2.13.151 Inventaris van het gewoon en geheim verbaalarchief van het Ministerie van Oorlog/Defensie, 1946 - 1963, en opgelegde archiefbescheiden van mr. F. J. Kranenburg, 1953-1957 en mr. W.H. Fockema Andrea , 1949-1992

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Organisatie van het Ministerie van Oorlog/Defensie, 1945 - 1976

1945 - 1946
Op 1 november 1945 werd - in het kader van de vaststelling van de topstructuur van de legerleiding - ook de organisatie van het Ministerie van Oorlog geregeld. De Chef van de Generale Staf en Kwartiermeester-Generaal stonden rechtstreeks onder de minister. De Adjudant-Generaal was onder de secretaris-generaal geplaatst. Tegelijkertijd werd de Legerraad opgericht. Deze had tot doel de minister van Oorlog te adviseren op hoofdlijnen.
Op 1 maart 1946 werd de Sociale Dienst van het Ministerie van Oorlog opgericht.
Bij ministeriële beschikking van 25 maart 1946 (LO 1946,nr. 86)
In deze dienst was de voormalige Sectie IX van de Staf van de Bevelhebber der Nederlandse Strijdkrachten opgenomen.
Bij ministeriële beschikking van 23 maart werd met ingang van 25 maart 1946 daaropvolgend het Bureau Militair-Juridisch Adviseur van de minister van Oorlog ingesteld. Het bureau werd rechtstreeks onder de secretaris-generaal geplaatst.
Legerorders, 1946, nr. 84.
Een lang leven was dit bureau echter niet beschoren; krap een jaar later werd het bureau al weer opgeheven.
LO, 1947, nr. 75.
1947 - 1950
Een eerste reorganisatie van de structuur van het ministerie vond plaats op 1 januari 1947. De Adjudant-Generaal was voortaan rechtstreeks onder de minister geplaatst. Nieuw was de Directie Administratieve Diensten. Hierin werden een aantal, tot dan toe zelfstandige, diensten en bureaus ondergebracht. Dit ontsloeg de secretaris-generaal van de directe leiding van deze onderdelen.
Twee maanden nadien, met ingang van 1 maart 1947, werd het ministerie uitgebreid met de Luchtmachtstaf.
Ministeriële beschikking van 15 maart 1947, LO 1947, nr. 119.
Ingaande 1 mei 1949
Ministeriële beschikking van 27 april 1949, Kabinet nr.52
werd het ministerie als volgt samengesteld:
  1. Minister, staatssecretaris, secretaris-generaal, Kabinet;
  2. Chef van de Generale Staf, plaatsvervangende Chef van de Generale Staf, Hoofdkwartier van de Generale Staf
  3. Chef van de Luchtmachtstaf, plaatsvervangende Chef van de Luchtmachtstaf
    Deze functie wordt voorhands niet vervuld; de daartoe behorende bevoegdheden worden uitgeoefend door de Chef van de Luchtmachtstaf.
    , Luchtmachtstaf;
  4. Kwartiermeester-Generaal, Hoofdkwartier van de Kwartiermeester-Generaal;
  5. Adjudant-Generaal, Staf van de Adjudant-Generaal;
  6. Directeur Administratieve Diensten, Directie Administratieve Diensten.
Het bestuur berustte bij de minister van Oorlog, terzijde gestaan door de staatssecretaris van Oorlog. De uit deze bestuursfunctie voortvloeiende bevelsbevoegdheid over de Koninklijke Landmacht werd naar hun aanwijzingen uitgeoefend:
  1. Voor wat betreft de Koninklijke Landmacht met uitzondering van de Legerluchtmacht door de Chef van de Generale Staf; onder hem ressorteerden de plaatsvervangende Chef van de Generale Staf, de Kwartiermeester-Generaal en de Adjudant-Generaal. De reden dat de Kwartiermeester-Generaal voortaan onder de Chef van de Generale Staf was geplaatst, was gelegen in het feit dat de coördinatie tussen deze twee functionarissen in de praktijk tot veel problemen leidde.
  2. Voor wat betreft de Legerluchtmacht, door de Chef van de Luchtmachtstaf, onder wie ressorteerden de plaatsvervangende Chef van de Luchtmachtstaf, de Kwartiermeester-Generaal en de Adjudant-Generaal.
Een en ander met dien verstande, dat de Kwartiermeester-Generaal voor wat betreft het doen van aanschaffingen, evenals de Adjudant-Generaal, voor wat betreft nader door de minister te bepalen aangelegenheden, rechtstreeks onder de minister (staatssecretaris) ressorteerde.
Voorts ressorteerden rechtstreeks onder de minister (staatssecretaris) de Directeur Administratieve Diensten en de Directeur Demobilisatie.
Het Kabinet van de minister vormde de persoonlijke staf van de minister, de staatssecretaris en de secretaris-generaal.
1951 - 1963
Nog geen twee jaar later, eind 1950, werd al weer een organisatiewijziging
Geheim verbaalarchief 1950, nr. D 216
doorgevoerd. Inzet was te komen tot een gecentraliseerd beleid inzake personeel en materieel. Hiertoe werd de Kwartiermeester-Generaal vervangen door de Directeur Materieel Landmacht; het takenpakket van laatstgenoemde werd echter aanzienlijk beknot. Ook nieuw was de functie Directeur Directoraat Personeel
Voor een organisatieschema en taakomschrijving van deze directie: zie de ministeriële beschikking van 28 juli 1952, nr. 311935, LO 1952, L-LM 228.
, ten dele de opvolger van de Adjudant-Generaal. Na de herschikking bestond het ministerie uit de Generale Staf, de Directie Militair Materieel, de Directie Personeel, de Directie Administratieve Diensten, de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen en de Luchtmachtstaf.
Bij ministeriële beschikking van 5 juni 1953, nr. 3846 werd het Directoraat-Generaal van Oorlog ingesteld. Dit DG werd verantwoordelijk voor de coördinatie en uitvoering van financiële en economische aangelegenheden en de daarmee samenhangende administratie en regelgeving; de coördinatie van Europese Defensie Genootschapzaken (EDG), het bevorderen van de efficiency en de behandeling van de juridische afhandeling van zaken welke samenhingen met schadevergoedingen, vorderingen, inkwartiering enzovoorts. Het DG was samengesteld uit 4 afdelingen - Financieel-administratieve Zaken, Efficiency en Administratieve Organisatie, EDG-aangelegenheden en (civiel) NAVO-zaken en Comptabiliteit - en de Accountantsdienst.
Bij KB van 19 mei 1959 (Stb. 170) werden de Ministeries van Oorlog en Marine samengevoegd onder gelijktijdige naamswijziging in Ministerie van Defensie. Hiermee werd een bestaande situatie geformaliseerd. Vanaf 1947 bestond er feitelijk een personele unie tussen beide ministeries, in zoverre dat de minister van Oorlog altijd de functie van minister van Marine ad interim vervulde. Ook na de fusie veranderde er organisatorisch niets. Zie in dit verband van de inventaris.
Bij beschikking van 3 augustus 1960, nr. 253400H
Zie gegevensbestand KMG, handeling 6.
werd het Directoraat Materieel Landmacht samen met een aantal andere diensten en inspecties opgeheven om tezamen (wederom) de Dienst van de Kwartiermeester-Generaal te vormen. Onder leiding van de Kwartiermeester-Generaal ressorteerden drie plaatsvervangers, die respectievelijk verantwoordelijk waren voor de aanschaffing, techniek en logistiek. Deze reorganisaties werden doorgevoerd omdat de top van het ministerie onvoldoende greep had op de organisatie. Men trachtte deze onder meer te vergroten door het creëren van een éénhoofdige leiding, welke werd gerealiseerd door de samensmelting van het Directoraat Materieel Landmacht en de materieelorganen van de Generale Staf.
Organogram van het Ministerie van Oorlog, oktober 1951
Overgenomen uit inv.nr. 6019, verbaal van 21 oktober 1951, nr. 1973/1976
1963 - 1976
In 1963 werd het Ministerie gereorganiseerd tot een zogenaamde verticale organisatie.
Centraal Archievendepot, archief Ministerie van Defensie, dossier 247.421.
Drie verticale zuilen, elk krijgsmachtdeel één, onder politieke leiding van een eigen staatssecretaris en plaatsvervangend secretaris-generaal, terwijl de coördinatie plaatsvond in horizontale raden. Dat was het idee achter de reorganisatie die plaatsvond eind 1963. Deze organisatie hield stand tot 1976, waarna de volgende herstructurering van het Ministerie van Defensie plaatsvond.
De SG kreeg een coördinerende taak t.o.v. de drie plaatsvervangers; tegelijkertijd werd de functie van directeur-generaal overbodig, zodat deze functie met ingang van 1 november 1963 werd opgeheven. In deze zogenaamde verticale organisatiestructuur werd de zelfstandigheid van de drie krijgsmachtdelen tot vlak onder de minister doorgetrokken. Elk krijgsmachtdeel kreeg een eigen staatssecretaris en een eigen plaatsvervangend secretaris-generaal. Op de belangrijkste beleidsterreinen, zoals operationeel, personeel en materieel, werden de taken in principe verricht door de verschillende afdelingen van elk krijgsmachtdeel. Als coördinerende en adviserende organen bleven het Comité Verenigde Chefs van Staven, de Personeelsraad en Materieelraad bestaan. Op centraal niveau werden enkele zelfstandige, overkoepelende afdelingen ingesteld, zoals Dienstplichtzaken, Comptabiliteit en Gebouwen, Werken en Terreinen, die taken verrichtten voor alle drie de krijgsmachtdelen. Zo ontstonden drie zuilen, waarin het beleid werd voorbereid en uitgevoerd, waarbij bepaalde taken, zoals comptabiliteit, personeelszaken en juridische zaken, juist gecentraliseerd werden en werden ondergebracht bij een centrale organisatie.
Bovendien werd in 1963 een Grote Staf of Grote Raad ingesteld, de latere Defensieraad, die als toporgaan boven de krijgsmachtdelen werd gesteld. De Defensieraad adviseerde de minister op het hoogste niveau over alle zaken van belang voor het defensiebeleid. In de Defensieraad zat de minister voor. Dit betekende dat hij formeel zowel de Defensieraad voorzat, als de krijgsmachtdeelraden. In de praktijk werden de krijgsmachtdeelraden voorgeze¬ten door de staatssecretarissen.
De Defensieraad bestond uit de minister (voorzitter), de staatssecretarissen van de krijgsmachtdelen, de secretaris-generaal, de plaatsvervangende secretarissen-generaal, de voorzitter van het Comité Verenigde Chefs van Staven, de voorzitter van de Materieelraad, de voorzitter van de Personeelsraad, de voorzitter van de Geneeskundige Raad (ingesteld in 1967), de Coördinator Voorlichtingsaangelegenheden (voorzitter van het Comité Hoofden van Voorlichtingsdiensten) en eventueel andere door de minister aan te wijzen autoriteiten. Sinds 1969 had ook de Directeur Juridische Zaken hierin zitting. Als secretaris trad op de adjudant van de minister. In 1971 werden de bevelhebbers der land-, lucht- en zeestrijdkrachten aan de Defensieraad toegevoegd en werd de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht als buitengewoon lid benoemd. Ook werd een permanent secretariaat ingesteld.
In 1969 stelde de minister van Defensie het Bureau Algemene Beleidszaken in. In 1976 werd dit bureau samengevoegd met het Bureau Ontwapeningsaangelegenheden tot Directie Algemene Beleidszaken. De functie van Directeur Algemene Beleidszaken is te beschrijven als die van politieke topadviseur van de minister. Hij vergezelt de minister bij alle buitenlandse reizen en bijeenkomsten met een politiek karakter, zoals NAVO-bijeenkomsten. Alle stukken die in het kader van het informeren van de Staten-Generaal door de minister worden aangeboden worden door de Directie Algemene Beleidszaken geredigeerd en beoordeeld op hun politieke haalbaarheid en worden getoetst aan het vigerende defensiebeleid. De Directeur Algemene Beleidszaken is verantwoordelijk voor de inhoud van de Defensienota en de memorie van toelichting bij de begroting. Daarmee is de Directie Algemene Beleidszaken een belangrijke adviserende organisatie-eenheid voor de minister bij alle politiek gevoelige defensieaangelegenheden.
In 1971 werd overgestapt naar een meer horizontale organisatievorm met slechts één staatssecretaris, in plaats van één voor elk krijgsmachtdeel. Dit betekende onder meer dat de krijgsmachtdeelraden niet meer door een eigen staatssecretaris werden voorgezeten. De raden werden daarom voorgezeten door de plaatsvervangende secretarissen-generaal, hoewel de minister formeel nog steeds voorzitter was.
De Koster zette zijn ideeën uiteen in de nota Defensie, waarheen in de komende 10 jaar? ('s-Gravenhage, 1972).
Onder het Kabinet Den Uyl (1973 - 1977) werd deze trend voortgezet. Minister Vredeling benoemde twee functionele staatssecretarissen, respectievelijk voor materieel- en personeelszaken. In de Defensienota 1974 presenteerde Vredeling de grote lijnen van de komende reorganisatie van het ministerie. In december 1976 werd de zogenaamde matrixorganisatie voor het Ministerie van Defensie ingevoerd.
Bakker, Ter land, 9-11.

Mr. F.J. Kranenburg

Met ingang van 1 juni 1951 werd Ferdinand Jan Kranenburg benoemd tot staatssecretaris. Kranenburg werd op 1 april 1911 in Amsterdam geboren. Hij studeerde rechten in Leiden. Zijn diensttijd vervulde hij als reserveofficier bij de cavalerie. Ten tijde van zijn aanstelling werkte hij als advocaat en procureur in Rotterdam. In die stad was hij voor de Partij van de Arbeid gemeenteraadslid.
Kranenburg zou in 1952 bij de kabinetsformatie als enige staatssecretaris
Tot dan toe waren er drie staatssecretarissen: één voor de marine, één voor de landmacht en één voor de luchtstrijdkrachten.
op het Ministerie van Oorlog achterblijven. Hij zou dat blijven tot zijn gedwongen aftreden in mei 1958 in verband met de problemen rond de aankoop sinds 1953 van ondeugdelijke helmen en gasmaskers. De parlementaire commissie Onderzoek Militair Aankoopbeleid die werd ingesteld naar aanleiding van de helmenaffaire bracht in 1959 haar rapport uit.

Commissie Verlof en Bewegingsvrijheid

De commissie werd ingesteld bij beschikking van de minister van Oorlog en Marine van 19 december 1950 nr. 928. De commissie had tot taak een advies uit te brengen inzake het in overeenstemming brengen van verlofregelingen van de krijgsmachtdelen. Voorzitter was de generaal-majoor mr. W.J. van Dijk.

Mr. W.H. Fockema Andrea

Mr. W.H. Fockema Andrea was na de bevrijding hoofd van de Nederlandse Rijnvaartcommissie in Duisburg. Vanaf 1946 was hij werkzaam bij de bankiersfirma Mees en Zoon te Rotterdam. Inmiddels was hij in werkelijke dienst als reservemajoor in het Kabinet van de Chef van de Generale Staf, tot hij per 1 mei 1949 werd aangesteld als staatssecretaris van Oorlog. Zijn voornaamste dossier was de afwikkeling van de militaire zaken in Indonesië, waaronder de fusie van het KNIL met de KL en de repatriëring van de troepen. Na zijn aftreden op 23 oktober 1950 keerde hij terug in de bankwereld. In de jaren 60 - 70 heeft hij bemoeienis gehad met de protestants geestelijke verzorging, in het bijzonder het standpunt inzake de kernbewapening.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Het archief van het Bureau Staatssecretaris van Defensie KLu werd in diverse fases overgedragen aan het Centraal Archievendepot:
  • Januari 1965, archief over 1960 - 1963;
  • Augustus 1965, stukken betreffende de Legerraad;
  • April 1967, 6 dozen correspondentiearchief over 1961 - 1963;
  • April 1967, 7 dozen correspondentiearchief over 1959 - 1963;
  • Maart 1969, notulen;
  • Augustus 1971, notulen van de Legerraad, 1945-1963;
  • Januari 1975, archief over 1964-1971, met name notulen.
Het persoonlijk archief van mr. W.H. Fockema Andrea, die fungeerde als staatssecretaris van Oorlog in de jaren 1949 - 1950, dat is beschreven onder de inventarisnummers 7040 - 7063, is in twee etappes overgedragen aan het Centraal Archievendepot. In augustus 1998 werd een deel ontvangen van het Bureau Secretaris-Generaal, terwijl in 2002 drs. F.H. Fockema Andrea, de zoon van de voormalig staatssecretaris, een aantal stukken overdroeg aan het CAD.
Het Militair Kabinet stond onder die benaming bekend van 1 mei 1945 tot en met eind 1947. Daarna werd de naam ingekort tot Kabinet. Deze naam hield het bureau tot 9 mei 1959, waarna het werd omgedoopt in Bureau van de Staatssecretaris.
In het verleden is dit archiefdeel bewerkt door een medewerker van het CAD. Er werd een deel van dit archief ontsloten door een eenvoudige plaatsingslijst. Het archief is verre van compleet. Een deel van de toegangen ontbreekt.

De verwerving van het archief

Het archief is krachtens bepalingen van de Archiefwet overgebracht.

De verwerving van het archief

Het archief is krachtens bepalingen van de Archiefwet overgebracht.