2.06.182 Inventaris van het beleidsarchief van het Directoraat-Generaal Telecommunicatie en Post van het Ministerie van Economische Zaken, 1988-2000

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Sluiten

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Staatsbemoeienis met post en telecommunicatie
Om tot een inzicht te komen in de redenen die de overheid heeft om zich met deze zaken te bemoeien, is het nodig de wisselwerking tussen de telecommunicatie en de maatschappij te bepalen. Allereerst is er het beslag dat telecommunicatie voorzieningen leggen op fysieke omgeving. Er dienen bijvoorbeeld kabels in de grond te worden gelegd en de elektro-magnetische frequenties die gebruikt worden bij draadloze verbindingen nemen ruimte in beslag binnen de ether. Andersom zien we dat invloeden van buiten inbreuk kunnen maken op de telecommunicatie: kabels kunnen stuk getrokken worden bij werkzaamheden; industriële of andere installaties kunnen onbedoeld (of juist wel bedoeld) storingen in de ether veroorzaken (denk bij voorbeeld aan slecht afgestelde bromfietsen). Het mag duidelijk zijn dat een soepele gang van zaken binnen de telecommunicatie slechts plaats kan vinden bij een goede regulering. De belangrijkste wisselwerking levert echter de sociaal-economische functie van de telecommunicatie: bij het wegvallen van de telecommunicatie verbindingen zouden het gehele economische leven en grote delen van het sociale leven stil komen te vallen. Vanuit dit oogpunt valt het te begrijpen waarom de overheid een hoge mate van bemoeienis met de telecommunicatie wenselijk acht.
Dezelfde sociaal-economische factoren zijn ook van belang bij de postverzorging. Het volledig vrijlaten van de postverzorging zou kunnen leiden tot een (hoofdzakelijk uit sociaal oogpunt) verschraling van de dienstverlening door de werking van het 'de krenten uit de pap'-mechanisme: ondernemingen die zuiver commercieel werken, zullen niet-rendabele activiteiten zoals de postbestelling op afgelegen boerderijen snel uit hun pakket verwijderen. Verder dient de overheid rekening te houden met het grondwettelijke briefgeheim. Ook met betrekking tot het postwezen acht de overheid daarom een zekere mate van bemoeienis wenselijk. Ontegenzeggelijk is echter de drang naar liberalisering. Zo wordt in het onlangs (1992) verschenen Groenboek Post van de EG aangedrongen op liberalisatie van de Europese post-markt. Voor zowel telecommunicatie als post geldt dat Nederland deel uitmaakt van een internationale gemeenschap. Door het internationale karakter van beide diensten moeten er afspraken gemaakt worden over signaaldoorgave, tarieven, briefgeheim etc. Op het internationale vlak spelen wat betreft post en telecommunicatie traditioneel de centrale overheden een zeer grote rol. Zo zijn er diverse organisaties en overlegstructuren binnen en buiten VN- of EG-verband waarin de Nederlandse staat actief is.
Ook de technologische ontwikkelingen hebben een grote invloed, vooral op de telecommunicatie. Te denken valt aan telefoon kabels die over de zeebodem gelegd worden, aan satellietverbindingen, straalverbindingen, glasvezel technieken en de opkomst van grote computersystemen die onder andere de bouw van digitale telefooncentrales mogelijk hebben gemaakt. De moderne technologieën vergen echter een grote internationale inspanning. Om de telecommunicatie soepel te laten verlopen is het noodzakelijk om een uitgebreid stelsel van normen op te zetten. Deze normen worden ontwikkeld binnen een aantal internationale organen zoals de International Organisation for Standardization (ISO), de International Telecommunication Union (ITU), een organisatie in VN-verband en het European Telecommunications Standards Institute (ETSI).
Terugtreden van de Staat?
Tot 1989 achtte de rijksoverheid het haar taak om de post- en telecommunicatievoorzieningen als nutsfunctie door het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie voor de Nederlandse samenleving te laten verzorgen. Het was aan anderen verboden om op dit gebied diensten te verlenen. De diensten die de PTT aanvankelijk aanbood, waren ruwweg gesproken:
  • het bestellen van aangeboden poststukken;
  • het leveren van verbindingen ten behoeve van het overzenden van spraaksignalen. Dit moet men zeer letterlijk nemen, de PTT bood telefoons aan waardoor men gesprekken kon voeren, het was niet toegestaan om andere apparatuur dan de PTT-toestellen aan te sluiten op het telefoonnet;
  • het verzenden van telegrammen;
  • het overzenden van telexberichten.
De telefoonverbindingen van de PTT kunnen echter in principe voor veel meer soorten communicatie dan de traditionele telefoongesprekken worden gebruikt. Het is dan echter wel nodig om behalve telefoontoestellen andere apparatuur op het telefoonnet toe te laten. Gaandeweg verschuift het aanbieden van de dienst 'overzenden van spraaksignalen' dan ook naar een andere dienst: het aanbieden van communicatieverbindingen waarbij de gebruiker in hoge mate zelf kan bepalen, door de keuze van randapparatuur die hij op het net aansluit en het gebruik daarvan, welk soort communicatie er plaats gaat vinden. Dit overgangsproces heeft plaats vanaf de jaren zestig. Voorbeelden van dit soort diensten zijn:
  • het overzenden van facsimilé-berichten (faxen);
  • het verzorgen van datacommunicatie over telefoonlijnen door middel van modems.
Het Staatsbedrijf der PTT blijft echter het monopolie houden voor de verkoop en de levering van apparaten die op het telefoonnet mogen worden aangesloten (de zogenaamde randapparatuur). Op deze wijze bepaalt zij vrijwel volledig de wijze waarop van de voorzieningen gebruik kan worden gemaakt. In het kader van de terug-tredende overheid stelt de ministerraad in de eerste helft van de jaren tachtig achtereenvolgens twee commissies in: de Commissie-Swarttouw (1981 - 1982) en de Commissie-Steenbergen (1984 - 1985). De voorstellen van deze commissies resulteren in de omvorming van het Staatsbedrijf PTT in de NV PTT Nederland per 1 januari 1989. De NV behoudt voorlopig het monopolie voor de 'aanleg, uitbreiding, exploitatie en instandhouding van de telecommunicatie-infrastructuur voor het elektronisch transport van informatie (...) en voor de uitvoering van de taken zoals deze thans in de Postwet staan vermeld.' De NV verliest daarentegen het monopolie op de levering en aansluiting van de op de telecommunicatie-infrastructuur aan te sluiten randapparatuur.
Vanaf 1 januari 1989 moet de PTT voor wat betreft de verkoop van deze apparaten concurreren met de normale detailhandel. De enige restrictie die aan de handel wordt opgelegd, is dat de apparatuur goedgekeurd is.
De Hoofddirectie Telecommunicatie en Post (HDTP)
Bij de instelling van de NV PTT werden de publiekrechtelijke taken van het Staatsbedrijf der PTT overgebracht naar het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. De bij besluit van 7 juni 1988, nr. BSG 8813021 I, ingestelde hoofddirectie Telecommunicatie en Post (HDTP) werd belast met de ambtelijke voorbereiding en uitvoering van de aan de minister van Verkeer en Waterstaat opgedragen taken op het gebied van telecommunicatie en post. Het organogram van Hoofddirectie is in uitgekristalliseerde vorm in afb. 1 gegeven. Dit is een momentopname uit 1992. De tweedeling Beleidszaken-Operationele Zaken is vanaf het begin van de HDTP een van de organisatorische uitgangspunten geweest.
De Directie Beleidszaken is belast met:
  • de voorbereiding en vorming van het nationale en internationale telecommunicatie- en postbeleid;
  • het toezicht op de uitvoering van de aan Koninklijke PTT Nederland NV verleende concessies voor post- en telecommunicatie infrastructuur en opgedragen diensten;
  • de uitoefening van het aandeelhouderschap van Koninklijke PTT Nederland NV.
De Directie Operationele Zaken is belast met:
  • de ontwikkeling van technische normen en de afgifte van typegoedkeuringen van telecommunicatie randapparatuur en zendinrichtingen;
  • de organisatie van het radioverkeer, de afgifte van machtigingen voor draadomroepsystemen en de afgifte van zendmachtigingen en diploma's;
  • het opsporingsbeleid inzake illegaal ethergebruik en het toezicht op de naleving van de telecommunicatie- en postwetgeving.
De ministeriële taken op het beleidsterrein vanaf 1989 blijken uit de doelstellingen en taken van de HDTP zoals die in het beleidsplan 1993- 1997 omschreven zijn:
  • Afbeelding 1: zie bijlage
doelstelling van de HDTP is bevorderen dat de telecommunicatie- en postvoorzieningen op de maatschappelijke en economische behoeften zijn afgestemd en dat die sector zich goed kan ontplooien.
Als hoofdtaken worden gezien:
  • het op nationale en internationale schaal vormen van post- en telecommunicatiebeleid van de overheid;
  • het opstellen van regelgeving (met als kenmerkende accenten de internationale regelgeving en verankering van de EG-regelgeving);
  • het vertegenwoordigen van de Staat in internationale organisaties op post- en telecommunicatiegebied;
  • toezicht houden op de wijze waarop de PTT de concessietaken uitvoert;
  • het frequentiebeheer;
  • het handhaven van de regelgeving;
  • het laten functioneren van de telecommunicatie- en postvoorzieningen in buitengewone omstandigheden;
  • het vervullen van het aandeelhouderschap bij de Koninklijke PTT Nederland NV.
Deze taken gaan uit van een situatie waarin er een eenheid van infrastructuur is, waarbij PTT Nederland NV als de enige concessiehouder voor de aanleg, instandhouding en exploitatie van de telecommunicatie- en post-infrastructuur functioneert. De wettelijke kaders hiervoor zijn de Wet telecommunicatievoorzieningen (WTV) en de Postwet. De ontwikkelingen destijds wezen erop, dat deze toestand niet lang gehandhaafd zou kunnen blijven. Als belangrijke oorzaak wordt genoemd het feit dat de WTV en de Postwet gebaseerd waren op een nationale markt, terwijl de huidige ontwikkelingen een samensmelting van de nationale markten tot een grote wereldmarkt te zien geven. Ook de liberalisering van de markten vanuit Brussel en de technische ontwikkelingen drukken hun stempel op het beleidsterrein. In de nabije toekomst zullen er dan ook aanzienlijke verschuivingen te zien zijn.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Het Ministerie van Economische Zaken heeft in 2009 de CAS opdracht gegeven de archiefbescheiden van het Directoraat-Generaal Telecommunicatie en Post in goede geordende en toegankelijke staat te brengen opdat het archief kan worden overgebracht naar het Nationaal Archief. Het betreft het semi-statisch archief over de periode 1988 - 1998, aangevuld met de afwerking van de restanten van de oorspronkelijke 102 meter bewerkt door de CAS en 149 meter bewerkt door Dis Consult, waarvan 20 meter zeer diverse dossiers. Het archief is in 2006 bij de overgang naar EZ in beheer gekomen bij het Ministerie van Economische Zaken.

De verwerving van het archief

Het archief is in 2019 door Ministerie van Economische Zaken overgebracht naar het Nationaal Archief, krachtens artikel 12 van de Archiefwet 1995