1. Organisatie
Onder de regering van Willem I fungeerden naast het departement van Financiën verschillende zelfstandige administraties, waardoor van een centraal beheer van de overheidsfinan¬ciën geen sprake was. In de jaren 1813-1831 is de centrale organisatie buitengewoon gecompliceerd en aan talrijke wijzigingen onderhevig geweest. Van het departement van Financiën werden vanaf 1815 de belastingadministraties in fases afgescheiden. Na een aantal reorganisaties resulteerde dat in 1824 in de oprichting van het departement van Ontvangsten, dat met het departement van Financiën beleidsmatig samenwerkte in een collegiale bestuursvorm, de Raad der Ontvangsten. In 1831 werden beide departementen samengevoegd tot één ministerie van Financiën.
Door het Algemeen Bestuur was al op 29 november 1813 E. Canneman benoemd tot commissaris-generaal tot de zaken der Financiën. In april 1814 werd hij opgevolgd door C.C. baron Six van Oterleek, die de titel secretaris van staat kreeg en in september 1815 die van minister. Onder deze ressorteerden vanaf 1814 ook de uit de Franse tijd daterende Generale Directies der Publieke Schuld en der Centrale Kas. Six van Oterleek werd bijgestaan door vier functionarissen met de titel raad van Financiën.
In 1814 kende het departement de volgende afdelingen:
- Generaal Secretariaat
- Generale Thesauri
- Generale Comptabiliteit
- Comptabiliteit 's lands middelen
- Directe belastingen
- Indirecte belastingen en
- Convooien en licenten (in- en uitgaande rechten).
In de volgende jaren werd het werkterrein van Financiën ingeperkt door de afsplitsing van de belastingadministraties: in 1815 de hierboven onder 6 en 7 genoemde afdelingen, in 1819 gevolgd door de onder 5 genoemde afdeling der Directe belastingen, inclusief het kadaster. Deze afdelingen gingen deel uitmaken van het departement van Ontvangsten. Om de coördinatie tussen deze afgescheiden administraties en het departement van Financiën te bevorderen werd in 1819 een Raad van Financiën ingesteld onder voorzitter¬schap van de minister van Financiën. Daarentegen werden de afdelingen Generaal Secretariaat en Generale Thesaurie in verband met hun omvang al spoedig onderverdeeld in een aantal afdelingen en/of bureaus. In de jaren 1818-1819 fungeerde korte tijd een afdeling Registratie en domeinen. In deze jaren werden voorts de beide afdelingen Comptabiliteit opgehe¬ven; hun taken werden ondergebracht bij andere administraties, waaronder die van de Borgtochten (opgericht in 1818) en van 's Rijks Uitgaven (opgericht in 1819).
Vanaf 1823 werd de rol van het departement verder ingeperkt door de oprichting van het in Amsterdam gevestigde Amortisatiesyndicaat. Deze instelling was in eerste instantie belast met de sanering van de staatsschuld. Ook beheerde het syndicaat de borgtochten en diverse fondsen, verschafte het leningen aan het Fonds ter bevordering van de Nationale Nijverheid en financierde het de aanleg van wegen en kanalen. Een andere zelfstandige administratie in deze periode, zij het met zekere verantwoording tegenover Financiën, was die van de Algemene Rijkskassier, die gelden van comptabele ambtenaren in ontvangst nam en bepaalde betalingen voor het Rijk verrichtte.
Met ingang van 1824 werd op Financiën een reorganisatie doorgevoerd waarbij, zoals ook op andere departementen, de functies van secretaris-generaal en administrateur werden ingevoerd. Er kwamen nu twee administrateurs, respectievelijk voor de Generale Thesaurie en voor 's Rijks Uitgaven (de laatste inclusief de administratie der Borgtochten). Deze situatie bleef ongewijzigd tot in 1831 de afscheiding van België noodzaakte tot vereenvoudiging van het overheidsapparaat, waarbij de departementen Financiën en Ontvangsten werden samengevoegd.
2. Taken
De grondwetten van 1814 en 1815 legden het `opperbestuur' over de geldmiddelen bij het staatshoofd onder de verplichting daarover verantwoording af te leggen aan de Staten-Generaal. Tijdens de regering van Willem I bepaalde in laatste instantie het staatshoofd zelf het financiële beleid, daarbij nauwelijks gehinderd door de Staten-Generaal.
2.1 Financieel beleid
Staatsbegroting en staatsrekening
In de grondwetten van 1814 en 1815 wordt gesproken van `inwilliging' van de begroting door de Staten-Generaal. De taak van de minister van Financiën ten aanzien van de begroting was tot 1840 vooral administratief-coördinerend: hij moest uit de globale uitgaven van de afzonderlijke departementen een eveneens globale begroting samenstellen en voorleggen aan de Koning, die deze vervolgens doorzond naar de Tweede Kamer. Alleen het totaalbedrag en de totaalbedragen per hoofdstuk en de globale opsomming van de middelen vereisten wettelijke goedkeuring. De begroting was in hoofdstukken verdeeld en die op hun beurt weer in afdelingen, die aansloten bij de organisatie van de departementen en hoge colleges. Tot 1840 was er een `gewone' begroting (het grootste deel van de uitgaven), die voor tien jaar werd vastgesteld, naast een `buitengewone' van onvoorziene uitgaven, die jaarlijks de Kamer passeerde.
De Grondwet van 1815 (artikel 128) schreef voor dat de Koning jaarlijks aan de Staten-Generaal verslag moest doen van het gebruik der geldmiddelen. Dit overzicht werd opgemaakt op het departement van Financiën en gecontroleerd door de Algemene Rekenkamer. Tot 1840 bracht de Rekenkamer alleen aan de Koning verslag uit. De `Algemeene rekening van de staatsinkomsten en uitgaven' kende dezelfde indeling in hoofdstukken en artikelen als de begroting.
Rijkscomptabiliteit. Relatie tot andere departementen
Op dit terrein gold vanaf 1824 het lijvige `Algemeen Reglement wegens het beheer der geldmiddelen in het Koningrijk der Nederlanden'. Hierin was vastgelegd hoe ambtenaren die rijksgelden ontvingen of uitgaven, hun financiële handelingen moesten verantwoorden.
Financiële verhouding Rijk - lagere overheden
Ten aanzien van de provincies bepaalde de Grondwet van 1815 (artikel 143), dat de kosten van het provinciaal bestuur ten laste van de staatsbegroting zouden komen. Uit vrees voor herleving van de gewestelijke soevereiniteit werd de provincies financiële zelfstandigheid ontzegd. Wel kregen ze in 1821 de beschikking over de opbrengst van opcenten over bepaalde rijksbelastingen zoals de grondbelasting en de personele belasting, ter dekking van uitgaven van provinciaal belang. Voorts inden de provincies retributies zoals tol-, brug- en sluisgelden.
De gemeenten betrokken hun inkomsten uit opcenten op bepaalde rijksbelastingen, uit hoofdelijke omslagen en uit accijnzen.
2.2 Staatsschuld
Na het vertrek van de Fransen kwam al in 1814 een regeling voor de staatschuld tot stand. Hierbij werd alle bestaande schuld geconverteerd tot schuld van één rentetype; slechts een derde deel van deze schuld was rentegevend, de overige schuld (uitgestelde schuld genaamd) zou geleidelijk overgaan in rentegevende (werkelijke) schuld. Tevens werden in 1814-1815 twee organen opgericht: voor de realisering van de overgang van uitgestelde naar werkelijke schuld de Amortisatiekas en voor rentebetaling en aflossing van leningen het Syndicaat der Nederlanden. Beide instanties werden begin 1823 vervangen door het Amortisatiesyndicaat, dat voor de aflossing en rentebetaling van leningen vooral inkomsten verkreeg uit de verkoop van domeinen en uit tolgelden. Het Syndicaat was ook gemachtigd nieuwe leningen uit te schrijven. Als gevolg van oppositie vanuit de Tweede Kamer werd na 1829 het taakonderdeel schulddelging weer onder toezicht van Financiën gebracht.
2.3 Geldwezen
De in 1814 opgerichte Nederlandsche Bank te Amsterdam was een naamloze vennootschap, waarbij de Staat een deel van het kapitaal had ingebracht. Haar taak was onder meer het in circulatie brengen van bankbiljetten, middels een monopolie dat periodiek werd verlengd. Tevens fungeerde de bank als algemene bewaarplaats van de gelden van de staat, als Agent van 's Rijks schatkist te Amsterdam (Rijkskassier). De omloop van bankbiljetten bleef lange tijd beperkt.
De Muntwet van 1816 beoogde één muntstelsel in te voeren voor het gehele Rijk, maar in het Zuiden bleef de Franse frank tot 1825 een wettig betaalmiddel. Het monopolie van de muntslag berustte sinds 1814 bij de muntmeester, die als privaatrechtelijk persoon munten voor het Rijk vervaardigde, maar wel door het Rijk werd aangesteld en onder toezicht stond van een munt-college, de Raden en Generaalmeesters der Munt.
Binnen het departement was het de Generale Thesaurie, die zorg droeg voor de totstandko¬ming, wijziging en intrekking van de wet- en regelgeving op het terrein van de geldvoorziening en voor de coördinatie van het beleid.
2.4 Domeinen
De term `domeinen' is de verzamelnaam voor de onroerende eigendommen van het Rijk. Daaronder vielen verschillende categorieën onroerende zaken als:
- landerijen, bossen, woeste gronden, wateren, gebouwen
- aanwassen in rivieren, stromen, zeeën zoals: gorzen en schorren, rivieroevers, ook stranden
- tienden
- erfpachten, grondrenten en andere zakelijke rechten op gronden van derden en
- jacht- en visrechten op gronden en wateren van derden.
Bij het domeinbeheer wordt onderscheid gemaakt in materieel en financieel beheer. Het materieel beheer omvat met name de zorg voor het onderhoud: bij gebouwen berust die zorg bij de overheidsinstanties die daarin gehuisvest zijn. Het financieel beheer voorziet in de uitoefening van de rechten en de nakoming van de verplichtingen van de Staat als eigenaar. De Dienst der domeinen streeft ernaar de staatsdomeinen zo rendabel mogelijk te exploiteren door onderhoud, verbetering, verhuur, verpachting en verkoop of door uitgifte van gebruiksrechten (vergunningen). Enkele specifieke taken zijn het beheer van vicarieën en van onbeheerde nalaten¬schappen en de uitbetaling van onveranderlijke lasten, oorspronkelijk samenhangend met onroerend goed. Tevens is de dienst belast met de registratie van alle goederen en rechten (in leggers en memorialen) en de inning en betaling van domaniale gelden.
2.5 Overige taken
Behalve de hiervoor behandelde beleidsterreinen had Financiën bemoeienis met enkele specifieke onderwerpen.
Zo was de Generale Thesaurie belast met de administratie en het beheer van borgtochten van comptabele ambtenaren en van kapitalen ingebracht door particulieren, bedrijven en instanties als waarborg en zekerheidsstelling wegens afgesloten contracten of verleende concessies en vergunningen. De waarborgkapitalen werden teruggestort zodra was voldaan aan de in de verleende vergunning of concessie gestelde eisen.
De afdeling Rijks Uitgaven had als taak de regeling van alle pensioenen en wachtgelden ten laste van de staat alsmede het bijhouden van de grootboeken der pensioenen (zie verder het hoofdstuk Binnenlandse Zaken).