Wettelijke regelingen
Na de omwenteling in 1795 bleef het oude vaderlandse recht voorlopig geldig. Bij de Staatsregeling van 1798 werd in artikel 28 bepaald dat een Burgerlijk Wetboek voor de gehele (Bataafse) Republiek tot stand gebracht zou worden. Ingevolge decreet van de Wetgevende Vergadering werd door het Uitvoerend Bewind bij besluit van 28 september 1798 een Commissie benoemd van 12 leden waarvan een aantal werd aangewezen voor het ontwerp van de burgerlijke wetten (waaronder dus een wet die het handelsrecht moest regelen). De Staatsregeling van 1801 sprak in artikel 84 van een soortgelijke opdracht; de Staatsregeling van 1805 en de Constitutie van het Koninkrijk Holland zwegen echter op dit punt. Door genoemde commissie is geen ontwerp betreffende het vennootschapsrecht ingeleverd. In een op last van Koning Lodewijk Napoleon door de secretaris van de commissie in 1807 opgesteld ontwerp voor een Burgerlijk Wetboek is wel sprake in het derde deel van regeling van het handelsrecht.
Bij besluit van 18 november 1807 benoemde Koning Lodewijk Napoleon een commissie voor het bewerken van de Code Napoléon (dit is de Franse Code Civil van 1804, sinds 1807 Code Napoléon genaamd) voor "Nederland". Die commissie concludeerde tot vaststelling van een afzonderlijk wetboek van koophandel. Dienovereenkomstig bepaalde het K.B. van 24 februari 1809, waarbij de invoering van het aldus voorbereide "Wetboek Napoleon, ingericht voor het Koninkrijk Holland", werd gesteld op 1 mei 1809, in artikel 4: "Onverminderd de bepalingen van het voorgaande gemaakt, zullen provisioneel en totdat deswegens nader zal zijn gedisponeerd van kracht blijven alle wetten en costumen, betrekkelijk tot sociëteiten van koophandel, het wisselregt, de assurantiën, avarijen en zeezaken, mitsgaders alle andere zaken, zaken van commercie, waaromtrent in dit wetboek geenerhande bepalingen zijn vastgesteld".
Inmiddels was bij KB van 29 oktober 1808 een nieuwe commissie benoemd voor het opstellen van een afzonderlijk Wetboek van Koophandel, waarin zitting hadden M.S. Asser, A. van Gennep en J. van der Linden. Op 8 juni 1809 bood deze commissie een ontwerp voor een wetboek van koophandel aan. Hoewel in het algemeen daarin ruim rekening gehouden was met vaderlandse wetten en gewoonten, volgden de bepalingen op de naamloze vennootschappen de Code de Commerce niettemin op de voet. Alleen het voorstel betreffende de keizerlijke bewilliging was geschrapt. Door de invoering kort daarop van de Franse wetgeving heeft dit ontwerp geen rechtstreeks gevolg gehad.
Na de inlijving in 1810 bij het Franse keizerrijk werd bij keizerlijk decreet van 8 november 1810 en van 6 januari 1811 de invoering gelast van o.a. de Franse Code Civil en de Code de Commerce (van 10 september 1807, Bulletin des Lois nr. 164), voor de streken ten zuiden van de Waal, Merwede en Maas met ingang van 1 januari 1811, voor de overige met ingang van 1 maart 1811. Het oude vaderlandse recht betreffende de naamloze vennootschappen is dus onmiddellijk opgevolgd door de Franse wetten, (zonder regeling van de overgang). In de Code de Commerce werd ten aanzien van naamloze vennootschappen onder meer bepaald dat zij slechts konden bestaan met autorisatie van het "Gouvernement" en goedkeuring van de oprichtingsakte door dat "Gouvernement" (art. 37). De oprichting diende bij openbare akte te geschieden (art. 40).
Kort na het herstel van de nationale onafhankelijkheid werd in de Grondwet van 29 maart 1814 in artikel 100 bepaald: Er zal worden ingevoerd een algemeen wetboek van burgerlijk recht, lijfstraffelijk recht, van de koophandel en van de samenstelling der rechterlijke macht en de manier van procederen. Evenzo geschiedde bij de Grondwet van 24 augustus 1815 bij artikel 163. Bij Souverein Besluit van 18 april 1814 werd een commissie voor de wetgeving ingesteld, waarvan de leden A. van Gennep en J. Walraven belast werden met het samenstellen van een wetboek van koophandel. Op 17 januari 1815 bood deze commissie de vorst een ontwerp aan, opgetrokken op de grondslag van het ontwerp 1809. Bij KB van 21 november 1816 werd een commissie voor de herziening ingesteld in verband met de vereniging met België. Deze zond op 6 februari 1818 een herzien ontwerp in. De derde titel van het eerste boek had als opschrift: Van compagnieschappen of sociëteiten van koophandel. In artikel 26 komt voor het eerst de aan het Franse recht ontleende bepaling voor: "dezelve (i.e. naamloze compagnieschap) kan niet bestaan dan met bewilliging van de koning, nadat de akte waarbij zij wordt aangegaan, door hem zal zijn goedgekeurd. Nadere parlementaire behandeling leidde tot gewijzigde redactie, waarin de genoemde titel werd aangeduid als handelende "Van vennootschappen of maatschappijen van koophandel". Bij wet van 23 maart 1826 Stb. 20 werd de titel afgekondigd.
Tengevolge van de Belgische Opstand werd bij KB van 5 januari 1831 Stb.1 de tegen 1 februari 1831 bevolen invoering opgeschort. De wet van 26 december 1835 Stb. 44 legde nog enige veranderingen vast in het reeds aangenomen eerste boek van het Wetboek van Koophandel.
Een ontwerp voor kleinere wijzigingen vormde aanleiding tot pogingen om de koninklijke bewilliging, als zijnde van vreemde bodem, uit de wet te krijgen. Dit lukte chter niet vóór de invoering van de nieuwe Nederlandse burgerlijke wetgeving in 1838. In het Wetboek van Koophandel van 1838 was de koninklijke bewilliging nog altijd benodigd, zij het dat deze zonder meer werd verleend mits de nv niet strijdig was met de goede zeden of openbare orde en de oprichtingsakte geen bepalingen bevatte, strijdig met het bepaalde in de artikelen 38 tm 55. Bij wet van 2 juli 1928 Stb. 216 werd pas bepaald dat in plaats van de koninklijke bewilliging een verklaring van geen bezwaar van de Minister van Justitie vereist is. Voor de in 1971 in het Nederlandse recht ingevoerde besloten vennootschap geldt hetzelfde op dat punt.
Andere dan handels-naamloze en besloten vennootschappen zijn overigens aan dezelfde bepalingen die gelden voor de vennootschappen van koophandel onderworpen.
De verplichting tot oprichting bij openbare of ondershandse akte en de verplichting tot openbaarmaking van de oprichting(-sakte) van de nv is al in de eerste Nederlandse ontwerpen opgevoerd. Aanvankelijk, in het ontwerp van 1809, was sprake van registratie bij de rechtbank van koophandel of, wanneer deze in de vestigingsplaats niet aanwezig was, bij de plaatselijke burgerlijke rechtbank. In het Wetboek van Koophandel van 1838 wordt gesproken van inschrijving van de - notariële - akte van oprichting (en de koninklijke bewilliging) in de openbare registers en openbaarmaking in het officiële dagblad (De Staatscourant); daarnaast was het verplicht in nieuwsbladen aankondigingen van de oprichting te laten opnemen met vermelding van datum en nummer van het officiële dagblad.
Naderhand was men verplicht de akte van oprichting te laten registreren in het Handelsregister.
Taken van de Centrale Rijksoverheid
Vanaf 1817 werden door de departementen die achtereenvolgens met de zaken van de "nationale nijverheid" en de "koophandel" belast waren, adviezen gegeven aan de Koning in verband met de op grond van de voor Nederland geldige Code de Commerce benodigde koninklijke bewilliging voor de oprichting van een NV.
Ook het Ministerie van Justitie kon betrokken zijn bij de advisering van de Koning terzake. Bij KB van 1 december 1833 Stb. 60 werden nadere bepalingen gesteld met betrekking tot beider betrokkenheid bij deze aangelegenheid. Het voornemen tot oprichting van een nv diende, ter verkrijging van koninklijke bewilliging, aan het departement, waaronder de Administratie van de Nationale Nijverheid ressorteerde, onder toezending van een exemplaar van de ontwerp-statuten, bekend gemaakt te worden. Deze administratie voerde het benodigde (wettelijk) onderzoek uit naar aard en strekking van de maatschappij en de inhoud van statuten, waarna de Koning beschikte. Daarbij kon het Ministerie van Justitie ook om advies gevraagd worden. Bij de opheffing van de Administratie van de Nationale Nijverheid bij KB van 4 februari 1841 nr. 101 werd het Ministerie van Justitie met het onderzoek belast.
Deze taak is sindsdien bij het ministerie gebleven tot op de huidige dag. De werkzaamheden werden sinds 1860 door de volgende afdelingen uitgevoerd: 2e afdeling 1860-1876, 1e afdeling 1877-1901, 1e afdeling B 1902-1956 en Hoofdafdeling Privaatrecht (verschillende bureaus) sedert 1957.