2.13.114 Inventaris van het archief van de Marinestaf van het Ministerie van Defensie, 1948-1984

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Sluiten

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Periode 1945 - 1962

Algemeen

De periode 1945 - 1962 is voor de Koninklijke Marine een bijzondere periode geweest. Het einde van de oorlog, de wederopbouw en totale vernieuwing, de ingrijpende invloed van optreden in bondgenootschappelijk verband (WEU en NAVO) en de afsluiting van een zeer lang tijdperk van activiteiten in Azië in 1962.
De politieke bestuurstaak van de minister van Marine was in de oorlogsjaren op de achtergrond gebleven. Na terugkeer in Nederland kwam deze bestuurstaak weer in de begrotingen tot uiting. De minister meende dat de formatie van het ministerie van Marine zo spoedig mogelijk moest worden vastgesteld. Dit geschiedde bij KB van 15 november 1945. Het ministerie zou bestaan uit vier hoofdafdelingen, te weten marinestaf, personeel, materieel en intendance/administratie. Voorts waren er nog vijf afdelingen, enige diensten en het bureau van de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten (BdZ).
Alle belangrijke aangelegenheden betreffende het marinebeleid zouden worden besproken in een admiraliteitsraad (AR). De minister ging de AR voorzitten, terwijl de BDZ en de hoofden van de hoofdafdelingen lid zouden zijn. De beleidsvoornemens werden, indien nodig, samengevat in een defensienota, te beschouwen als een bedrijfsplan voor het lange-termijn beleid. Het korte-termijn beleid, oftewel het actieplan, werd jaarlijks in de begrotingsstukken vermeld. De uitvoering lag vervolgens in handen van de betrokken (hoofd)afdeling(en). In een aantal gevallen verrichtten interservice en single-service organen werkzaamheden ten behoeve van de gehele krijgsmacht. Het interservice-overleg had in maart 1947 vorm gekregen in de Gecombineerde Staf, waarin vertegenwoordigers van de Koninklijke Marine, de Koninklijk Landmacht en het Koninklijk Nederlands Indisch Leger zitting hadden. Hieruit is op 28 juni 1948 het Comité van de Verenigde Chefs van Staven (Comité VCS) ontstaan, waar ook de Koninklijke Luchtmacht deel van uitmaakte.
In de memorie van toelichting op de begroting voor 1949 was de taak van de marine als volgt omschreven:
  • medewerken aan het herstel van orde en recht in Indonesië;
  • afwikkelen van de nasleep van de oorlog;
  • opbouw van de vloot en de daarmee verband houdende personeelsorganisatie voor de eigenlijke oorlogstaak, dat wil zeggen:
    1. het in samenwerking met onze bondgenoten handhaven van de internationale rechtsorde
    2. de onmiddellijke verdediging van de ons toevertrouwde belangen bij een onverhoedse aanval.
Speciale aandacht werd gevraagd voor de koopvaardijbescherming en voor de Nederlandse belangen bij de verdediging van Suriname, de Nederlandse Antillen, en - in unieverband - van Indonesië.
Het Comité van de Verenigde Chefs van Staven had volgens de defensienota van 1951 tot taak te beraadslagen over alle militair-politieke, militair-strategische, militair-tactische en militair-organisatorische vraagstukken, die het gezamenlijk terrein van zee-, land- en luchtmacht bestreken. Het Comité VCS adviseerde de minister over de eerder genoemde vraagstukken.

Taak en organisatie van de Marinestaf

Zoals hierboven vermeld werd bij KB van 15 november 1945 de ‘Inrichting van het ministerie van Marine’ vastgesteld. Dit KB bepaalde dat de chef van de marinestaf (CMS), als hoofd van de hoofdafdeling marinestaf, onder de minister zou staan. Voorts zou hij optreden als chef-staf van de bevelhebber der zeestrijdkrachten (BDZ) en als zodanig dus ook onder diens bevelen staan, terwijl hij eveneens werd aangewezen als plaatsvervangend BDZ.
De taken en structuur van de (chef van de) Marinestaf werden bij beschikking van de minister van Marine van 2 november 1945 vastgesteld. De taakomschrijving luidde:
  • het ontwerpen van de organisatie en samenstelling van de Koninklijke Marine;
  • het waken over de gebruiksgereedheid van het personeel, het drijvend en vliegend materieel, de walinrichtingen en eventuele kustverdedigingswerken;
  • het opereren van de vloot.
Op 1 oktober 1948 werden de functies van BDZ en CMS in één persoon verenigd.
Voor de uitvoering van zijn veelomvattende taak beschikte de CMS over de Marinestaf. De Marinestaf is verdeeld in afdelingen, waarvan de chefs rechtstreeks onder de CMS zijn gesteld, te weten:
  • het bureau Inlichtingen;
  • het bureau Organisatie en Plannen;
  • het bureau Marineluchtvaart;
  • het bureau Operaties;
  • de Verbindingsdienst.
Op 5 december 1951 vond opnieuw de vaststelling plaats van de organisatie van de Hoofdafdeling Marinestaf. Naast de functie van de chef van de marinestaf (CMS) werd een plaatsvervangend chef van de marinestaf (PCMS) ingesteld, waarvan de taakomschrijving luidde:
  • hij leidt en coördineert de werkzaamheden van de bureaus van de Hoofdafdeling Marinestaf;
  • bij afwezigheid van de CMS treedt hij in diens plaats, behalve voor luchtvaartzaken.
Tevens werd de functie van plaatsvervangend CMS voor de luchtvaart ingesteld. Hij trad op als de vervanger van de CMS voor luchtvaartaangelegenheden en als coördinator van de werkzaamheden op luchtvaartgebied bij de verschillende bureaus van de Marinestaf.
Naast de reeds bestaande vijf afdelingen werd de Marinestaf in 1951 uitgebreid met een bureau Logistiek, een bureau Marinevoorlichtingsdienst, een bureau Wetenschappelijk Onderzoek, een bureau Maritieme Historie, een bureau Koopvaardijzaken, een bureau NAVO- en WEU-zaken, een bureau vlagofficier technische dienst en een bureau Stafcursus (Marinestafschool). Hiermee was het aantal bureaus gegroeid van vijf in 1945 tot dertien eind 1962.

Verhoudingen tot de regionale commandanten in de overzeese rijksdelen

De Nederlandse Antillen

In 1945 waren voor de verdediging van de Nederlandse Antillen zowel eenheden van de Koninklijke Marine als van de Koninklijke Landmacht aangewezen. De marine-eenheden stonden onder bevel van de commandant der marine in de Nederlandse Antillen (CMRA, sinds 1955 CZMA), die als regionaal bevelhebber viel onder de BDZ.

Suriname

De defensienota 1954 vermeldde in het opbouwplan van de Koninklijke Marine in de periode 1950 – 1954 geen eenheden voor of steunpunten in Suriname. De staatssecretaris van Marine, de CMS en de commandant van het Korps Mariniers waren van mening dat hier geen sprake was van een maritieme taak. De verdediging van Suriname was en bleef een aangelegenheid voor de Koninklijke Landmacht.

Nederlands-Indië en Indonesië

Periode 1946 - 1954
In de vergaderingen van de AR van 12 en 16 april 1946 werd beslist dat de Commandant Zeemacht in Nederlands-Indië de leiding van de operaties aldaar zou hebben en daarover verantwoording verschuldigd was aan de BDZ. In maart 1947 werden daar de personele en materiële zaken aan toegevoegd. De overeenkomst van Linggadjati had als consequentie dat per 1 januari 1949 Nederland en de Verenigde Staten van Indonesië in unieverband zouden samenwerken. Naast de voorbereiding op een oorlogstaak in unieverband zou de taak van de Koninklijke Marine vooral bestaan uit het verlenen van bijstand bij de opbouw van de Indonesische Marine. De soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 maakte een eind aan het zelfstandig optreden van de Koninklijke Marine in Nederlands-Indië. Bijstand bij de opbouw van de Indonesische Marine zou worden voortgezet in het verband van de Nederlandse militaire missie in Indonesië.

Nederlands Nieuw-Guinea

Periode 1946 - 1954
Bij de soevereiniteitsoverdracht over Nederlands-Indië aan Indonesië op 27 december 1949 was Nieuw-Guinea uitgezonderd. Het bleef onder Nederlands bewind. De verdediging van Nieuw-Guinea was tot begin 1954 opgedragen aan de Koninklijke Landmacht, maar ook onderdelen van de Koninklijke Marine waren bij deze verdediging betrokken. De Algemene Verdedigingsraad, een onderraad van de ministerraad, besloot in april 1954 dat de territoriale veiligheid van Nieuw-Guinea in vredestijd een taak van de Koninklijke Marine was.
In de jaren 1950 - 1962 waren de toe te wijzen middelen op personeels-, materieels- en financieel gebied een steeds terugkerend punt van discussie in de AR. Uiteraard was de Marinestaf hierbij zeer nauw betrokken en er moest een voortdurende afweging plaatsvinden tussen behoeften en mogelijkheden voor de marine. Het nagenoeg geheel ontbreken van faciliteiten voor schepen en vliegtuigen en voor huisvesting van personeel en staven vroeg een grote krachtsinspanning; aanvoer diende voornamelijk van Nederland uit te geschieden, een lange en kostbare weg. In deze jaren hebben de BDZ voor inspectie en de CMS en andere autoriteiten voor bezoeken en overleg zich dan ook vele malen naar Nieuw-Guinea begeven.
Periode 1963 - 1986
Nadat in augustus 1962 de overeenkomst met Indonesië was getekend, volgde de afbouw in Westelijk Nieuw-Guinea. De Marinestaf hield zich in de beginperiode vooral bezig met de terugvoer van personeel en materieel naar Nederland, de overdracht van materieel aan Indonesië en de geleidelijke terugkeer naar de vredestoestand.

De Marinestaf en het NAVO-bondgenootschap

Vanaf 1963, nadat de gevolgen van het Nieuw-Guineabeleid waren verwerkt, richtte de aandacht zich primair op het NAVO-bondgenootschap. Vooral het opvoeren van de paraatheid kreeg prioriteit. Dit beleid werd steeds meer bepaald door de defensienota’s die in 1964, 1968, 1974 en 1984 werden uitgegeven. Deze nota’s gaven, naast beschouwingen over de internationale politieke situatie en de militaire taken, de langetermijn-plannen voor de krijgsmachtdelen. Zowel materiële als personele zaken kwamen uitvoerig aan de orde. Het financiële plan werd voor een aantal jaren vastgelegd.
De taak van de Koninklijke Marine in NAVO-verband betrof primair de onderzeeboot- en mijnenbestrijding in het oostelijk deel van de Noord-Atlantische Oceaan, de Noordzee en het Kanaal. Ook aan het bestrijden van vliegtuigen en oppervlakteschepen werd aandacht besteed. Rekening houdend met de wensen van de NAVO-bevelhebbers moest de nadruk worden gelegd op het vormen van een groter aantal parate eenheden en het verbeteren van het onderzeebootbestrijdingspotentieel. Door de beëindiging van de taak in het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea konden parate eenheden, die tijdelijk aan de NAVO waren onttrokken, wederom ter beschikking van de NAVO-bevelhebbers worden gesteld. Dit aantal kon worden opgevoerd door wijziging van de personeelssamenstelling en de opleidingen.
Hoewel uit de mutaties in de personeelsformatie bleek dat zich in de vijftiger en begin zestiger jaren een aantal wijzigingen in de Marinestaf had voorgedaan, leidden die wijzigingen, respectievelijk de groeiende situatie, eerst op 9 april 1964 tot de beschikking van de staatssecretaris, waarin het volgende werd bepaald:
  • het bureau Organisatie werd gesplitst in drie bureaus: Organisatie, Plannen, Tactiek en Wapengebruik;
  • genoemde bureaus werden samen met de bureaus Logistiek en Koopvaardijzaken onder de nieuw ingestelde souschef van de Marinestaf geplaatst. Deze souschef stond op zijn beurt onder de plv. CMS en de plv. CMS voor de luchtvaart;
  • een persoonlijke staf werd toegewezen aan de CMS in zijn functie als Bevelhebber der Zeestrijdkrachten (BDZ);
  • behalve de vlagofficier Technische Dienst en het hoofd Wetenschappelijk Onderzoek werden bepaalde diensten rechtstreeks aan de CMS verantwoordelijk:
    • de Inspecteur van de elektrotechnische dienst;
    • de Inspecteur van het onderwijs bij de zeemacht;
    • de Inspecteur van de geneeskundige dienst der zeemacht;
  • de bureaus Hydrografie en Wetenschappelijk Onderzoek werden van de Marinestaf afgesplitst;
  • de Stafcursus werd Marinestafschool;
  • de Marinevoorlichtingsdienst werd bureau Marinevoorlichting.
De volgende wijzigingen in de organisatie van de Marinestaf deden zich in 1968 voor. Met de beschikking van de minister van Defensie van 11 april 1968 werd het volgende bepaald:
  • het bureau Koopvaardijzaken werd opgeheven en de taken van dit bureau gingen over naar bureau Tactiek en Wapengebruik;
  • de functie van stafofficier Juridische Zaken werd ingesteld en toegevoegd aan de souschef;
  • het bureau Marinevoorlichting werd afgesplitst van de Marinestaf;
  • de Inspecteur van het onderwijs bij de zeemacht en de inspecteur van de geneeskundige dienst der zeemacht werden onder de vlagofficier Personeel geplaatst.
Op 30 september 1968 werd vervolgens besloten dat:
  • het bureau NAVO- en WEU-zaken, alsmede het bureau Luchtvaart werden gesteld onder de souschef;
  • de stafofficier Korps Mariniers deel uit ging maken van het bureau Organisatie;
  • de bureaus die rechtstreeks onder de plaatsvervangend CMS stonden de souschef van de ontwikkelingen op de hoogte dienden te houden.
Om een optimale inzet van de eenheden der marine te kunnen realiseren was het nodig de organisatie zoveel mogelijk af te stemmen op die van de NAVO. Het opvoeren van de paraatheid was uiteraard maar ten dele een papieren zaak. Veel belangrijker was het opvoeren van de inzetbaarheid van de eenheden zelf. In de eerste plaats werd het aantal vaargerede en vlieggerede eenheden gestaag uitgebreid. Naast de duidelijke gereedheids- en paraatheidsmaatregelen werd een operationele instelling bij het personeel gekweekt. De opleidingen werden doelmatiger en hetzelfde gold voor het oefenen van het personeel en de operationele eenheden. Oefeningen vonden in een onafgebroken reeks plaats, zowel in nationaal als in NAVO-verband. Paraatheids-, tactische, logistieke en verbindingsprocedures werden zodoende permanent beoefend, getest en zonodig verbeterd.
Wijdvertakte operaties kunnen alleen plaatsvinden door een perfecte logistieke ondersteuning. Het bureau logistiek van de Marinestaf heeft zeer veel werk verricht om die organisatie voor de marine op te bouwen. Om een aantal onderwerpen te noemen: de voorziening van brandstoffen en smeermiddelen, de aanschaf, opslag en het onderhoud van allerlei soorten munitie, de bevoorrading met voeding, kleding, medische en tandheelkundige artikelen, reservedelen en gebruiksartikelen. Daarnaast waren er havenfaciliteiten, onderhoudsvoorzieningen, opslagplaatsen in Nederland en in het buitenland, kazernes en scholen.
Naast de taken in NAVO-verband, werden mede op verzoek van de minister van Buitenlandse Zaken eenheden beschikbaar gesteld aan de Verenigde Naties.
Tenslotte waren er de zuiver nationale taken van het loodswezen, de hydrografie, de opsporings- en reddingsdienst, de visserij-inspectie, de verdediging van de Nederlandse Antillen en het vlagvertoon in binnen- en buitenlandse havens.
Medio 1974 vond er nog een belangrijke reorganisatie van de Marinestaf plaats. De aanleiding was de ongelijke werkbelasting van de beide plaatsvervangend CMS en de souschef. Ook begon een aparte plaatsvervangend CMS voor de luchtvaart zijn reden van bestaan te verliezen, daar het korps officieren vlieger uitfaseerde en zeeofficieren met het brevet vlieger/waarnemer daarvoor in de plaats kwamen. Om die redenen werd besloten de functie van plaatsvervangend CMS voor de luchtvaart te laten vervallen en twee souschefs te belasten met de dagelijkse leiding en coördinatie van de bureaus van de Marinestaf, voorzover niet ressorterend onder de plaatsvervangend CMS. De taakverdeling was als volgt:
  • souschef 1 werd belast met de leiding en coördinatie van de bureaus NAVO- en WEU-zaken, Plannen, Organisatie, Tactiek en Wapenkeuze en Luchtvaart;
  • souschef 2 werd belast met de leiding en coördinatie van de bureaus Inlichtingen, Verbindingen, Operaties, Bedrijfsveiligheid/NBCD en Logistiek en Oorlogsvoorbereiding.
De nieuwe matrixstructuur van het ministerie van Defensie werd bij ministeriële beschikking van 23 november 1976 nr. 375.280/14 V officieel vastgesteld. Op krijgsmachtdeelniveau deden zich in organisatorisch opzicht, afgezien van de vorming van de Directie Economisch Beheer, geen al te ingrijpende wijzigingen voor. Binnen de Marinestaf bleef de taakstelling nagenoeg gelijk en waren de wijzigingen van organisatorische aard:
  • souschef 1 en 2 werden aangeduid met souschef plannen en operatiën;
  • onder de CMS ressorteerden de bijzondere organisatie-eenheden: de dienst van de hydrografie, de bureaus van de marine-attachés en de Marinestafschool. Deze eenheden behoorden niet tot de ministeriële organisatie (en dus ook niet tot de Marinestaf);
  • het stafbureau Militair Juridische Zaken werd ingesteld;
  • onder de plv. CMS vielen nu de afdelingen Marineverordeningen, Marinebibliotheek en Post- en Archiefzaken, allen vroeger behorend tot het ressort van de plv. Secretaris-Generaal KM, alsmede de Marinestafschool. Op hoofdlijnen functioneerde de Marinestaf op dezelfde wijze als vóór de reorganisatie.
De taken van de Marinestaf in 1976 kunnen samengevat worden als:
  • het zorgdragen voor het concept operationele deelplan (onderdeel van het vlootplan van de Marinestaf), het vlootimplementatieplan (aan de hand van besluiten van de Admiraliteitsraad) en het operationele implementatieplan van de KM (plan voor de uitvoering van het defensieplan zoals weergegeven in de Defensienota);
  • het vaststellen en vastleggen van de organisatie van de KM voor zover niet behorend tot de ministeriële organisatie;
  • het verzorgen van operationele beleidszaken (opstellen van richtlijnen, oorlogsvoorbereiding);
  • het zorgdragen voor aangelegenheden op het gebied van inlichtingen en veiligheid, verbindingen en operationele automatisering;
  • het opstellen van tactisch operationele eisen ten aanzien van logistieke behoeften;
  • het zorgdragen voor het functioneren van militaire eenheden en inrichtingen van de KM.
Van 1976 tot 1992 bleef de organisatiestructuur van de Marinestaf vrijwel ongewijzigd.

Geschiedenis van het archiefbeheer

De archieven van de Koninklijke Marine zijn sinds 1947 vrijwel allen op dezelfde wijze gevormd en geordend. Er werden dossiers gevormd, gedeeltelijk betreffende specifieke zaken maar ook deels op onderwerp. Dossiers zijn per organisatieonderdeel voorzien van een dossiernummer en op dat nummer weggezet. De dossiernummers zijn unieke, oplopende nummers. De dossiers zijn toegankelijk via fiches en moederboeken uit een fichedoorschrijfsysteem. De fiches zijn op verschillende wijzen weggezet, waarbij 1 set op volgorde van het Registratuurplan voor de Koninklijke Marine. Wanneer het onderwerp bekend is kan in het registratuurplan de code worden opgezocht. Wanneer de code bekend is, kan in de fiches gezocht worden naar het dossiernummer. Dat staat altijd op het fiche. Het gevonden dossiernummer correspondeert met de dossiers. Wanneer alleen een datum van het gezochte stuk bekend is, kan in de moederboeken gezocht worden. Deze verwijzen ook weer naar het dossiernummer. Het Registratuurplan voor de Koninklijke Marine is vastgesteld bij Ministeriële Beschikking van 24 november 1947, nr. 86736/44317, en nadien enkele malen aangevuld.
Het archief bestond uit een gerubriceerd en een ongerubriceerd deel. Stukken inzake dezelfde zaak werden onder hetzelfde dossiernummer opgeborgen, waarbij gerubriceerde stukken fysiek apart van niet-gerubriceerde stukken werden opgeborgen. Gerubriceerde en ongerubriceerde stukken met eenzelfde dossiernummer zijn dus componenten van dezelfde zaak. Gerubriceerde dossiers werden onderscheiden van ongerubriceerde dossiers door toevoeging van de letter “G” (soms ook “C”) voor het betreffende dossiernummer.
De archieven van de Marinestaf zijn gevormd door het secretariaat van de Marinestaf. Het in deze inventaris beschreven deel van deze archieven is in delen via het semi-statisch archief van de Koninklijke Marine uiteindelijk in beheer gekomen van het Centraal Archievendepot van het ministerie van Defensie.

De verwerving van het archief

Het archief is in 2016 door Ministerie van Defensie overgebracht naar het Nationaal Archief, krachtens artikel 12 van de Archiefwet 1995