Archief
Titel
2.08.67 Inventaris van het archief van de Directie van de Grootboeken der Nationale Schuld, 3% Grootboek 1946, 1946-1982 (1990)
Auteur
CAS 628Versie
26-11-2024
Copyright
Nationaal Archief, Den Haag
2004 cc0Beschrijving van het archief
Naam archiefblok
Ministerie van Financiën: Directie van de Grootboeken der Nationale Schuld: 3% Grootboek 1946 Grootboeken Nationale Schuld 1946
Periodisering
archiefvorming: 1946-1982 oudste stuk - jongste stuk: 1946-1990
Archiefbloknummer
F20243Omvang
1663 inventarisnummer(s)Taal van het archiefmateriaal
Het merendeel der stukken is in het.
Nederlands
Soort archiefmateriaal
Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.Archiefdienst
Nationaal ArchiefLocatie
Den HaagArchiefvormers
Ministerie van Financiën / Directie van de Grootboeken der Nationale SchuldSamenvatting van de inhoud van het archief
De eerste staatslening na de Tweede Wereldoorlog was niet alleen bedoeld voor het vullen van de staatskas, maar ook een middel voor de geldzuivering en de controle op onrechtmatig verkregen gelden. Het geld dat men tijdens de geldzuivering inleverde werd op een rekening gezet en direct geblokkeerd. Met dit tegoed kon men zich inschrijven voor de staatslening met een vastgestelde rente van 3%. De inschrijving kwam in het zogenaamde 3% Grootboek 1946.
Het archief van het Grootboek bestaat uit: de dossiers van de inschrijvingen met de correspondentie over de inschrijving, rente, opheffing van blokkering, uitloting e.d.; Grootboekkaarten, en overige stukken.Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
Institutionele geschiedenis van de inschrijvingen in het 3% grootboek 1946
De eerste reguliere staatslening van na de oorlog droeg een bijzonder karakter. Ze had een drieledige functie. Naast de eigenlijke primaire functie van het vullen van de kas, had ze een bijzondere monetaire en juridische/fiscale functie.
Eveneens bijzonder was de figuur voor deze lening. In plaats van dat men vrijwillig kon intekenen op een lening met streefbedrag werden aangewezen personen verplicht in te schrijven op deze "lening". Een streefbedrag, evenals de mogelijke opbrengst was van tevoren niet vast te stellen. De rente over de inschrijving bedroeg 3%. Het daartoe bijgehouden grootboek heette voluit 3% Grootboek 1946, kortweg aangeduid als Grootboek 1946.
Voorkoming monetaire ontwrichting economie
De monetaire functie was om een "consolidering van de vlottende staatsschuld" uit te kunnen voeren. Deze omzetting van kortlopende staatsschuld in langlopende, was nodig omdat de regering te maken had met een tijdens de bezetting zeer hoog opgelopen staatsschuld en daaraan verbonden hoge renteafdracht. Het handhaven hiervan zou een te zware aflossing en rentelast opleveren voor het na de bevrijding zeer krappe staatsbudget.
Belangrijk gewenst neveneffect van de verplichte vastzetting van het geld was dat op deze wijze een belangrijk deel van de gedurende de bezetting sterk toegenomen geldhoeveelheid buiten de omloop werd gehouden. Zo werd voorkomen dat een inflatie zou ontstaan die een goede ontwikkeling van de economie belemmerde. Men had hierbij de ontwikkelingen in gedachten van direct na de Eerste Wereldoorlog, in de landen die daaraan deelgenomen hadden, en die derhalve een oorlogseconomie hadden moeten draaien. Met name het Duitsland van begin jaren twintig met zijn hyperinflatie stond daarbij als schrikbeeld voor ogen.
Geldzuivering
De tweede functie was de reden voor de wijze van verkrijging van het geld. Na de bevrijding moest een geldzuivering doorgevoerd worden. Hiertoe moest al het papier- en muntgeld ter vervanging door nieuw geld worden ingeleverd bij daartoe aangewezen banken, postkantoren of gemeentehuizen. Het ingeleverde geld werd op een bank- of girorekening bijgeschreven. Voor degene die nog geen rekening had, werd er voor deze gelegenheid een geopend. Het totale tegoed werd gelijk na storting "geblokkeerd", wat krachtens wettelijke maatregelen voor langere tijd kon gebeuren. De omzetting van vele van deze tegoeden in obligaties maakte dat de staatslening daadwerkelijk zijn beslag kreeg
De vastzetting van het geld had een tweetal zeer gewenste neveneffecten:
1. Fiscale en juridische opsporing en controle
Tijdens de bezetting op laakbare en onrechtmatige wijze verkregen gelden, waaronder veel zwarte en bruine vermogens, kwamen vast te staan. Deze hadden anders vrijelijk gewit kunnen worden.
Een geblokkeerd tegoed kon, als daar een economische noodzaak voor bestond als bijvoorbeeld de uitbetaling van lonen, gedeblokkeerd" worden. Maar slechts dan alleen als de daarvoor opgerichte fiscale recherche, de "Fiscale Inlichtingen en Opsporings Dienst" (de FIOD) daartoe toestemming had gegeven. Deze instelling zocht uit hoe het geld tijdens de bezetting was verkregen. Ze controleerde tevens of over die periode wel alle belastingen waren afgedragen.
2. Omzetting tegoeden in Grootboekinschrijvingen
Met de instelling van het Grootboek 1946 werd de mogelijkheid geopend om geblokkeerde tegoeden om te zetten in Grootboekinschrijvingen. De inschrijvingen konden als belegging dienen voor de anders stilliggende gelden. De rente over de inschrijving was hoger als die over de geblokkeerde bank- en girorekeningen staande tegoeden.
Het was niet mogelijk met geblokkeerd tegoed een belastingaanslag te betalen. Vanuit een inschrijving was het wel mogelijk om belasting(en) te betalen. Het ging daarbij vaak om een navordering over de bezettingsjaren, en om de betaling van de vermogensheffingen die in het najaar van 1945 werden ingevoerd.
Het omzetten van inschrijvingen in obligaties en het verhandelbaar stellen daarvan, werd om monetaire en fiscaaljuridische redenen in eerste instantie uitgesteld. Bij het direct verhandelbaar worden, zou alsnog teveel geld in omloop komen, en zwart tegoed vrij gemaakt kunnen worden. Het waarschijnlijk grote aanbod ineens zou een ernstige koersdaling tot gevolg kunnen hebben, wat indirect ook geldontwaardend zou kunnen werken. De inschrijvingen werden pas in 1949 verwisselbaar voor verhandelbare "schuldbewijzen aan toonder".
Wettelijk kader
Het wettelijk kader voor het Grootboek werd achtereenvolgens door de besluiten F268, G9 en J64 gevormd.
Het Besluit F268 bepaalt in art. 3, lid 1 dat de krachtens het besluit gevestigde schuld wordt ingeschreven in een afzonderlijk Grootboek lid 2 van artikel 3 geeft aan dat de inschrijvingen op een door de minister van Financiën nader te bepalen tijdstip verwisseld worden in "schuldbekentenissen aan toonder". Lid 3 bepaalt dat het Grootboek 1913 niet van toepassing was op het Grootboek 1946. Tevens dat bij algemene maatregel van bestuur voorschriften voor het Grootboek zouden worden gegeven.
Het Besluit Stb. G9 11-1-1946 "houdende regelen nopens het beheer van het Grootboek 1946" gaf deze regels. Het Grootboek kwam onder opperbeheer van de minister van Financiën. De zorg voor de uitvoering der werkzaamheden was namens de minister opgedragen aan de directeur van de Grootboeken van de Nationale Schuld bij het agentschap van het ministerie te Amsterdam. (Op het ministerie hadden de Afdeling Binnenlands Geldwezen en het Bureau Nationale Schuld bemoeienis met het Grootboek.) Zowel vrij als geblokkeerd tegoed kon worden ingeschreven door alle natuurlijke en rechtspersonen voor elk gewenst bedrag mits afgerond op f. 100,-- of een veelvoud daarvan. De inschrijving stond open van 15 januari 1946 tot en met 5 februari 1946 en van 4 tot 14 juni 1946.
Wijzigingen in de tenaamstelling van de rekening, moest door de ingeschreven rechthebbende, hun vertegenwoordigers, erfgenamen of anderszins rechtopvolgenden, met overlegging van de nodige bewijsstukken, verzocht worden aan de directeur. Het was aan de directeur en de verdere medewerkers van het Grootboek verboden om zonder een bevelschrift van de president van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam informatie aan derden over de inschrijvingen te geven. De FIOD diende zich, alvorens een onderzoek naar een ingeschreven geblokkeerd tegoed te kunnen beginnen, dus eerst tot voornoemde president te wenden.
De beperkingen in de overdraagbaarheid van de Grootboekschuld om monetaire en fiscaal-juridische redenen, waren bij de van krachtwording van het Besluit J64 vervallen. Dit Besluit van 9-2-1949 "tot wijziging en aanvulling van besluit G9", regelde de omzetting van inschrijvingen of gedeelten daarvan in schuldbewijzen. Omgekeerd werd het mogelijk de via de effectenhandel gekochte schuldbewijzen aan toonder (obligaties) weer om te zetten in een inschrijving. Deze nieuwe inschrijvingen waren toegestaan met inachtneming van door de minister van Financiën te stellen voorwaarden.
Deze voorwaarden stonden geformuleerd in de Ministeriële Beschikking Overdracht en Aflossing, van 9-2-1949 (Stcrt. 11-2-1949). De uiteindelijke aflossingsdatum werd hier op 1 oktober 1982 gesteld. Dit hield een "versnelde" aflossing in. In Besluit F268 stond 50 jaar voor het delgen van de schuld aangegeven. Gerekend vanaf 1946 zou dan de totale schuld in 1996 afgelost zijn. Alle verrichtingen moesten nu via door de directeur voorschreven formulieren aangevraagd worden. Praktisch gezien had de directeur ten aanzien van alle verrichtingen de eindverantwoordelijkheid. Hij bepaalde ook hoe inschrijving, overdracht, renteafdracht, aflossing, en wijziging in de tenaamstelling in bijzondere gevallen moesten plaats vinden.
Bij de Ministeriële Beschikking Verwisseling Grootboek 1946 van 10-9-1949 (Stcrt. 23-9-1949) werd bepaald dat alle rekeningen waarvan het saldo op 1-11-1949 minder dan inf. 10.000,-- bedroeg, zonder meer werden omgezet in schuldbekentenissen aan toonder. Op deze omzetting waren de bestaande regels van kracht.
Een verdere regeling voor de aflossing via uitloting van de inschrijving en schuldbewijzen werd vanwege de minister van Financiën bekend gemaakt in de Staatscourant van 25-8-1950. Elk jaar zou een aantal rekeningen worden uitgeloot ter aflossing. Het totaal bedrag dat de af te lossen rekeningen bij elkaar mocht bedragen, werd zo spoedig mogelijk na 1 oktober van elk jaar door de directeur berekend. Voor de loting werd door de minister van Financiën een ambtenaar aangewezen die, ten overstaan van twee leden van de Algemene Rekenkamer de trekking verrichte. De loting was openbaar. De benodigdheden daartoe werden op het Ministerie van Financiën bewaard. De sleutels van de lotingsbussen berustten bij de thesaurier-generaal. Van de loting werd een proces-verbaal in drievoud opgemaakt, respectievelijk voor de Algemene Rekenkamer, het ministerie en het agentschap. De uitgelote rekeningnummers werden tevens in de Staatscourant bekend gemaakt. De uitbetaling van ingeschreven bedragen vond plaats door storting op een door de rekeninghouder aan te wijzen bank- en girorekening. De aflossing van de obligaties gebeurde tegen inlevering van alle bewijspapieren op daartoe aangewezen dagen, bij de Nederlandse Bank te Amsterdam of bij de filialen te Rotterdam of Den Haag. In 1982 zijn volgens plan de laatste aflossingen gedaan.
Geschiedenis van het archiefbeheer
De verwerving van het archief
Overbrenging van een overheidsarchief
Inhoud en structuur van het archief
Inhoud
Het archief bestond uit een aantal blokken:
- Dossiers inschrijvingen, doosnummers 1-1295
- 2. Dossiers G.I. (Grote Inschrijvers), doosnummers 1296-1352
- 3. Grootboekkaarten (tevens rentekaarten), doosnummers 1353-1633.
- 4. Overige
Totale omvang: 226 meter.
Binnen de dossiers wordt correspondentie aangetroffen inzake het inschrijven, plaatsen en doorhalen van aantekeningen, berekenen/uitkeren van rente, opheffing renteblokkering, uitloting e.d.
Verantwoording van de bewerking
Vanuit de PIVOT-optiek bekeken maken de inschrijvingen in het 3% Grootboek 1946 deel uit van het beleidsterrein "geldzuivering". Binnen dit beleidsterrein wordt aandacht besteed aan de monetaire geldzuivering van Nederland na de Tweede Wereldoorlog.
De heer P. Lamboo van het Ministerie van Financiën heeft het institutioneel onderzoek naar de taakontwikkeling op bovengenoemd beleidsterrein verricht. Het Rapport Institutioneel Onderzoek "Geldzuivering" is uitgebracht onder nr. 151 van de Pivot-reeks.
Hierin komt de volgende handeling voor:
Nummer: 212
Actor: de directeur van de Grootboeken der Nationale Schuld
Handeling: Het zorgdragen voor het houden van het Grootboek 1946 en uitvoeren van daarmee verband houdende werkzaamheden.
Daar waar de directeur meer procedurestellend is worden afzonderlijke handelingen geformuleerd.
Periode: 1946-
Grondslag: Besluit regelen beheer Grootboek 1946, Stb. G 9, art. 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8, 8a v.a. wijz. 1949 Stb. J 64 (aflossingen rekenin-gen groter dan f 100.000 en commis-si-o-nairsrekeningen en aflos-sing door uitloting rekeningen lager dan f 100.000 en schuld-bewijzen aan toon-der), 9,
Beschikking overdracht en aflossing Grootboek 1946, Stcrt. 1949 no. 30 en gewijzigd 1950 Stcrt. no. 191, art. 1, 2, 3, 6, 8, 9, 10, 12,
Beschikking Verwisseling Grootboek 1946, Stcrt. 1949 no. 186, art. 1, 2, 3,
Wet van 14 december 1949, Stb. J 558, houdende vereenvoudiging van de wijze van uitbrengen van exploiten aan het Grootboek 1946 en aan enig schuldregister voor geldleningen ten laste van het Rijk, art. 1,
Wet van 14 December 1949, houdende vereenvoudiging van de wijze van uitbrengen van exploiten aan het Grootboek 1946 en aan enig schuldregister voor geldleningen ten laste van het Rijk, Stb. J 558, art. 1,
Beschikking houdende regeling van uitloting en aflossing van inschrijvingen en schuldbewijzen 3% Grootboek 1946, Stcrt. 25-8-1950 no. 165, art. 1,
Product: het Grootboek, inschrijvingen, rentebijschrijvingen en -vergoe-dingen, uitbetalingen/aflossingen, verrekeningen, behandeling verzoeken betreffende af-, over- en bijschrijving en omwisse-ling, opening van rekeningen, omwisseling saldi van rekeningen in schuldbewijzen aan toonder etcetera.
Waardering:
Criterium:
Vanwege het ontbreken van een Basis Selectiedocument (BSD) ontbreekt op dit moment een waardering voor bovenstaande handeling.
In overleg met het Nationaal Archief is besloten om dit archief voorlopig te laten vallen onder de definitie van het begrip oorlogsgerelateerd. Hierdoor is het gehele archief voor integrale bewaring aangewezen.
Ordening van het archief
De dossiers zijn primair geordend op de vervaldagen (1/1 - 1/7, 1/2 - 1/8, 1/3 - 1/9, 1/4 - 1/10, 1/5 - 1/11 en 1/6 - 1/12). Hierbinnen is de ordening op inschrijfnummer, bestaande uit een cijfercombinatie:
1e reeks staat voor een plaats/regio
2e reeks betreft het volgnummer
Voorafgaand aan het inschrijvingsnummer wordt een hoofdletter geplaatst. De hoofdletter staat voor de gekozen wijze van rente-ontvangst:
- door overboeking ten gunste van een door inschrijver opgegeven rekening
- door overboeking naar de Rijkspostspaarbank ter bijschrijving op het spaarbankboekje van de inschrijver;
- door overboeking naar de Postcheque- en Girodienst of het Girokantoor van de gemeente Amsterdam;
- door overmaking per postwissel.
Aanwijzingen voor de gebruiker
Openbaarheidsbeperkingen
Volledig openbaar.
Beperkingen aan het gebruik
Reproductie van originele bescheiden uit dit archief is, behoudens de algemene regels die gelden voor het kopiëren van stukken, niet aan beperkingen onderhevig. Er zijn geen beperkingen krachtens het auteursrecht.
Materiële beperkingen
Het archief kent geen beperkingen voor het raadplegen van stukken als gevolg van kwetsbare of slechte materiële staat.
Aanvraaginstructie
Openbare archiefstukken kunnen online worden aangevraagd en gereserveerd. U kunt dit ook via de terminals in de studiezaal van het Nationaal Archief doen. Om te kunnen reserveren dient u de volgende stappen te volgen:
- Creëer een account of log in.
- Selecteer in de archiefinventaris een archiefstuk.
- Klik op ‘Reserveer’ en kies een tijdstip van inzage.
Citeerinstructie
Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste éénmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld. Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.
VOLLEDIG:
Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Financiën: Directie van de Grootboeken der Nationale Schuld: 3% Grootboek 1946, nummer toegang 2.08.67, inventarisnummer ...
VERKORT:
NL-HaNA, Grootboeken Nationale Schuld 1946, 2.08.67, inv.nr. ...
Verwant materiaal
Inventarisnummers van dit archief zijn niet in kopievorm beschikbaar