Bezig met laden van scans...

2.12.37 Inventaris van het archief van de Bevelhebber der Strijdkrachten in het Oosten, 1942-1946

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Sluiten

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Op 2 maart 1942 vertrok vice-admiraal C.E.L. Helfrich, die tot dan toe de functies van commandant der zeemacht en hoofd van het departement der Marine in Nederlands Oost-Indië had vervuld, in opdracht van de gouverneur-generaal naar Ceylon. Hij moest daar een nieuw hoofdkwartier opzetten voor wat nog resteerde van de Nederlandse marine. Helfrich werd binnen enkele dagen na zijn vertrek uit Nederlands-Indië door de regering belast met het bevel over alle Nederlandse strijdkrachten in het Oosten welke buiten Indië waren of alsnog zouden komen. Hij tooide zich met de titel Bevelhebber der Strijdkrachten in het Oosten (BSO). Op 12 december 1942 werd de instructie voor vice-admiraal C.E.L. Helfrich als bevelhebber der strijdkrachten in het Oosten vastgesteld.
2.12.44 archief Helfrich, inv. nr. 6.
Deze instructie werd opgesteld door de bevelhebber der zeestrijdkrachten (BdZ) J.Th. Furstner en werd mede door deze ondertekend in zijn functie van minister van Marine alsmede door de minister voor Algemene Oorlogsvoering van het Koninkrijk en de minister van Koloniën.
Letterlijk luidde deze instructie:
  1. Gij wordt door mij (de BdZ) belast met het bevel over alle Nederlandsche- en Nederlandsch-Indische strijdkrachten in het zee- en landgebied van de "East Indies Station, South Atlantic Station beoosten de Meridiaan van Kaapstad (stad inbegrepen) en het Mediterranean Station bezuiden Port Said "en alle Pacific Areas", omschreven in de "Directive to the Supreme Commander in the S.W. Pacific Area, by agreement among the Governments of Australia, New Zealand, United Kingdom, Netherlands and U.S.A" en de "Directive to the C. in C. of Pacific Ocean Area". (In de praktijk kwamen alle Nederlandse strijdkrachten in het Southwest Pacific Area (SWPA) en de South East Asia Command (SEAC) onder Helfrichs bevel).
  2. Gij zult bij de uitoefening van dit bevel in het oog houden, dat, teneinde aan de bekende bezwaren van een coalitie-oorlogsuitvoering te ontkomen, het "operational control" over de deelen der in punt 1. genoemde weermacht in de gebieden waarin een geallieerde opperbevelhebber het bevel voert, bij dien opperbevelhebber berust.
  3. Gij zult zoveel als eenigzins mogelijk is, overleg plegen met den in punt 2 bedoelden opperbevelhebber teneinde bij diens beslissingen Uw plaatselijke kennis zoo zwaar mogelijk te doen wegen.
  4. Onder Nederlandsche strijdkrachten worden, behalve die der Koninklijke Marine, ook verstaan de vaartuigen en diensten, die blijvend of tijdelijk onder de Koninklijke Marine ressorteerden op 8 december 1941. Onder Nederlandsch-Indische strijdkrachten worden verstaan die onderdelen, welke op dien datum onder het Koninklijk Nederlandsch Indische leger ressorteerden. Betreffende de Nederlandsch-Indische strijdkrachten zult gij administratieve betrekkingen onderhouden met den minister van Koloniën.
  5. Wat betreft het militair gezag in deelen van Nederlandsch-Indië, welke daadwerkelijk door onze strijdkrachten zijn bezet, worden bij beschikking van den minister van Koloniën nadere regelingen getroffen, doch te Uwer informatie diene, dat het in de bedoeling ligt het militair gezag aldaar zo spoedig mogelijk door civiele gezagsdragers te doen uitvoeren.
Het hoofdkwartier van de BSO te Colombo werd vanaf 23 maart 1942 gevestigd op de 3e verdieping van de Hongkong & Shanghai Banking Corporation. Kapitein ter zee L.G.L. van der Kun werd chef van de Staf. Verder bestond het hoofdkwartier BSO uit de bureaus handelsbescherming en zeeverkeer, personeel, materieel, intendance, verbindingsdienst, voorlichting en publiciteit, kabinet.
De verhouding tussen de Nederlandse regering en de BSO was uiterst complex. De luitenant gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, dr. H.J. van Mook, was uitgeweken naar Australië. De minister-president P.S. Gerbrandy, die in 1942 tevens de portefeuille van Koloniën beheerde, droeg deze bij KB van 21 mei 1942 nr. 2 met ingang van 25 mei over aan Van Mook. In deze functie was Van Mook, krachtens het Besluit van 6 mei 1942, houdende een tijdelijke voorziening in het algemeen bestuur in Nederlandsch-Indië (Staatsblad C 39) ook belast met het algemeen bestuur over Nederlands-Indië. In de overweging, die geleid had tot dit besluit, werd gesteld dat het in verband met de bezetting door de vijand van een gedeelte van het grondgebied van Nederlands-Indië en de belemmering van de gouverneur-generaal in de uitoefening van het algemeen bestuur, en omdat deze functionaris door de Koningin was ontheven van het Opperbevel van de in Nederlands-Indië aanwezige zee- en landmacht in dat gebied er een voorziening moest worden getroffen. Artikel 3 - met afwijking van het bepaalde in de artikelen 31 en 32 van de Indische Staatsregeling - regelde dat de aanwijzing van het opperbevel over de daar aanwezige zee- en landmacht door de Koningin geschiedde. Dit opperbevel werd bij ongeschreven KB opgedragen aan luitenant-admiraal J.Th. Furstner.
De BSO voerde geen operatief commandement, en werd in het algemeen niet gekend in geallieerde operaties. Dit kwam in handen van de geallieerde bevelhebbers. Onder operatief bevel wordt verstaan het gebruik, de aanwending van strijdkrachten voor een aangegeven doel, terwijl met administratief bevel wordt bedoeld de gehele verzorging en onderhoud van de troepen, wat feitelijk neerkwam op het op peil houden van het personeel en het geven van richting bij de reparaties van materieel. Helfrich onderhield een complexe relatie met de gouverneur-generaal, later tevens minister van Koloniën, Van Mook. Met deze functionaris stond hij op één lijn. Het Besluit van 6 mei 1942, houdende een tijdelijke voorziening in het algemeen bestuur in Nederlands-Indië
Staatsblad nr, C 39.
trachtte klaarheid te brengen. Feitelijk was ook het administratief bevel versnipperd. Het KNIL stond feitelijk onder administratief gezag van gouverneur-generaal en was dus aan de BSO onttrokken. De minister van Koopvaardij had het gezag over de koopvaardij, en om de zaak nog te compliceren viel de Koninklijke Landmacht (Prinses Irenebrigade) administratief onder de minister van Oorlog.
Extra ingewikkeld werd de zaak door de fysieke verspreiding. De BSO zetelde te Colombo, een groot deel van het KNIL en de MLD zaten in Australië, terwijl er ook detachementen te Curaçao en Suriname zaten.
In oktober 1943 was het hoofdkwartier van de BSO gevestigd te Colombo. In Australië bestond het Marinecommandement Australië (voortaan: MCA) gevestigd te Melbourne; de BSO had aldaar de beschikking over een kamer voor de tijd dat hij daar verbleef. In aanvang was de MCA tevens Onderbevelhebber der Strijdkrachten in het Oosten. Aan deze dubbelfunctie kwam een einde toen medio 1944 lt-gen Van Oyen, die als legercommandant naar Australië werd overgeplaatst, deze functie overnam.
De BSO was het hoofd van alle Nederlandse diensten, welke een taak hadden op het gebied van psychologische oorlogsvoering, ondergrondse activiteit, sabotage, inlichtingendienst en alles wat daartoe moet worden gerekend in den meest uitgebreide zin als onderdeel van de oorlogsvoering van het koninkrijk in het Verre Oosten. Hij stelde een instructie op ten aanzien van de Nederlandse inlichtingendiensten in het Oosten.
Inventaris van de archieven van het ministerie van Defensie te Londen, vanaf 21 augustus 1941 ministerie van Oorlog te Londen, voortgezet vanaf 20 juni 1945 tot 25 april 1947 als bureau Londen departement van Oorlog en de afwikkeling daarvan, alsmede onder de verantwoordelijkheid van de minister van Defensie/Oorlog te Londen vallende instanties en de afwikkeling daarvan en de daarbij gedeponeerde archieven, inv. nr 170, verbaal van 20-11-1944, nr. 43.
Voor de uitvoering van deze taken werd de BSO gesteld onder bevel van de betreffende Theatre Commander.
Op 25 augustus 1945 werd Helfrich (bij KB van 22 augustus 1945, nr. 21) bevorderd tot luitenant-admiraal. Tevens werd hij op die datum belast met de functie van Bevelhebber der Zeestrijdkrachten, onder handhaving van zijn functie als BSO. Voor deze dubbelfunctie werd gekozen omdat het zwaartepunt van maritieme acties kwam te liggen in het Oosten. Een eenhoofdige operationeel bevel werd als de beste oplossing voor de taak van de marine gezien.
Op 1 oktober 1945 arriveerde Helfrich met het m.s. Plancius te Batavia. Aldaar werd in de vestiging van Volkskredietbank een operatieve staf ingesteld. Hierin waren, naast de BSO, de Indische Legercommandant, de waarnemend Commandant Zeemacht in Nederlands-Indië, de chefstaf KNIL, de chefstaf Zeemacht, de Nederlandse commandant West-Java en de directeur NEFIS opgenomen. In de Aanwijzingen voor en toelichting op de bevelsverhoudingen BSO - wnd CZM - toekomstige CMR Soerabaja - toekomstige CMR Soerabaja - toekomstige commandanten maritieme middelen c.q. oudst-aanwezige-zeeofficieren werd de onderlinge taakverdeling tussen deze functionarissen vastgelegd. De BSO trad op als operatief bevelhebber over alle Nederlandse strijdkrachten (KM, KNIL en KL). Hij had de beschikking over een operatieve staf, die plannen en operaties verzorgde. De waarnemend CZM had een staf, die de organisatie van KM in Indië verzorgde. De verzorging voor personeel en materieel behoorde daar ook toe.
Bij KB van 19 november 1945, nr. 151 trad er een belangrijke wijziging op in de tijdelijke voorzieningen betreffende het opperbevel over de Nederlandse strijdkrachten in het Oosten.
In afschrift aanwezig in het persoonlijk archief van Helfrich, CAD inv. nr. 148.4, inv. nr. 25.
De preambule van dit besluit luidde, overwegende, dat het dringend noodzakelijk was in verband met de omstandigheden, zoals die zich opnieuw gewijzigd hadden en vanwege het herstel van het grondwettig gezag in Nederlands-Indië, een wijziging in de tijdelijke voorzieningen betreffende het opperbevel over de Nederlandsche strijdkrachten in het Oosten wenselijk was.
Artikel 1, lid 2, van genoemd besluit meldde: "Zoolang dit door Ons in verband met de uitzonderlijke omstandigheden, waarin Nederlandsch-Indië verkeert, noodzakelijk wordt geacht, is er een bevelhebber der Nederlandsche Strijdkrachten in het Oosten, die het bevel voert over alle aldaar aanwezige Strijdkrachten van het Koninkrijk, onverminderd hun administratieve betrekkingen tot de Nederlandsche Departementen van Oorlog en Marine en het Nederlandsch-Indisch Departement van Oorlog. De Nederlandsch-Indische Civiele Administratie is daaronder niet begrepen. De Bevelhebber der Nederlandsche Strijdkrachten in het Oosten is verantwoordelijk aan de Luitenant-Gouverneur-Generaal en neemt de door dezen gegeven aanwijzingen in acht, een en ander behoudens zijn verantwoordelijkheid aan en ondergeschiktheid jegens de Bondgenootschappelijke Bevelvoeing ter zake van de daaraan ter beschikking gestelde strijdkrachten". Het besluit trad in werking op 9 november 1945.
Helfrich werd van de functie van Bevelhebber der Strijdkrachten in het Oosten ontheven met ingang 31 januari 1946 bij KB van 16 februari 1946, nr. 3.
Persoonlijk archief Helfrich, CAD inv. nr.2.12.44, inv. nr. 25.
In de aanbiedingsbrief aan de Koningin van het betreffende KB werd gesteld dat "(...) de omstandigheden nog van dien aard (waren), dat het (...) gewenst (was) de functie te laten voortbestaan, zoodat, wanneer dit nodig mocht zijn, zonder wetswijziging (...)" opnieuw een BSO kon worden benoemd.
Centraal archievendepot, het gewoon verbaalarchief van de minister van Oorlog, 11 maart 1946, nr. 324.
Als rechtsopvolger van de functionaris kan de Commandant der Zeemacht Nederlands Oost-Indië worden beschouwd.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Op 10 februari 1941 sprak de toenmalige Commandant Zeemacht Heeris de wens uit dat op alle afdelingen een chronologisch dagboek zou worden bijgehouden van de voornaamste verrichtingen en maatregelen sinds 10 mei 1940. Deze dagboeken moesten in gecomprimeerde vorm aan de CZM worden voorgelegd en na accordering werden deze bij de staf opgelegd en bewaard om na de oorlog de basis te kunnen vormen voor een verslag over de verrichtte krijgsverrichtingen
Inv. nr. 159.
. Deze oekaze vormde de basis voor de belangrijkste serie van dit archief, de serie krijgsverrichtingen.
Op 25 maart 1942 stelde de BSO een regeling voor de behandeling van inkomende en uitgaande stukken voor zijn hoofdkwartier vast. Ingekomen stukken "waarvan aanhouding van belang werd geacht" werden centraal geagendeerd en van een doorlopend bureaunummer voorzien, terwijl de stukken uiteindelijk werden opgelegd bij de verscheidene bureaus, zodat we kunnen spreken van een gedeconcentreerd archief. Uitgaande brieven werden ook ingeschreven in een centrale agenda.
Op 1 september 1943 werd de postregeling opnieuw vastgesteld, die de feitelijke werkwijze zoals deze op die datum bestond vastlegde. Feitelijk veranderde de dagelijkse werkwijze niet veel
Inv. nr. 74.
. Tot 1944 werd bij het stafbureau het agendastelsel toegepast. Klaarblijkelijk stuitte dit op den duur op praktische problemen - het terugvinden van bescheiden waarvan men het nummer niet meer kon herinneren leverde moeilijkheden op - zodat in 1944 het gehele archief werd ontsloten middels een kaartsysteem. Een deel van het archief - de rapporten van verrichtingen - werd tevens hergegroepeerd volgens het rubriekenstelsel. Daartoe werd een hoofdenlijst samengesteld
Inv. nr. 3.
. Deze werkte in essentie hetzelfde als bij het ministerie van Marine te Londen. Voor een nadere uitleg wordt verwezen naar het hoofdstuk 2.1.1.1 inzake postregistratie in de inventaris 2.12.29.
In november 1945 schreef W.A. Zeylmans van Emmickhoven in opdracht van de secretaris BdZ/BSO een nota over de mogelijke opzet van het archief van het hoofdkwartier. Daarvoor had deze secretaris reeds een uiteenzetting gegeven over de toenmalige opzet van het archief en ook de majoor S. Jonker had enige suggesties hierover op papier gezet
Inv. nr. 68, nr. ZL 18/1/9
. Deze nieuwe opzet van het archief werd noodzakelijk naar aanleiding van het KB van 19 november 1945, nr. 151. Bij dit KB was Helfrich in een dubbelfunctie naast BSO tevens tot BdZ benoemd.
Jonker schetste ook een beeld van de werkelijke gang van zaken op het archief. De ZL gemerkte stukken waren stukken die zowel marine (zeemacht) als landmacht aangingen. Hiervan werden aanvankelijk afschriften gemaakt die aan de Chef Generale Staf dan wel de Commandant Zeemacht werden verstrekt. De afdoening geschiedde in onderling overleg. Van deze werkwijze werd later afgezien. De expeditie werd nu rechtstreeks na agendering aan de belanghebbende verstrekt.
Na uitbreiding van het hoofdkwartier met de afdelingen landmacht Nederland en mariniers konden stukken ook voorzien worden van de aanduiding KL en MA.
Zo konden voortaan de volgende series onderscheiden worden:
  • Z: specifiek zeemacht zaken,
  • L: voor landmacht zaken,
  • KL: betreffende het Nederlandse leger,
  • ZL: gecombineerde land- als zeemacht zaken.
Specifiek voor de situatie in Colombo was dat veel correspondentie per telegram geschiedde, omdat de postverbinding gebrekkig was
Inv. nr. 386.
.
Aangezien de BSO geen operatief commandement voerde en dus in het algemeen niet gekend werd in geallieerde operaties bevat het archief ook geen rapporten en opdrachten op dit gebied. Wel werd hij gekend in grote strategische dislocaties.
In 1947 werden 7 kisten archiefmateriaal met Hr.Ms. Piet Hein overgeplaatst naar de Historische Sectie van de Marinestaf te Den Haag. Een groot deel betrof archief van de chef staf van de BSO
Zie voor meer informatie: CAD, het archief van het ministerie van Marine, dossier 449803, deel 7.7
.
Het verslag van de Historische Sectie van de Marinestaf over de periode 1 april 1950-1 januari 1951 maakt melding van de inventarisatie van het archief Colombo (BSO) in oorspronkelijke indeling. De daaropvolgende verslagperiode werden deze werkzaamheden voortgezet, terwijl ook werd begonnen met de bewerking van telegrammen. Deze activiteiten werden zeker tot 1957 voortgezet
Centraal Archievendepot, archief Marinestaf, nr. S 8227.
.
In juni 1987 werden 85 dozen van het archief over de jaren 1942-1945 formeel overgeplaatst van de afdeling post- en archiefzaken KM naar het CAD. Feitelijk hadden de archiefstukken jarenlang berust bij de Afdeling Maritieme Historie. Blijkens de akte van overdracht was de oude orde niet meer intact.
In het zelfde jaar werd bij het CAD begonnen met de inventarisatie van onderhavig archief. Echter, al na de start van dit project bleek een deel van het archief - met name de rapporten van verrichtingen, de SB-nrs - zich nog bij het Instituut voor Maritieme Historie van de Marinestaf te bevinden. Het project moest worden onderbroken vanwege het aanvaarden van een nieuwe betrekking van de bewerker.
Begin 1995 hebben medewerkers van het CAD bij het Instituut voor Maritieme Historie onderzoek gedaan naar de aanwezigheid in de documentatie van archiefbescheiden in de zin van de Archiefwet 1995. Dergelijke archiefbescheiden volgden het bestemmingsbeginsel en werden weer teruggebracht naar het hoofdbestanddeel van het betreffende archief. In concreto stukken betreffende rapporten van verrichtingen, patrouillerapporten en uittreksels van oorlogsdagboeken (nu ondergebracht onder inv. nrs. 157-244).

De verwerving van het archief

Het archief is krachtens bepalingen van de Archiefwet overgebracht.