2.13.157 Inventaris van de archieven van het Koninklijk Instituut voor de Marine, 1829-1987

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM), 1826-1987

De geschiedenis van het Koninklijk Instituut voor de Marine wordt hier in een aantal periodes beschreven.

De voorgeschiedenis, 1803-1826

De opleiding van adelborsten geschiedde voornamelijk aan boord van oorlogsschepen. Alles wat met varen te maken had, leerden ze in de praktijk. Om de concurrentie van de leerlingen van de Kweekschool voor de Zeevaart te Amsterdam, die theoretisch beter onderlegd waren, het hoofd te bieden, werd bij besluit van de Raad der Marine van de Bataafsche Republiek van 18 maart 1803, no. 30 het fregat "Euridice" te Hellevoetsluis bestemd tot Kadetteninstituut voor de marine der Bataafsche Republiek. Aan boord zou praktisch en theoretisch onderwijs worden gegeven.
W. Burggraaf, Kennis is macht, karakter is meer. Een sociaal-wetenschappelijke studie over adelborsten, bewoners van een militair onderwijsinternaat (Z.pl., 1988), 37 - 39; M.J.C. Klaassen, Adelborstenopleiding te Hellevoetsluis - Feijenoord - Enkhuizen 1803 - 1812 ('s-Gravenhage, 1986), 17; P.S. van 't Haaff, Gedenkboek uitgegeven bij de viering van het 75-jarig bestaan van de opleiding tot zeeofficier te Willemsoord (Z.pl., 1929), 3.
In de winter van 1805 - 1806 werd de opleiding verplaatst naar het voormalige hospitaal voor pestlijders te Feijenoord-Rotterdam.
Burggraaf, Kennis is macht, 39.
Bij Koninklijk Decreet van 25 november 1809, no. 8 werd het instituut met ingang van 1 november 1809 overgeplaatst naar Enkhuizen. Bij Koninklijk Besluit (KB) van 5 november 1809 werd de reorganisatie geregeld; het instituut heette voortaan Koninklijk Instituut der Marine.
Van 't Haaff, Gedenkboek 75-jarig bestaan, 7.
Ten gevolge van de inlijving van de Hollandse marine bij de Franse marine werd bij Keizerlijk Decreet van juni 1811 besloten het instituut met ingang van 1 januari 1812 als zelfstandige opleiding op te heffen.
Klaassen, Adelborstenopleiding 1803 - 1812, 95.
Na herstel van de soevereiniteit werd het instituut in 1816 gevestigd op de Artillerie- en Genieschool te Delft.

Het instituut voor de Koninklijke marine, 1826-1856

Op 29 mei 1826 werd de Koninklijke Militaire Academie (KMA) te Breda opgericht. In februari 1827 verhuisde de opleiding tot zeeofficier, officier der mariniers en van constructeur-scheepsbouw naar de Koninklijke Militaire Academie.
De KMA werd omgedoopt tot Koninklijk Academie voor de Zee- en Landmagt. Burggraaf, Kennis is macht, 40.
Op initiatief van J.F.L. Schröder, voorzitter van de "Commissie tot het Examineren van Zeeofficieren", die niet gelukkig was met de verhuizing, werd eind 1828 een afzonderlijk instituut voor de Koninklijke zeemacht ingesteld, met als vestigingsplaats Medemblik. Bij KB van 6 september 1828, no. 56 werd het definitieve reglement goedgekeurd.
Op 1 juni 1829 begonnen de lessen voor de adspiranten-zeeofficier, adelborsten voor de mariniers en "tot den scheepsbouw". Op 28 augustus 1829 werd het instituut plechtig geopend.
Burggraaf, Kennis is macht, 41 - 42.
In 1850 werd het instituut als proef voor een jaar wederom bij de KMA te Breda ondergebracht.
KB van 11 augustus 1850, no. 5; Burggraaf, Kennis is macht, 42.
Bij KB van 23 augustus 1851, no. 86 werd echter bepaald dat de opleiding in Breda zou blijven, alwaar het instituut bleef tot 1854. Op 15 oktober van dat jaar werd de opleiding naar Den Helder verplaatst. Hier huisden de adelborsten en staf aan boord van het stoomfregat (wachtschip) Zr.Ms. "de Rijn" en vanaf 1856 het linieschip Zr.Ms. "Kortenaer".
Burggraaf, Kennis is macht, 42; Van 't Haaff, Gedenkboek 75-jarig bestaan, 15.

Het Koninklijk Instituut voor de Marine, 1857-1946

Bij KB van 25 april 1857, no. 81 werd bepaald dat
"De inrichting van onderwijs voor adelborsten te Willemsoord den naam (draagt) van "Koninklijk Instituut voor de Marine" en is bestemd ter opleiding van jongelingen tot officier bij de Marine, bij het corps Mariniers en tot ingenieur van den scheepsbouw. Het is geplaatst aan boord van het Wachtschip te Willemsoord."
Vestiging aan boord van een wachtschip was verre van ideaal. Het oorspronkelijke idee - een opleiding, waarin theoretische kennisoverdracht en praktische instructies geïntegreerd plaatsvonden - kwam in het gedrang. In 1859 pleitte L.G. Brocx, oudste officier/instructeur aan het instituut, voor een aparte instelling voor lessen en instructie in de vorm van een onderwijsinrichting aan de wal en een instructievaartuig.
Bruggraaf, Kennis is macht, 43 - 44.
Negen jaar later, op 8 juli 1868, diende F.A.A. Gregory, commandant van het KIM, plannen en een begroting voor de bouw van een vestiging aan de wal in bij de minister van Marine.
Inv.nr.7: brief aan de minister van Marine van 8 juli 1868, no. 1080.
Op 20 mei 1869 kon Brocx, nu als minister van Marine, de eerste steen leggen voor het huidige gebouw te Willemsoord.
Burggraaf, Kennis is macht, 42.
Hiermee kwam de oorspronkelijke opzet, opleiding aan boord van een oorlogsschip, te vervallen en het instituut werd een afzonderlijke instelling met een eigen commandant.
Klaassen, Gedenkboek 100-jarig bestaan, 20.
Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd, door de plaatsing van alle adelborsten op de vloot, de geregelde opleiding verstoord. In september 1916 werden weer de eerste lessen gegeven.
Door de mobilisatie van 24 augustus 1939 volgden de adelborsten hun mobilisatiebestemmingen op en werd het instituut tot hulphospitaal ingericht.
Klaassen, Gedenkboek 100-jarig bestaan, 22.
Naar aanleiding van de Duitse inval werd het Instituut op 11 mei 1940 gesloten. Een deel van de vloot week uit naar Engeland. Gezocht werd naar een voortzetting van de officiersopleiding.
Aangezien de marineorganisatie in Indië nog intact was, werd in Soerabaja een officiersopleiding gestart (zie volgende paragraaf).
Daarnaast werd op 12 juli 1940 een groot landhuis van de familie Enys, in de buurt van Falmouth, betrokken (het zogenaamde Enys House). Hier werd het KIM voortgezet
Er werden vier afdelingen gevormd, twee voor de Zeedienst, één voor de Mariniers en één voor de Marine Stoomvaartdienst. Later werden er ook adelborsten voor de Administratie opgeleid.
Klaassen, Gedenkboek 100-jarig bestaan, 24.
Inmiddels waren voorbereidingen getroffen om na de bevrijding op korte termijn officieren op te leiden voor de Koninklijke Marine.
Het Enys House werd op 1 mei 1946 opgeheven en het KIM verhuisde weer naar Den Helder.

Het Koninklijk Instituut voor de Marine te Soerabaja, 1940-1942

Op 25 mei 1940 gaf C.E.L. Helfrich, Commandant Zeemacht (CZM) in Nederlands-Indië, de Commandant der Marine te Soerabaja de opdracht met voorstellen te komen omtrent opzet en leerplan voor een opleiding tot officier van de Koninklijke Marine.
Inv.nr. 61: brief van de CZM van 25 mei 1940, no.P.40/3/18 aan de Commandant der Marine te Soerabaja.
De opdracht bevatte echter te weinig aanwijzingen voor een goede basis voor de opleidingsplannen.
F.C. van Oosten, "De adelborstenopleiding te Soerabaja". Marineblad, 1965, 1043.
Na een bespreking op het Ministerie van Marine te Batavia werd besloten een commissie (de Werk- en Organisatiecommissie Opleiding Adelborsten genoemd) in te stellen,
Van Oosten, "De adelborstenopleiding", 1043.
met als taak het opzetten van een opleiding. Op 10 juni 1940 werd de commissie ingesteld. Voorzitter werd schout-bij-nacht C.W. Stöve.
Beschikking van de CZM van 10 juni 1940, no. P.40/4/3.
Op 2 augustus 1940 presenteerde de commissie haar eindrapport.
De commissie stelde voor:
"(...) het leerprogramma beperkt te houden tot hetgeen (...) strikt noodzakelijk is om in de praktijk goed bruikbare officieren op te leveren, die niettemin over voldoende basiskennis beschikken om zich gedurende hun loopbaan verder te bekwamen en te ontwikkelen (...) en de duur der opleiding (...) beperkt te houden tot 2 jaar (...)."
Inv.nr. 61.
In augustus 1940 werd gestart met de opleiding. De leiding van het instituut werd opgedragen aan schout-bij-nacht Stöve, die werd bijgestaan door de overige leden van de Werk- en Organisatiecommissie.
Inv.nr. 61; notulen van de vergadering der Commissie op 14 juni 1940.
In afwachting van nieuwbouw werden de adelborsten voorlopig ondergebracht in de marinekazerne Coebeng. Het onderwijs werd gegeven in een schoolgebouw aan de Oedjoeng.
Inv.nr. 61.
De school en het internaat werden in december 1941 gecentraliseerd op Darmo nabij de Baritostraat te Soerabaja.
Inv.nr. 62.
In verband met het uitbreken van de oorlog met Japan (8 december 1941) besloot de CZM om de opleiding adelborsten gedurende de maand januari 1942 te onderbreken. De oudste en jongstejaars adelborsten werden ingedeeld bij de militie.
Na de slag in de Javazee en begin maart 1942 werden de laatste adelborsten geëvacueerd. Zij kwamen op 3 mei 1942 in Engeland aan. Na een korte infanterieopleiding vervolgden zij hun opleiding aan het KIM in het Enys House.
Burggraaf, Kennis is macht, 59.

Het Koninklijk Instituut voor de Marine, 1946-1987

Na de bevrijding van Nederland werd met frisse moed de opleiding van marine-officieren in Den Helder hervat. Op 16 mei 1946, twee weken na de verhuizing naar Den Helder startten de spoedopleidingen voor de korpsen Zeedienst, Mariniers, Stoomvaartdienst en Administratie. De eerste lichting telde 118 adelborsten.
De driejarige opleiding begon op 16 september 1946.
Op 1 oktober 1948 werd de benaming van adelborst voor de Marinestoomvaartdienst gewijzigd in adelborst voor de Technische Dienst (Burggraaf, Kennis is macht, 61).
De voorzieningen werden verbeterd. In 1949 opende een apart onderwijsgebouw, naar zijn inrichting wel Klooster genaamd, zijn poorten.
Bij KB van 5 september 1950, nr. 24 (Verzameling van verordeningen voor de Koninklijke Marine (VVKM) nr. 10) werd opnieuw de opleidingen tot officier bij de zeemacht geregeld.
Tevens was hierin opgenomen dat de commandant van het instituut voor wat betreft het onderwijs rechtstreeks onder de minister van Marine stond. Overigens stond hij rechtstreeks onder de bevelen van de Commandant der Zeemacht in Nederland (CZMNED).
De dagelijkse leiding van het onderwijs bij het instituut beruste bij het hoofd van het onderwijs. Benoeming geschiedt door de minister. Het hoofd van het onderwijs stond de commandant van het instituut bij in de regeling van het onderwijs.
Tegelijk met de herziening en uitbreiding van onderwijsprogramma en het op wetenschappelijke basis brengen van de officiersopleiding werd in juli 1963 de bestuursvorm van het KIM veranderd. De leiding van de opleiding werd opgedragen aan de Vlagofficier belast met de Officiersvorming bij het KIM (VOKIM). De VOKIM werd bijgestaan door een militaire commandant van het instituut en een hoofd Wetenschappelijke Vorming (HWV).Al spoedig, in 1966, bleek het bestaan van een aparte commandant van het instituut onwerkbaar en werd de VOKIM behalve met de officiersvorming ook belast met het commando van het KIM. Als commandant was de VOKIM ondergeschikt aan de CZMNED, als hoofd van de opleiding aan de minister van Defensie.
Als bestuursorgaan van het KIM werd de Raad van Vlagofficier en Assessoren (RVA), onder voorzitterschap van de VOKIM, aangesteld. Leden van de RVA waren de militaire commandant, het HWV en de hoofden van de studieafdelingen. De assessoren van de RVA hadden een adviserende taak, maar de besluitvorming binnen de RVA was collegiaal van aard en werd in 1968 ook formeel vastgelegd. Om toezicht te houden op het werk van de VOKIM en de RVA werd al in mei 1963 het Curatorium (CURA) ingesteld. Als president van het CURA trad ZKH prins Bernhard op, leden waren de Chef van de Marinestaf, vier hoogleraren, de Vlagofficier Personeel, de Inspecteur van het Onderwijs bij de Zeemacht (IOZ) en de VOKIM. Het CURA hield niet alleen toezicht, maar adviseerde ook de minister van Defensie.
Tot 1974 waren de adelborsten voornamelijk in een wachtschip gelegerd, welke voor het hoofdgebouw was afgemeerd. De ingebruikneming van het legeringsgebouw Neptunus maakte een eind aan deze traditie.
In het begin van de 80-er jaren van de vorige eeuw traden de eerste vrouwelijke adelborsten, aspirant-officieren met een hogere beroepsopleiding en buitenlandse adelborsten aan bij het KIM en werden infrastructurele plannen vastgelegd in een tienjarenplan.
Na de eerste ervaringen met een "gemengde bemanning" in 1980 aan boord van Hr.Ms. Zuiderkruis, werden alle functies binnen de KM, met uitzondering van de Onderzeedienst en het Korps Mariniers, opengesteld voor vrouwen. In 1983 werden tien vrouwelijke adelborsten tot de officiersopleiding toegelaten. In de daarop volgende jaren zou het aantal vrouwelijke adelborsten toenemen tot 15 à 20 procent van het Korps Adelborsten. De belangstelling van de vrouwen ging voornamelijk uit naar de opleiding voor de administratie en de zeedienst.
In 1986 kwam er een nieuwe indeling in vakgroepen en werd in het onderwijs meer aandacht besteed aan de praktische opleiding. Het onderwijs werd, behalve door de RVA, gestuurde en ondersteund door de voorzitters van de vijf studierichtingen (de militaire korpsvertegenwoordigers of korpshoofden), de raad van mentors en divisiechefs, studiebegeleiders, drie adviesgroepen en de studiecontactgroep (het inspraakorgaan voor adelborsten en officieren-student). De uitvoering van onderwijs en onderzoek berustte bij de vijf vakgroepen: A (bedrijfs-, bestuurs- en politieke wetenschappen); B (wis- en natuurkunde); C (maritiem-technische wetenschappen); D (nautische wetenschappen) en E (informatie- en wapentechnische wetenschappen).
J.J. Leeflang en P.L. Bakker, Gedenkboek KIM 1904-2004, 55, 60.

College van Curatoren van het KIM, 1963-1984

Het College van Curatoren van het KIM werd ingesteld bij KB van 20 mei 1963, nummer 64.
De taak van het College van Curatoren is toezicht houden op alle aangelegenheden welke betrekking hebben op de opleiding van adelborsten tot beroepsofficier en op de voortgezette opleiding van beroepsofficieren tot volwaardig officier en het terzake adviseren van de minister, gevraagd of ongevraagd, in het bijzonder ten aanzien van:
  1. de grondbeginselen van deze opleiding, die door de Chef van de Marinestaf ter discussie zullen worden gesteld voor de bepaling van het beleid dat voor de uitvoering daarvan zal moeten worden gevolgd,
  2. de voordrachten betreffende aanstelling, bevordering en ontslag van burgerdocenten en wetenschappelijke ambtenaren, welke door een, vanwege de minister van Defensie in te stellen Raad van Vlagofficier en Assesoren zijn opgemaakt,
  3. de voltooiing c.q. afronding van een wetenschappelijke vorming voor officieren aan andere instellingen van wetenschappelijk onderwijs,
  4. de uitbreidingsplannen en de overige infrastructuuraangelegenheden het KIM betreffende.
Het college werd op 30 september geïnstalleerd en beëdigd door de staatssecretaris van Defensie (Marine)

Raad van Bestuur (later Toezicht), 1870-1921

Het huishoudelijke reglement van 1857 bepaalde dat de commandant van het Wachtschip tevens belast werd met het oppertoezicht over het personeel en dat hij verantwoordelijk was voor het materieel.
Huishoudelijk reglement voor het Koninklijk Instituut voor de Marine ('s-Gravenhage, 1857), art.30.
Onder de commandant zorgde de eerste-officier van het Wachtschip, tevens plaatsvervangend commandant, voor de opvoeding en een eerste officier-instructeur werd belast met de leiding van het onderwijs.
M.J.C. Klaassen, Gedenkboek honderd jarig bestaan der adelborsten-opleiding te Willemsoord 1854-1954 (Bussum, 1954), 19.
In de loop der jaren werd het reglement en het huishoudelijke reglement regelmatig gewijzigd. In grote lijnen bleef de organisatie van het instituut hetzelfde. De wezenlijke veranderingen worden hierna kort bespreken.
Bij KB van 25 april 1871, no. 81 werd het Reglement voor het KIM te Willemsoord vastgesteld. Artikel 2 bepaalde:
"(dat) een Hoofd-officier der Marine (...) Kommandant is van het Instituut en van het wachtschip."
Het toezicht op de belangen van het Instituut werd geregeld in artikel 3 van voornoemd reglement.
"Het toezigt op de belangen van het Instituut is opgedragen aan eenen Raad van Bestuur, bestaande uit den Kommandant, als voorzitter, den eersten Officier-Instructeur, een der burgerlijke onderwijzers, door den Minister van Marine te benoemen, den Kapitein-Luitenant, eersten Officier van het wachtschip, en den Officier van Administratie, die tevens Secretaris van den Raad is.
De Voorzitter der Commissie tot het examineren van Zee-Officieren wordt door den Raad van Bestuur geraadpleegd in alle zaken, de regeling van het onderwijs betreffende.
Eene Commissie, jaarlijks door den Koning te benoemen, doet eene inspectie van het Instituut, en brengt daarvan verslag uit."
In 1876 werd de naam van de Raad van Bestuur gewijzigd in Raad van Toezicht.
De commandant stond rechtstreeks onder de bevelen van de minister van Marine en was voorzitter van de Raad van Toezicht.
Artikel 2 van het Huishoudelijk Reglement vermeldde dat
"(...) in den Raad van Toezigt (...) ter tafel (worden) gebragt, al de voorstellen omtrent de geldelijke en materieele belangen van het Instituut en die, welke de studien der Adelborsten betreffen."
Bij KB van 6 april 1923, no. 33
Gewijzigd bij KB van 12 februari 1925, no.43.
werd ondermeer de bestemming van het instituut gewijzigd:
"Het Koninklijk instituut voor de marine is bestemd tot opleiding van jongelieden tot: a. zeeofficier; b. officier der mariniers; c. officier van den marinestoomvaartdienst; d. officier van administratie."
De Commandant der Marine te Willemsoord voerde het bevel over de inrichting en een hoofdofficier uit het Korps Zeeofficieren was commandant der inrichting en tevens directeur van het onderwijs.
KB van 6 april 1923, no.33, art.2.
In 1938 werd in het huishoudelijke reglement de taak van de Raad van Toezicht gewijzigd. Art. 12 bepaalde dat
"de raad (...) den commandant van advies (dient), hetzij op verzoek van den commandant, dan wel uit eigen beweging".
Tevens werd de raad uitgebreid met een tweede burgerleraar, die evenals de eerste burgerleraar, op voordracht van de commandant door de minister werd aangewezen.

Raad van Vlagofficier en Assessoren, 1963-1980

De Raad van Vlagofficier en Assessoren is benoemd bij Koninklijk Besluit 20 mei 1964, nummer 64.
De verantwoordelijkheid voor de gang van zaken bij het instituut was in handen gelegd van de VOKIM. Bij het bepalen van het beleid op onderwijsgebied werd hij bijgestaan door assessoren. Hun taak was geregeld in een reglement.
Gezamenlijk konden zij op een uitgebreid terrein besturend en beleidsbepalend optreden, doch voor wat betreft het niveau van het onderwijs waren zij onderworpen aan het toezicht van het College van Curatoren.
Elke beslissing van de raad werd vastgelegd in een "Besluit van de Raad van de Vlagofficier en Assessoren", dat ter kennisneming werd gebracht aan het College van Curatoren.
M.J.C. Klaassen, Gedenkboek honderd jarig bestaan der adelborsten-opleiding te Willemsoord 1854-1954 (Bussum, 1954), 76.

De oorlogsjaren

Over de organisatie van het instituut tijdens de oorlogsjaren is niets bekend!

Commandanten van het KIM 1829-1989

KIM te Medemblik (1 juni 1829 - 5 september 1850)
DatumGebeurtenis
1829 - 1834 W. Kreekel.
1834 - 1839 J.C. Rijk.
1839 - 1847 J.C. Koopman.
1847 - 1849 H.F. Tengbergen.
1849 - 1850 P.G. Crombet.
Koninklijke Militaire Academie te Breda (5 september 1850 - 1 september 1852; als proef tot 1 september 1851); Officieren der Marine, leden van de Kommissie van inspectie over het Militair Onderwijs
DatumGebeurtenis
1852 - 1854 J.F.D. Bouricius.
1852 - 1855 Jonkheer P.G.J. de Haze Bomme.
1854 - 1857 H. Ferguson.
1855 - 1857 F.X.R. 't Hooft.
Aan boord van 's Rijks oorlogsschepen te Willemsoord (1 oktober 1854 - 1 september 1857); Aan boord fregat Zr. Ms. "De Rijn"
DatumGebeurtenis
1 okt. 1854 - 11 dec. 1854 W. Steffens.
11 dec. 1854 - 8 feb. 1855 A.J. de Smit van den Broecke.
21 feb. 1855 - 1 apr. 1856 J.H. Sterk.
1 apr. 1856 - 1 aug. 1856 H. Wipff.
Aan boord van 's Rijks oorlogsschepen te Willemsoord (1 oktober 1854 - 1 september 1857); Aan boord linieschip Zr. Ms. "Kortenaer"
DatumGebeurtenis
1 aug. 1856 - 1 sept. 1857 H. Wipff.
KIM te Willemsoord (1 september 1857 - 18 jan. 1989 (tot 1 mei 1870 aan boord Zr. Ms. "Kortenaer")
DatumGebeurtenis
1 sept. 1857 - 1 mrt. 1860 H. Wipff.
1 mrt. 1860 - 1 mei 1863 H. Camp.
1 mei 1863 - 1 mei 1866 C.P. de Brauw.
1 mei 1866 - 1 mei 1869 F.A.A. Gregory.
1 mei 1869 - 1 sept. 1870 J.P.G. Muller.
1 sept. 1870 - 6 aug. 1874 K.F.R. Andrau.
6 aug. 1874 - 1 okt. 1874 P. ten Bosch (tijdelijk).
1 okt. 1874 - 1 sept. 1879 J.W. Binkes.
1 sept. 1879 - 1 sept. 1883 P. ten Bosch.
1 sept. 1883 - 1 febr. 1888 G. Doorman.
1 febr. 1888 - 1 mrt. 1888 W.J. Derx (tijdelijk).
1 mrt. 1888 - 16 juli 1892 C.E. Uhlenbeck.
16 juli 1892 - 1 sept. 1892 D. Stolp (tijdelijk).
1 sept. 1892 - 1 sept. 1896 A.P. Tademan.
1 sept. 1896 - 16 okt. 1900 D. Stolp.
16 okt. 1900 - 15 juni 1905 W.J. de Bruijne.
15 juni 1905 - 26 juni 1905 J.W. van Aalst (tijdelijk).
16 juni 1905 - 2 nov. 1908 G.F. Tydeman.
2 nov. 1908 - 12 juni 1911 W.D.H. Baron van Asbeck.
12 juni 1911 - 10 juli 1911 M. Schoo (tijdelijk).
10 juli 1911 - 1 mrt. 1916 E.E. Dullemond.
1 mrt. 1916 - 11 apr. 1921 J.J. Oudemans.
11 apr. 1921 - 30 apr. 1925 W. Lam.
30 apr. 1925 - 30 mrt. 1927 T.A. van Hengel.
30 mrt. 1927 - 1 dec. 1932 F.J. Heeris.
1 dec. 1932 - 1 febr. 1936 C. Baron de Vos van Steenwijk.
1 febr. 1936 - 9 mei 1940 C.J. Baron van Asbeck.
15 mei 1946 - 1 apr. 1949 F.Th. Brughard.
1 apr. 1949 - 2 juli 1951 F.H.M. van Straelen.
2 juli 1951 - 23 apr. 1954 J.K. Muller.
23 apr. 1954 - 3 sept. 1957 H.A.W. Goossens.
3 sept. 1957 - 8 juli 1960 J.A. Bientjes.
8 juli 1960 - 27 juli 1963 J. van Dapperen.
27 juli 1963 - 31 juli 1964 A.F. van Velsen.
31 juli 1964 - 3 juni 1966 A. J. de Graaff.
3 juni 1966 - 14 mei 1967 J.H. baron Mackay.
14 mei 1967 - 14 juli 1972 W. Bagchus.
14 juli 1972 - 29 apr. 1976 J.G.G. van de Linde.
29 apr. 1976 - 7 sept. 1979 G. IJzerman.
7 sept. 1979 - 7 sept. 1984 Ir. J. Rietman.
7 sept. 1984 - 18 jan. 1989 Ir. P.E.R. Leertouwer.
KIM op landhuis "Enys House" te Penryn bij Falmouth (Engeland) (12 juli 1940 - 1 mei 1946)
DatumGebeurtenis
12 juli 1940 - 1 mei 1946 W.F. van Langeveld.
KIM "Willemsoord" te Soerabaja (1 augustus 1940 - 2 maart 1942)
DatumGebeurtenis
1 aug. 1940 - 16 jan. 1942 G.W. Stöve
16 jan. 1942 - 2 mrt. 1942 H.J. Bueninck

Geschiedenis van het archiefbeheer

Over de geschiedenis van de archieven is weinig bekend.
Op 28 oktober 1991 is 60,5 strekkende meter archief over de periode 1909 - 1984 door het hoofd van de afdeling Post- en Archiefzaken van de Marinestaf aan het Centraal Archievendepot overgedragen.
Betreffende het archief van het KIM te Soerabaja is het volgende bekend. Na de capitulatie van Nederlands-Indië nam de commandant van het instituut, kapitein ter zee H.J. Bueninck, het archief mee naar Londen. Aldaar werden door hem de archiefbescheiden, die geen waarde meer hadden voor de toekomst vernietigd. De resterende bescheiden werden door Bueninck in een aantal bundels verpakt en ter bewaring naar het Departement van Marine te Londen en het KIM te Falmouth gezonden.
Het betrof de navolgende bundels:
  • archiefbescheiden betreffende de oprichting van het instituut in 1940 en de instandhouding daarvan in de jaren 1940 - maart 1942,
  • archiefbescheiden betreffende de bij het KIM te Falmouth aanwezige adelborsten en aspirant-reserveofficieren. Deze bescheiden werden gezonden aan voornoemd instituut,
  • archiefbescheiden betreffende adelborsten, die op schepen in de Z.W. Pacific geplaatst waren en die in Nederlands-Indië achtergebleven zijn,
  • archiefbescheiden betreffende de bouw van het instituut.

De verwerving van het archief

Het archief is krachtens bepalingen van de Archiefwet overgebracht.