2.08.69 Inventaris van het verbaalarchief van het Ministerie van Financiën: Administratie der Belastingen, 1936-1950, en Directoraat-Generaal der Belastingen, 1950-1975

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Beleidsterrein heffing rijksbelastingen

Voor het uitvoeren van haar beleid heeft de regering geld nodig. Een deel hiervan wordt verkregen door het heffen van belastingen. Van oudsher een praktijk die wordt beschouwd als een vanzelfsprekende noodzakelijkheid. In de Grondwet staat nergens uitdrukkelijk vermeld dat het Rijk hiertoe een recht heeft. Artikel 104 stelt dat "belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld". Met deze vermelding is de belastingheffing door de overheid in het recht verankerd.
Aan de minister van Financiën is, in de meest ruime zin, de taak opgedragen het beleidsterrein t.a.v. de samenstelling van inkomsten en uitgaven van de Nederlandse overheid vorm te geven en uit te voeren. Meer gespecificeerd is deze taak onder te verdelen in drie deelgebieden.
  1. Het begrotings- (en rekenings-)beleid (ook wel aangeduid als comptabiliteitsbeleid). Dit houdt de verantwoordelijkheid in voor het algemene financiële beleid en het doelmatig beheer van het geld van de overheid. Het is een grensoverschrijdende taak, die naast alle andere ministeries ook de lagere overheden als provincies en gemeenten aangaat. Financiën vervult hierbij een coördinerende rol.
  2. Het monetaire beleid. Dit betreft de gang van zaken rond geld en kapitaal in het belang van een gezonde economische ontwikkeling van ons land. Onder deze taak valt bijv. het toezicht op het bank- en verzekeringswezen. Evenals de hierna genoemde taak is dit een vaktaak van de minister van Financiën.
  3. Het fiscale beleid (belastingen). Dit beleid betreft het terrein van het heffen van de belastingen voor primair zoveel als mogelijk de dekking van de uitgaven. Belastingheffing kan ook de volgende functies hebben:
    • proberen een meer evenredige inkomensverdeling te bewerkstelligen;
    • het bevorderen van bepaalde activiteiten door begunstigende belastingmaatregelen.
Vanaf 1950 is het fiscale beleidsterrein bij Financiën gesplitst in een tak voor het opzetten van beleid en wetgeving en een tak die zich bezig houdt met de uitvoering daarvan.

Ontwikkelingen rijksbelastingen na 1935

1936 - 1940
Wezenlijke binnenlandse veranderingen op het gebied van de belastingwetgeving vonden in deze vooroorlogse periode niet plaats.
Op internationaal terrein kwamen wel enige regelingen tot stand. Een van de gebieden waarop de in 1920 opgerichte Volkenbond enig succes had, was het bevorderen van de totstandkoming van bilaterale verdragen tussen de lidstaten ter voorkoming van dubbele belasting. Nederland had onderhandelingen hiertoe lopen met bijv. Frankrijk, Hongarije, Italië, en de niet tot de Volkenbond toegetreden Verenigde Staten van Noord-Amerika. Slechts met één staat werd daadwerkelijk een verdrag afgesloten. In 1936 met Duitsland, het eerste moderne belastingverdrag ter wereld! Overeenkomsten op deelgebieden als de internationale lucht- en scheepvaart en het handelsverkeer ontstonden met bijv. België, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. Door het intreden van de oorlogssituatie werden alle nog lopende onderhandelingen afgebroken.
Bezettingsperiode 1940-1945
Zeer belangrijke wijzigingen in de belastingheffing vonden plaats tijdens de bezettingsperiode 1940-1945. De eerste, slechts nog gedachten vormende aanzetten hiertoe waren reeds voor de bezetting gegeven. Maar op instigatie van de bezetter werden de wijzigingen zeer sterk versneld ingevoerd. De snelle invoer kon gestalte krijgen doordat de normale parlementaire behandeling niet werd gevolgd, het parlement was immers buiten werking gesteld. Daarnaast werden enkele Duitse maatregelen min of meer gekopieerd, ofwel naar Nederlandse omstandigheden aangepast.
Aanleiding voor deze snelle invoer was de grote financieringsbehoefte van de bezetter, bijv. voor de aanleg van verdedigingswerken (de Atlantikwall), of de autosnelweg van Den Haag/Amsterdam via Utrecht naar Duitsland (het "Hazepad"). Maar ook voor de door de bezetter ingevoerde kinderbijslag, en de na de bezetting weer teruggedraaide salarisverbeteringen en vervroegde pensionering (60 jaar !!) van bepaalde beroepsgroepen (m.n. onderwijzend en politie personeel).
De dividend- en tantièmebelasting werden vervangen door een belasting naar de winst van rechtspersonen winstbelasting 1940. Een wetsvoorstel hiertoe was bij aanvang van de bezetting reeds bij de 1ste Kamer aanhangig.
Daarnaast werd de Vennootschapsbelasting 1941 ingevoerd. Het ontwerp van deze wet was reeds voor de oorlog in belangrijke mate geënt op de voor die tijd vooruitstrevende "Körperschaftssteuer"wet van onze oosterburen.
De invoering van een zgn. reëel stelsel met voorheffingen bij de Loonbelasting 1940, en inkomstenbelasting 1941 was tevens voor de oorlog al in overweging, evenals de verhoging van een aantal tarieven.
De commissaris- en de superdividendbelasting 1941 waren uit het Duitse belastingstelsel gekopieerde wetten. Binnen het Nederlandse bestel vormden ze echter zodanige Fremdkörper die beiden na de bevrijding gelijk afgeschaft werden.
De coupon- en de fietsbelasting, beide ingevoerd in het crisisjaar 1933, werden in 1941 afgeschaft. In de volksmond luidde het dat de koperen belastingplaatjes voor op de fiets goed voor de productie van granaten gebruikt konden worden.
1945 - 1950
Direct na de oorlog werden naast de hiervoor al genoemde maatregelen, twee eenmalige vermogensheffingen doorgevoerd, resp. de vermogensaanwasbelasting 1946 en de vermogensheffing ineens 1947. Deze heffingen over tegoeden die meestal vanwege de geldzuivering geblokkeerd waren, hadden een tweeledige functie. Allereerst werden daardoor oorlogsvermogens van collaborateurs en zwarthandelaren weg belast en -gezuiverd. Ten tweede werd een belangrijk deel van de tijdens de bezetting sterk opgelopen geldhoeveelheid omgezet van een potentieel dat hyperinflatie zou kunnen veroorzaken, tot een potentieel dat kon worden ingezet voor de wederopbouw.
1950 - 1970
De jaren vijftig en zestig werden gekenmerkt door de grote herzieningsoperaties. De in de oorlog snel ingevoerde wetten kenden de nodige haken en ogen. De wetten moesten logischer van opzet en beter uitvoerbaar worden. Een aantal kommissies die voor vele belastingwetten standaardiserende en vereenvoudigingsvoorstellen deden, volgden elkaar in deze jaren op.
Zo kwam in 1959 de Algemene Wet Rijksbelastingen (AWR) tot stand die de heffing van de meeste rijksbelastingen op gelijke leest schoeit.
De Loonbelasting 1940 werd in 1960 vernieuwd, de Inkomstenbelasting 1941 in 1964, de voor-oorlogse vermogensbelasting in 1964, en de Vennootschapsbelasting 1941 in 1969.
Deze herzieningsoperatie spiegelde zich binnen het Ministerie af in de reorganisatie van de Administratie der Rijksbelasting in 1950 waarbij een uitsplitsing naar beleid, het Directoraat Fiscale Zaken, en uitvoering, het Directoraat-generaal der belastingen, werd doorgevoerd.
De onderhandelingen aangaande de opstelling en sluiting van belastingverdragen werd in deze periode weer volop ter hand genomen.
1970 - 1990
Na deze grote belastingherziening kwam in de jaren zeventig, tachtig en negentig de nadruk op zaken als fraudebestrijding en belastingvoorzieningen (-faciliteiten) te liggen. Het maatschappelijk en economisch functioneren en disfunctioneren van belastingen (met name de fraude(gevoeligheid)) werd studieobject van een aantal werkgroepen.
In 1970 werd de zgn. "wiebeltaks" ingevoerd, een maatregel die het mogelijk maakte de diverse belastingtarieven afhankelijk van de conjunctuur bij te stellen.
Met name in de jaren tachtig werd in het kader van. de deregulering, vereenvoudiging van de bestaande wetgeving, onderwerp van daartoe ingestelde kommissies.
Daarnaast moesten ten gevolge van internationale samenwerkingsverbanden aanpassingen van de wetgeving doorgevoerd worden. Met name door de totstandkoming van de BENELUX en de ontwikkeling van EGKS, EEG, EG naar EU. Dit had in het bijzonder gevolgen voor de Omzetbelasting (BTW 1969) en de Vennootschapsbelasting. Vanaf 1969 wordt in Europees verband gestreefd naar harmonisatie van wetgeving. Dat betekent dat Nederlandse wetgeving steeds meer ondergeschikt wordt aan internationale richtlijnen en verdragen.

Geschiedenis van de organisatie

Het Ministerie van Financiën is belast met vele taken op het terrein van de staatsfinanciën en met enkele op het terrein van de provinciale en gemeentelijke financiën. Tevens is het ministerie belast met het toezicht op het bankwezen en het verzekeringswezen. Onder de Departementen van Algemeen Bestuur neemt Financiën een centrale plaats in. De taken van het Ministerie breidden zich in de loop der tijd enorm uit. De kern van de taak is echter dezelfde gebleven: het beheer van de staatsbegroting in de ruimste zin van het woord. In de periode 1945/1953 - 1965 betekende dit dat men zich op het Ministerie van Financiën onder meer bezig hield met de afwikkeling van financiële verplichtingen en vorderingen, voortvloeiende uit de oorlogsperiode 1940-1945, en uit de watersnoodramp die plaatsvond in Zeeland en Zuid-Holland in februari 1953. De Minister van Financiën is de penningmeester van het kabinet en heeft als zodanig een interne coördinerende taak bij de voorbereiding van de rijksbegroting, alsmede bij het uitvoeren van deze begroting en het opstellen van de rekening. De meest omvangrijke taak is die van de belastingwetgeving en -heffing.
Taken van de Administratie der Belastingen
De taken van de Administratie der Belastingen, na 1959 van het Directoraat der Belastingen zijn:
  • belastingen en de rechten, verschuldigd bij in- en uitvoer en de accijnsheffing;
  • het bestuur over de diensten die belast waren met de inning van deze belastingen.
Onder de Administratie der Belastingen vallen de volgende afdelingen, waarvan de neerslag in het verbaalarchief middels deze inventaris toegankelijk is gemaakt. Hun taken staan hieronder per afdeling vermeld.
Afdeling Personeel van de Belastingdienst, na 1962 Directie Personeel van de Belastingdienst:
  • personeelsaangelegenheden;
  • begroting;
  • zuivering (tot 1950);
  • rechtsherstel (tot 1950);
  • militaire dienst (tot 1950).
Afdeling Organisatie van de Belastingdienst:
  • algemene organisatie van de dienst;
  • huisvesting;
  • voorziening in materiële behoeften;
  • verlening en intrekking van kredieten.
Afdeling Directe Belastingen:
  • uitvoering van de wetgeving betreffende de Directe Belastingen in het algemeen;
  • opstellen van werkplannen;
  • coördinatie (tot 1950);
  • statistiek (tot 1959);
  • berekeningen (tot 1959).
Afdeling Indirecte Belastingen:
  • uitvoering van de wetgeving betreffende de rechten van successie, van schenking en van overgang bij overlijden;
  • registratiebelasting;
  • recht van zegel;
  • Staatsloterij;
  • Natuurschoonwet 1928;
  • grondbelasting;
  • personele belasting.
Afdeling Invoerrechten:
  • uitvoering van de wetten betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen;
  • handelspolitiek en internationale verdragen.
Afdeling Accijnzen, vanaf 1950 tot 1954 werd dit afdeling Verbruiksbelasting en Douanewetgeving, en vanaf 1954 tot 1959 afdeling Verbruiksbelasting:
  • uitvoering van de wetgeving betreffende de accijnzen op suiker, wijn, gedistilleerd, zout, bier, geslacht en tabak;
  • in-, uit- en doorvoer van accijnsgoederen;
  • Omzetbelasting;
  • recht op de mijnen;
  • waarborg en belasting der gouden en zilveren werken.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Vorming en opbouw van het verbaalarchief

Het archief van de Administratie der Belastingen in de periode 1831-1975 maakte deel uit van een centraal verbaalarchief waar ook stukken van andere organisatieonderdelen van het Ministerie van Financiën in werden opgeborgen.
In dit archief werden de stukken op chronologische volgorde, en per dag op registratienummer geordend. Zo'n serie van per dag op nummer geordende stukken wordt een "verbaal" genoemd. Een verbaal, in officiële archiefterminologie, is: "een serie van de op een dag of in één zitting, vastgestelde minuten van Besluiten (brieven) al dan niet met bijlagen, en van voor kennisgeving aangenomen ingekomen stukken".
Archieftechnisch gezien is deze methode van archiefvorming en -ordening eenvoudig en weinig arbeid vragend. Voor het opzoeken van de stukken lag dat over het algemeen anders. Als men meerdere stukken betreffende een zaak nodig had, moest men via de door- en terugverwijzingen de verspreid geborgen stukken bij elkaar halen. Dat kon behoorlijk tijdrovend zijn.
In mei 1940 bevatte het verbaalarchief bescheiden van de volgende organisatorische eenheden van het Ministerie van Financiën:
  • Afdeling Kabinet en Secretarie van 1945 tot 1950 Kabinet en Personeel, van 1952 tot 1956 de afdeling Kabinet.
  • Administratie der Generale Thesaurie, van 1952 tot 1959 Algemeen Beheer der Generale Thesaurie.
  • Administratie der Belastingen, na 1959 het Directoraat der Belastingen.
Na 1950 kwamen hier nog bij:
  • de afdelingen vallend onder de Directeur-generaal voor Fiscale Zaken in algemene dienst.

Vroegere toegankelijkheid van het archief

In de praktijk werden, met het doel ze tijdens afdoening en na berging te kunnen opsporen, de belangrijke ingekomen en uitgaande stukken "geregistreerd", "geagendeerd" en, vanaf 1936 vervolgens "geïndexeerd".
Het registreren hield in dat aan, en ook daadwerkelijk op de stukken een registratienummer werd meegegeven. Alle op één dag geregistreerde stukken werden dus op numerieke volgorde als dageenheid, het "verbaal" van die dag, bij elkaar opgeborgen ("verbaalvorming"). Als datum en nummer van het stuk bekend waren was het dus zo uit het archief te halen. Over het algemeen werden op een stuk ook datum en nummer van voorgaande en nagekomen stukken vermeld.
In agenda's werd op volgorde van de uitgegeven nummers, bijgehouden welke stukken waren geregistreerd. Daarbij werd ook een korte inhoudsbeschrijving opgenomen, en eventueel verwijzingen naar voorgaande en volgende stukken betrekking hebbende op dezelfde zaak. Deze verwijzingen werden ook op achterzijde van de stukken gezet.
Het zoeken naar een zaak via de agenda's was nog redelijk omslachtig. Toch boden ze de gelegenheid sneller meerdere op elkaar betrokken stukken te zoeken. Aanvankelijk was het archief niet anders toegankelijk dan te zoeken via de agenda's. De voorloper van het middels deze inventaris toegankelijke archief, het archief van de Administratie der Belastingen 1831-1935, is in hoofdzaak op deze wijze toegankelijk.
Het indexeren hield in dat, vanaf 1936 elk stuk een onderwerpskenmerk mee kreeg. Dit gebeurde met behulp van de "index", een opsomming van alle mogelijk bij het ministerie voorkomende onderwerpen, waaraan nummers waren toegekend, de zgn. "indexnummers". De opsomming van indexnummers had een "logische" indeling, dwz. op basis van overeenkomst en verschil in onderwerpen. In zeker opzicht was de index te vergelijken met de nu nog bij de gemeenten gebruikte classificatie "code VNG".
Wanneer het onderwerp bepaald was, nam men uit de index het daarvoor staande nummer over op het stuk. Kende het onderwerp meerdere kanten dan werden op het stuk meerdere (tot drie) indexnummers geplaatst.
Vanaf de invoering van het indexsysteem werden van de geregistreerde uitgaande stukken doorslagen gemaakt. Deze "indexkopieën", zoals ze bij Financiën werden genoemd, werden op onderwerp, aan de hand van het via de index toegekende bijbehorende indexgetal opgeborgen. Binnen deze series indexkopieën waren de stukken chronologisch geordend. Zo ontstonden wat in archiefterminologie heet rubrieken. Fysiek waren het lijvige reeksen dunne, roze of gele doorslagen in stevige roze mappen met koperen snelhechters.
Aan een stuk werden nooit meer dan twee of drie onderwerpen, cq. indexnummers toegekend. Praktisch gezien was het gewoon te moeilijk meer dan drie goed leesbare doorslagen te maken. Daarmee was het dus ook mogelijk al zoekende een zaak vanuit een ander gezichtspunt te benaderen.
Over het algemeen zaten de (uitgaande !) stukken betreffende een zaak in dezelfde map. Tegelijk kon nu ook bekeken worden wat in andere soortgelijke zaken was gedaan, deze zaten per slot van rekening ook in dezelfde map.
De ingekomen brieven, waarvan men dus geen doorslag had, zaten in het minuteformulier van de uitgaande brieven. Als men die in wilde zien moest men deze dus op datum en nummer uit het "originelen" archief vissen.
Naast de hiervoor genoemde instrumenten stonden nog de indexkaartjes en de rubriekenlijsten ter beschikking.
De indexkaartjes vormden een kaartsysteem dat alfabetische gerangschikt op persoonsnaam of instellingsnaam ingang gaf, met vervolgens verwijzing naar datum, stuknummer en ook indexgetal (rubriek).
De rubriekenlijsten waren in zeker opzicht een afgeslankte variant van de agenda's. Het waren per dag opgestelde numerieke (stuknummer) lijsten die verwezen naar behandelende afdeling en indexgetal.
Het indexsysteem gaf qua vorming en onderhoud als toegangssysteem, cq. neveningang veel meer werk dan het agendasysteem. De belangrijke winst ervan zat in het veel meer rechtstreekse toegankelijk zijn van het archief. Weliswaar zaten de stukken betreffende een zaak in een indexreeks nog wel "chronologisch verspreid", maar het totaal aantal door te nemen stukken werd zeer sterk beperkt. Daardoor nam de snelheid waarmee het archief te raadplegen was behoorlijk toe.
De vorming van de series indexkopieën had wel als effect dat de aanwas van het verbaalarchief meer dan verdubbelde, en dat de omvang van het archief daarom snel uitdijde.

Overgang naar het dossierstelsel

Vanwege het Koninklijk Besluit "K 425" (1950) werden Rijksoverheidinstellingen verplicht voor hun archiefvorming het dossierstelsel in te voeren, oftewel over te gaan op de zaaksgewijze ordening.
Bij Financiën gingen, na een voorbereidingsperiode, vanaf 1956 geleidelijk aan steeds meer directies over op het dossierstelsel. Voor de ordening van de dossiers werd een classificatie, cq. "archiefcode" gebruikt die afgeleid was van de code VNG. Als gevolg hiervan nam het aantal stukken dat in het verbaalarchief werd opgenomen sterk af. Hieronder staat wanneer bij welke afdeling het dossierstelsel werd ingevoerd:
  • afdeling Organisatie van de Belastingdienst op 1 maart 1956.
  • afdeling Indirecte Belastingen op 1 mei 1956.
  • afdeling Accijnzen op 15 april 1957.
  • afdeling Invoerrechten 1 augustus 1957.
  • afdeling Directe Belastingen 16 mei 1958.

Het einde van het verbaalstelsel

Na 1 mei 1960 werden nog slechts de archiefbescheiden van 2 afdelingen van het Directoraat-Generaal der Belastingen in het verbaalarchief opgeborgen, en wel van de:
  • afdeling Personeel van de Belastingdienst; en
  • afdeling Algemene en Juridische Zaken van de Belastingdienst.
Pas in juli en augustus 1975 gingen ook deze afdelingen over op het dossierstelsel. Het verbaalstelsel werd toen definitief afgesloten.
Tijdens de bewerking van het archief voor deze inventaris is vastgesteld dat naarmate de jaren verstrijken en men dichter bij 1955 komt, het steeds vaker voorkomt dat "voor- en nastukken" als bijlage in het minuteformulier bij een stuk zijn gevoegd. Een verkapte vorm van dossiervorming.

Voorgaande bewerkingen van het verbaalarchief

Tot en met april 1956 heeft vernietiging uit het archief plaatsgevonden. Hierbij werden stukken tot en met het eerste kwartaal van 1951 ter vernietiging aangewezen met machtiging van de Algemeen Rijksarchivaris. Het betrof minuten met bijlagen die vermeld stonden op de daglijsten van voor vernietiging vatbare stukken.
Deze vernietigingen vonden plaats in de volgende jaren:
  • In 1946 (Algemeen Secretariaat nr. 204 d.d. 6-5 1946), machtiging d.d. 27 5 1946) de periode 1938 1940;
  • in 1947 (Algemeen Secretariaat nr. 168 d.d. 31 3 1947), machtiging d.d. 14 4 1947 ) de periode 1942;
  • in 1952 (Algemeen Secretariaat nr. 84 d.d. 13 3 l952), machtiging d.d. 21 3 1952) de periode 1942 1946.
In 1983 is het gedeelte 1831-1940 van het centraal verbaalarchief aan het Algemeen Rijks Archief overgedragen. Het is daar bewerkt en beschreven door A.M. Tempelaars, medewerker van het ARA. In 1986 verscheen de inventaris "Het openbaar en kabinetsgeheim verbaalarchief van het Ministerie van Financiën 1831-1940". De reden voor de zodanige splitsing in het archief was een geschiedkundige, namelijk, de indeling in de tijdvakken "voor de oorlog" en "vanaf het begin van de oorlog in 1940".
Het resterende achterblijvende deel werd aangeduid als het "verbaalarchief van het Ministerie van Financiën, 1940-1975. Het bevatte bescheiden van:
  • Afdeling Kabinet en Secretarie (K&S)
  • Administratie der Generale Thesaurie (GT)
  • Administratie der Belastingen (AdB) + afdelingen vallende onder de Directeur-generaal voor Fiscale Zaken in algemene dienst (DGFZ)
Tussen 1983 en 1988 is in de semi-statische fase op het ministerie zelf het resterende deel 1940-1975 gesplitst in aparte delen betreffende K&S, GT, AdB en het DGFZ.
In 1988 en 1989 bewerkte de Centrale Archief Selectiedienst (CAS) het deel aangaande belastingaangelegenheden. Besloten werd bij deze bewerking het deel van 1 januari 1936 tot 10 mei 1940, dat in 1983 al aan het ARA was overgedragen, mee te nemen. De reden hiervoor was in plaats van een geschiedkundige een archieftechnische, namelijk de ingangsdatum van het indexsysteem. Het resultaat van deze bewerking is de "concept-inventaris van het verbaalarchief van het DIRECTORAAT-GENERAAL DER GENERAAL DER BELASTINGEN van het Ministerie van Financiën 1936-1975".
De CAS heeft tijdens deze bewerking stukken uit de verbalen voor vernietiging in aanmerking gebracht en daarbij op vernietigingstermijn afgesteld. Stukken betreffende het DGFZ zijn afgescheiden. Het indexsysteem, c.q. de indexkopieën als toegang erop, is integraal in de oude orde behouden. Hieruit is door de CAS zeker niet, en voor zover bekend is (!) verder daarvoor ook nooit, vernietigd. Ook de verbalen zijn in de oude orde gebleven. Ze zijn dusdanig als een chronologische reeks beschreven. De indexkopieën zijn als een (index-) numerieke serie "rubrieksgewijs" beschreven.

De verwerving van het archief

Overbrenging van een overheidsarchief
Het archief is krachtens bepalingen van de Archiefwet overgebracht.

De verwerving van het archief

Het archief is krachtens bepalingen van de Archiefwet overgebracht.