
Federatie Nederlandse Wolindustrie
FOA
Foreign Operations Administrations
GATT
General Agreement on Tarifs and Trade
GB
Governing Body
GITP
Gemeenschappelijk Instituut voor Toegepaste Psychologie
HBD
Hoofdbedrijfschap Detailhandel
HCNN
Hoofdcommissie voor de Normalisatie in Nederland
IAB
Internationaal Arbeidsbureau
IAO
Internationale Arbeidsorganisatie
ICHCA
International Cargo Handling Co-ordination Association
ICI
Imperial Chemical Industries
IFTA
International Fine Technics Association
ILO
International Labour Organisation
INAIS
Instituut voor Nederlands-Amerikaanse Industriële Samenwerking
IOV
Instituut van Onderzoek en Voorlichting
IPG
Nederlands Instituut voor Praeventieve Geneeskunde
ISONEVO
Instituut voor Sociaal Onderzoek van het Nederlandse Volk
ISS
Institute of Social Studies
IUC
International University Contact for Management Education
JTUAC
Joint Trade Union Advisory Committee
KAB
Nederlandse Katholieke Arbeidersbeweging
KAREL
Katoen-, Rayon- en Linnenindustrie
KDI
Stichting Kwaliteitsdienst voor de Industrie
KRL
Katoen-, Rayon- en Linnenindustrie
LCCP
Limburgse Contactcommissie voor de Productiviteit
MC
Machinery Committee
MITEX
Federatie van Middenstandsorganisaties in de Textieldetailhandel
MSA
Mutual Security Agency
MTM
Methods Time Measurement
MVLS
Middelbare Vakschool voor de Leder- en Schoenindustrie
NCD
Nederlandse Vereniging van Commerciële Directeuren
NEDIAM
Nederlandse Diamant Maatschappij
NEI
Nederlands Economisch Instituut
NEVEC
Nederlands Economisch Verbond voor de Confectie-industrie
NGS
Nederlandse Gieterij Stichting
NHR
Nederlands Instituut voor Documentatie en Registratuur
NIPL
Nederlands Instituut voor Personeelsleiding
NIVE
Nederlands Instituut voor Efficiency
NIZO
Nederlands Instituut voor Zuivelonderzoek
NOEM
Netherlands Oil Equipment Manufactures
NOIB
Nederlands Opleidings Instituut voor het Buitenland
NUMAB
Nederlandse Unie van Metaalgieterijen en Aanverwante Bedrijven
NVFK
Nederlandse Vereniging van Fabrikanten van Kunstharsprodukten
NVFT
Nederlandse Vereniging voor Fijnmechanische Techniek
NWR
Nationale Woningraad
OEEC
Organisation for European Economic Co-operation
OEES
Organisatie voor Europese Economische Samenwerking
OESO
Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling
OSTP
Office for Scientific and Technical Personnel
PC
Productivity Committee
PCCP
Provinciale Contactcommissie voor de Productiviteit
PKM
Productiviteitscentrum Kleinmetaal
PMK
Productiviteitscentrum voor het Midden- en Kleinbedrijf
PRA
Committee for Productivity and Applied Research
PSU
Pensylvanian State University
REA
Raad voor Economische Aangelegenheden
REB
Raadgevend Efficiency Bureau
SAHIN
Bond ter Behartiging van de Sociale Aangelegenheden in de Houthandel
SCOTT
Stichting Centrale Onderhoudsdienst voor de Textielindustrie in Twente
SISWO
Stichting Interuniversitair Instituut voor Sociaal-wetenschappelijk Onderzoek
STIVO
Stichting Vakopleiding en Vakexamens
TA
Technical Assistance
TFC
Technisch Film Centrum
TWA
Technisch Wetenschappelijk Attaché
VACO
Vereniging van Autohandel-, Cover- en Vulcaniseerinrichtingen in Nederland
VAM
Stichting Vakopleiding voor Automobiel-, Motorrijwiel- en Aanverwante Bedrijven
VEV
Vereniging voor Elektrotechnisch Vakonderwijs
VMI
Vereniging van Metaalindustrieën
VOA
Vereniging Ontwikkeling Arbeidstechniek
VOIW
Vereniging van Overheids- en Instellingswasserijen in Nederland
VOM
Vereniging voor Oppervlaktetechnieken van Metalen
VTND
Vereniging Tijdnormendienst voor de Grafische Industrie
VZB
Vereniging van Zelfbedieningsbedrijven
WGV
Werkende Gehuwde Vrouw
WOGIP
Werkgroep Opleiding Gieterijpersoneel
WSOI
Werkgroep Sociaal-wetenschappelijk Onderzoek in de Industrie

Archiefbestanddelen