Archief
Titel
2.13.61 Inventaris van het archief van de Chefs van het Wapen der Artillerie, (1813) 1814-1940 (1947)
Auteur
H.H. JongbloedVersie
25-06-2023
Copyright
Nationaal Archief, Den Haag
1989 cc0Beschrijving van het archief
Naam archiefblok
Chefs der Artillerie Chefs Artillerie
Periodisering
archiefvorming: 1814-1940 oudste stuk - jongste stuk: 1813-1947
Archiefbloknummer
D23305Omvang
; 869 inventarisnummer(s) 86,50 meterTaal van het archiefmateriaal
Het merendeel der stukken is in het
Nederlands
Soort archiefmateriaal
Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften. Het archief bevat enkele kaarten en tekeningen.Archiefdienst
Nationaal ArchiefLocatie
Den HaagArchiefvormers
Bevelhebber van de Eerste Koninklijke Nederlandse Mobiele Armée bij de Veldtocht in België en Frankrijk Commandant der Bereden Artillerie Commandant der Vesting Artillerie Commandant van het Materieel der Artillerie Commissie tot Onderzoek van de Wenselijkheid van Oprichting van een Gieterij van IJzeren Geschut Directie van het Materieel der Artillerie Eerste Artillerie Directie Generale Directie van Oorlog Grootmeester der Artillerie Inspecteur der Artillerie Inspecteur der Artillerie, Afwikkelingsbureau Inspecteur der Bereden Artillerie Inspecteur der Vesting Artillerie Inspecteur van het Materieel der Artillerie Inspecteur-Generaal der Artillerie Ministerie van Oorlog Tweede Artillerie Directie Vierde Artillerie Directie Familie Fabius
Samenvatting van de inhoud van het archief
Dit archief bestaat uit de deelarchieven van diverse onderdelen van de Koninklijke Landmacht, afdeling Artillerie voor de periode 1814-1940. Het bevat onder andere stukken betreffende personeel, materieel, organisatie, en veel correspondentie. Er zitten stukken in betreffende de Belgische opstand en de Eerste en Tweede Wereldoorlog.
Verder bevat het het archief van de Comissie tot onderzoek van de wenselijkheid van oprichting van een gieterij van ijzeren geschut, de archieven van de afwikkelingsbureaus ten tijde van de Tweede Wereldoorlog en de gedeponeerde archieven van Prins Willem Frederik Alexander als bevelhebber van de Eerste Koninklijke Nederlandsche Mobiele Armée bij de veldtocht in België en Frankrijk, van het Departement van Oorlog, fragment-archief van de afdeling Artillerie en van de Collectie Fabius.Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
1 Introductie
De geschiedenis van de vormers van de in deze inventaris beschreven archieven is de geschiedenis van de hoogste leiding van het wapen der artillerie in vredestijd ( Vanaf 1814 komen we het begrip "Staf van het wapen der Artillerie" tegen. Voor een overzicht van wat daaronder op onderscheiden momenten werd verstaan, zij verwezen naar bijlage 1. De indruk wordt gewekt, dat onder de "staf" van de Artillerie, althans aanvankelijk, werd verstaan àlle artillerie-organen behalve de operationele eenheden. Het overzicht in bijlage 1 is uitsluitend gebaseerd op het Recueil Militair bevattende de wetten, besluiten en orders betreffende de Koninklijke Nederlandsche Landmacht 1813-1914, 's-Gravenhage 1815-1914, voortaan aangeduid als RM. Het overzicht maakt geen aanspraak op volledigheid. Op de institutionele geschiedenis van organen, die tot de staf werden gerekend maar waarvan de archieven in deze inventaris niet voorkomen, wordt in het navolgende niet ingegaan. ) . In het navolgende is getracht, deze geschiedenis vanaf 1813 in grote lijn weer te geven. De ontwikkelingen over het tijdvak 1813-1940 kunnen het beste worden geschetst vanuit de organisatorische toestand van de artillerie in de jaren 1876-1878. De toen bestaande organisatie is enerzijds het culminatiepunt van de ontwikkelingen sinds 1813, en het startpunt voor die vanaf 1878.
Bij KB van 18 november 1876 no. 24 werden, ingaande 15 december 1876, de voorheen bestaande functies van Inspecteur der Artillerie en Directeur van het Materieel der Artillerie vervangen door de functies van Inspecteur van het Personeel der Artillerie en Inspecteur van het Materieel der Artillerie. Beiden stonden onder de onmiddellijke bevelen van de minister van Oorlog. Onder het bevel ( In de respectieve instellings- en instructiebesluiten wordt gesproken van "bevel", "bestuur" en "toezicht". Naar de specifieke betekenis van deze termen is geen onderzoek gedaan. Verondersteld wordt, dat met "bevel" de directe militaire (operationele) bevelsbevoegdheid wordt bedoeld, met "bestuur" de niet-operationele, doorgaans partiële, zeggenschap over (aspecten van) de betreffende militaire organisatie, en met "toezicht" de controlerende bevoegdheid. ) van de Inspecteur van het Personeel stond het personeel der artilleriekorpsen, d.w.z. de operationele eenheden van zowel de vesting- als de veld- of bereden artillerie. Hij was verantwoordelijk voor de oefening, kleding en uitrusting, inwendige, geneeskundige en administratieve dienst daarvan, alsmede voor het bestuur van het materieel bij die korpsen. De Inspecteur van het Materieel was verantwoordelijk voor het overige artilleriematerieel in het Rijk, d.w.z. in de magazijnen der artillerie. Hij had het toezicht op die magazijnen, de Artillerie Stapel- en Constructiemagazijnen, en verder op de inspectie der draagbare wapenen, de Pyrotechnische School, de Geschutgieterij te 's-Gravenhage en de Commissie van Proefneming ( RM 1876 I p. 628. J.K.H. de Roo van Alderwerelt, De grootmeesters en de inspecteurs der Artillerie van de Koninklijke Landmacht van 1814 tot 1939, uitgegeven bij de herdenking van het 125-jarig bestaan van de Inspectie der Artillerie door de Koninklijke Vereeniging "Ons Leger, (z.pl.) 1939, p. 89-91. ) . Deze competentiescheiding tussen "personeel" en "materieel", per periode variërend ("het meeste personeel en ook wat materieel" tegenover "het overige materieel en ook wat personeel"), is kenmerkend voor de organisatorische vormgeving in het tijdvak 1814-1878.
2 De Chefs van het Wapen 1814-1876: de voorgangers van de Inspecteur van het personeel
2.1 1814-1818: de Inspecteur-Generaal
Bij Souverein Besluit (SB) van 26 december 1813 no. 7b werd de zestienjarige prins Willem Frederik Karel benoemd tot Grootmeester der Artillerie. Voorlopig was dit slechts een titulaire aangelegenheid, zodat voor de werkelijke leiding van het wapen der artillerie een andere voorziening nodig was. Zo volgde bij SB van 3 februari 1814 no. 67 de benoeming van W. baron du Pont tot generaal-majoor bij de armée en Inspecteur-Generaal der Artillerie. Zijn taak werd omschreven als:
"Alle zaken het Wapen der Artillerie betreffende, welke bij onzen Commissaris-Generaal [minister] van Oorlog voorkomen, of bij denzelven worden ingezonden, zullen aan den Inspecteur-Generaal der Artillerie worden gerenvoijeerd, die dezelve bearbeidt en prepareert en daarna aan den Commissaris-Generaal van Oorlog terugzendt, die er alsdan de expeditie en uitvoering van gelast. Te dien einde zal de Generaal-Majoor du Pont Ons zoo spoedig mogelijk een voordragt doen van het Personeel, hetwelk hij tot het etablisseeren van zijn bureau noodig zal hebben" ( De Roo van Alderwerelt, p. 55. ) . De commissaris-generaal [minister] van Oorlog kwam op 22 februari 1814 met dat voorstel, dat bij SB van 4 maart 1814 no. 60 werd bekrachtigd. Het SB onderscheidde:
- de grootmeester der artillerie, belast met het opperbevel en het oppertoezicht over het personeel en materieel der artillerie.
- een generaal-majoor en inspecteur-generaal der artillerie belast met alle details, het personeel en het materieel te voet en der rijdende artillerie betreffende, met de generale inspectie der construktie-magazijnen, grofgeschutgieterij, geweer-fabriek en alle artillerie-magazijnen, staande onder de bevelen van, en doende rapport van zijne inspectien aan de grootmeester der artillerie, aan wien hij alle inlichtingen en sterkte-lijsten indient, welke hoogstdezelve van hem vorderd, en staande in verband met Onzen kommissaris-generaal van oorlog, zoo als in art. 2, van Ons besluit van den 3 februarij 1814 no. 67, bepaald is ( RM 1813/1814 p. 178/179 dateert het besluit op 14 maart 1814 en geeft het nummer niet. Uit het archief van de Algemene Staatssecretarie (Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, De archieven van de Algemeene Staatssecretarie en van het Kabinet des Konings met daarbij gedeponeerde archieven over 1813-1840, Den Haag 1938 (herzien 1982), codenummer 2.02.01) inv.nr. 10, blijkt echter het in de tekst weergegeven kenmerk van het SB. ).
De instructie voor de Inspecteur-Generaal dateert van 18 februari 1815 en stelde deze functionaris onder onmiddellijk bevel van de Souvereine Vorst, het Departement van Oorlog èn de Grootmeester der Artillerie. De instructie werkte bovenstaande taakomschrijving uit in een aantal plichten en bevoegdheden, die, zij het in andere formuleringen en wisselende verdelingen, over het gehele tijdvak tot 1940 een rol blijven spelen. De belangrijkste daarvan waren:
- het doen van voordrachten betreffende de artillerie-uitrusting en de daarbij behorende begrotingen, alsmede het toezicht op de uitgaven binnen het toegewezen budget;
- het toezien op de naleving van alle instructies terzake van personeel en materieel der artillerie;
- het behandelen van door het Departement van Oorlog voorgelegde stukken en zaken, en het eigener beweging doen van voorstellen voor veranderingen en verbeteringen in personeel en materieel opzicht;
- de inspectie over het personeel, materieel en de administratie der artillerie-eenheden op dezelfde voet voor de artillerie zoals dat eerder was bepaald voor de cavalerie en de infanterie;
- het doen van voordrachten aan het Departement inzake overplaatsing;
- het ontvangen van de halfjaarlijkse rapportage van de bataljonscommandanten over hun ondergeschikte officieren in verband met de beoordeling van bevorderingsvoorstellen;
- het doen van voordrachten tot pensionering van officieren wegens lichaamsgebreken en het doen van voordrachten tot ontslag van officieren wegens wangedrag;
- het rapporteren aan het Departement over de kadetten aan de artillerieschool en het doen van voordrachten tot bevordering of overplaatsing van kadetten en subalterne officieren ( De Roo van Alderwerelt, bijlage III (p. 143 e.v.). Zie ook RM 1815 deel I p. 309 e.v. ).
2.2 1818-1841: de Grootmeester
Tot 1818 beschikte de Grootmeester der Artillerie in hoofdzaak over de titel, maar niet over een eigen bureau. Met ingang van dat jaar -- prins Frederik was inmiddels bijna 21 -- werd dat, ingevolge KB 28 december 1817 no. 40, veranderd ( Staatssecretarie, inv. nr. 537. De Roo van Alderwerelt geeft op p. 59 abusievelijk als datum 27 december 1817 en vermeldt het nummer niet. ) . De koning achtte het daarbij voor het land en het wapen der artillerie nuttig,
dat onze beminde Zoon, Prins Frederik, als Grootmeester van dat wapen, zich regelmatig en op den duur bezig hield met de leiding en het bestuur der zaken, welke tot dusverre op het Bureau van den Inspecteur-Generaal der Artillerie behandeld zijn.
Hij besloot daarom de Inspecteur-Generaal van zijn werkzaamheden te ontslaan en die op te dragen aan de Grootmeester. Voor de uitoefening van die taak werd het Departement van de Grootmeester der Artillerie gevormd, waarin een chef van het Departement werd gecreëerd. Du Pont werd die chef, met behoud van de titel van Inspecteur-Generaal der Artillerie. Enkele maanden later echter vroeg Du Pont, 68 jaar oud, zijn pensionering, die hem bij KB van 13 juli 1818 no. 85 werd vergund. Het KB van 8 augustus 1818 no. 66 bepaalde de ingangsdatum van Du Ponts pensioen op 1 september aanvolgend, en voorzag tevens in de vervanging van functies van chef en adjunct-chef van het Departement van de Grootmeester door die van directeur. Als zodanig werd benoemd kolonel H.R. Trip, voorheen de adjunct van Du Pont ( Staatssecretarie, inv. nrs. 648 en 664. De Roo van Alderwerelt geeft op p. 59 een onjuiste ingangsdatum van Du Ponts pensionering. ) . Bij KB 21 maart 1820 no. 32 werd de instructie voor de Grootmeester vastgesteld, waarbij de overgang van taken van de Inspecteur-Generaal naar de Grootmeester nog eens in detail werd bevestigd. De Grootmeester stond onder onmiddellijke bevelen van de koning, met dien verstande, dat voordrachten in personeelszaken via het Departement van Oorlog dienden te lopen, dat hij overplaatsing van personeel slechts had voor te stellen aan dat Departement, dat hij ingrijpende beslissingen terzake van het materieel slechts kon nemen na goedkeuring van de koning, die via het Departement van Oorlog diende te worden gevraagd, en dat voorstellen tot besteding van begrote gelden aan dat Departement dienden te worden voorgelegd ( De Roo van Alderwerelt, p. 59. De instructie van de Grootmeester op p. 147 e.v. en in RM 1820 p. 175. ) . Bij KB 16 november 1823 no. 80 werden in het Departement van Oorlog drie directoraten gecreëerd, waaronder het directoraat voor het materieel der Artillerie en Genie. De bedoeling van deze schepping was, de Commissaris-Generaal [minister] te ontlasten. De directeuren waren, ieder in hun eigen ressort, bevoegd tot het voorbereiden en instrueren van de zaken, die hen door de minister zouden worden opgedragen, en konden zelfstandig corresponderen met ondergeschikte autoriteiten. Uiteraard betekende deze stap de tussenvoeging van een échelon tussen minister en Grootmeester. Aan het bestaan van deze functie kwam reeds in 1826 een einde. Materieelzaken betreffende de artillerie ressorteerden sindsdien weer geheel onder het Departement van de Grootmeester ( RM 1826 II p. 5. Staatssecretarie, inv.nr. 1814, KB 16 nov. 1823 no. 80, en inv. nr. 2509, KB 15 juni 1826 no. 94. ) . Tegelijkertijd werd prins Frederik Commissaris-Generaal [minister] van Oorlog. Daarom legde hij per 15 juni 1826 het Grootmeesterschap der Artillerie neer en werd tegelijk benoemd tot generaal der artillerie. De functie van Grootmeester en zijn Departement bleven bestaan, alleen werd er vooreerst geen Grootmeester meer benoemd. De functie werd, onder direct toezicht van de Commissaris-Generaal, waargenomen door de directeur van het Departement van de Grootmeester ( RM 1826 p. 190 en Staatssecretarie inv. nr. 2509, KB 15 juni 1826 no. 94. De Roo van Alderwerelt, p. 63. ) . Bij KB van 23 december 1829 no. 120 werden vervolgens twee Artillerie-inspecties ingesteld, de ene omvattende het 1e en 3e bataljon veldartillerie plus het 1e, 3e, 4e en 5e bataljon artillerie der Nationale Militie, de tweede alle overige bataljons veld- en militie-artillerie, de rijdende artillerie, de pontonniers en de artillerie transporttrein. Deze inspecties kwamen in de plaats van de twee opperofficieren, die tot dan toe het bevel over de artillerie-eenheden hadden gevoerd, en die we reeds in 1814 signaleren. Commandant van de eerste inspectie werd kolonel W.B.E. Paravicini di Capelli, van de tweede kolonel F.C. List ( RM 1813/14 p. 178 (= KB 4 maart 1814 no. 60, zie noot 5) en 1829 p. 246. De Roo van Alderwerelt, p. 62, 63. ) . Het is duidelijk, dat deze inspecties een échelon vormden in de bevelshiërarchie van de artillerie tùssen de chef van het wapen en de eenheden, en derhalve niet op gelijke voet kunnen worden gesteld met eerdere en latere inspecties en inspecteurs. Bij KB van 25 december 1829 no. 83 werd prins Frederik benoemd tot admiraal van de vloot en kolonel-generaal der verschillende wapenen der landmacht, in welke betrekkingen hem het opperbestuur over de Departementen van Marine en Oorlog werd opgedragen. Bepaald werd, dat het beheer der zaken van zee- en landmacht door directeuren-generaal [ministers] zou worden uitgeoefend. Tot directeur-generaal van Oorlog werd benoemd D.J. de Eerens ( RM 1829 p. 249. Zie ook A.J.H. van Ette, Onze ministers sinds 1798, Alphen aan den Rijn 1948, p. 22. ) . Prins Frederik werd bovendien in augustus 1830 ter gelegenheid van de Belgische opstand benoemd tot opperbevelhebber van het veldleger, welke functie hij weer overdroeg aan de kroonprins op 29 juli 1831 ( De Roo van Alderwerelt, p. 65. ) . In 1839 was het weer tijd voor enige reorganisaties. De kroonprins, nog steeds opperbevelhebber van het veldleger, werd ingevolge KB 6 juni 1839 no. 43 tevens belast met de opperdirectie van het Departement van Oorlog en het onmiddellijk toezicht op de Genie. Bij KB van diezelfde dag no. 44 werd prins Frederik ontheven van diezelfde opperdirectie, van zijn functies als kolonel-generaal van alle wapens der landmacht en van zijn toezicht over de Algemene Directie der Genie, en tegelijk weer in de vacature hersteld, die hij dertien jaar eerder had achtergelaten: Grootmeester der Artillerie ( RM 1839 p. 33. ) . Lang duurde dat niet: bij KB van 1 oktober 1840 no. 10 verkreeg de prins op zijn verzoek eervol ontslag als Grootmeester, zij het met behoud van de titel ( RM 1840 p. 122. ) . Reeds bij KB van 12 oktober 1840 no. 15 werd aangegeven, dat het Departement van de Grootmeester der Artillerie en de Algemene Directie der Genie zouden worden opgeheven als zelfstandige militaire autoriteiten. De door deze apparaten uitgeoefende functies zouden worden geïntegreerd in het Departement van Oorlog. Deze beschikkingen werden nader uitgewerkt bij KB van 22 december 1840 no. 30. Als ingangsdatum van de opheffing zou 1 januari 1841 gelden. Bij het Departement van Oorlog zouden twee nieuwe afdelingen worden gecreëerd, één voor de artillerie en één voor de genie, die geheel in de functies van de opgeheven organen zouden treden ( RM 1840 p. 304. De Roo van Alderwerelt, p. 73-74, meldt, dat de afdeling artillerie van het Departement van Oorlog in twee bureaus werd verdeeld, één voor zaken betreffende personeel en draagbare wapens, en één voor materieelzaken. ) .2.3 1841-1852: de Commandant(en)
Zou het voorgaande erop kunnen duiden, dat men voornemens was geweest de zelfstandige leiding van het wapen af te schaffen, de praktijk van 1841 wees anders uit. Even heeft het er op geleken, dat er toch weer een luitenant-generaal, chef van het wapen, aan het hoofd van de artillerie zou worden gesteld, maar deze functie is nooit vervuld en werd later ook weer geschrapt ( De Roo van Alderwerelt, p. 73-74. De functie van luitenant-generaal, chef van het wapen, werd genoemd in het KB van 10 maart 1841 no. 93 (zie RM 1841 I p. 124), KB van 26 oktober 1843 no. 53 (RM 1843 p. 247), KB van 10 april 1846 no. 95 (RM 1846 p. 128). In het KB van 14 augustus 1849 no. 47 wordt de functie niet meer vermeld. De opvatting van De Roo van Alderwerelt op bovenvermelde plaats, als zou de functie bij het KB 26 oktober 1843 no. 53 zijn opgeheven, is onjuist. ) . De twee artillerie-inspecties, die in 1829 waren ingesteld, werden bij KB van 1 januari 1841 no. 10 opgeheven, en in hun plaats kwamen twee commandementen, één van het personeel en één van het materieel. De Commandant van het Personeel voerde het bevel en had het toezicht over het personeel der artillerie, die van het materieel idem over het materieel, over de drie Artilleriedirecties --waarover straks --, over de geschutgieterij te Den Haag, over de Stapel- en Constructiemagazijnen te Delft en de daar gestationeerde compagnie werklieden, over de buskruitfabricage en over de draagbare wapens ( RM 1841 I p. 1. Instructies voor de twee commandanten zijn, voorzover bekend, nooit uitgevaardigd; noch in het RM, noch in het archief van het ministerie (Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, Archief van het ministerie van Oorlog 1813-1913, Schaarsbergen 1963, codenummer 2.13.01) (inv. nrs. 13900, 13904, 13908), is enig spoor ervan te vinden. ) . Commandant van het Personeel werd kolonel P.R. Falter, kolonel J.A.H. de la Sarraz, voorheen directeur van het Departement van de Grootmeester, werd Commandant van het Materieel ( De Roo van Alderwerelt, p. 73. ) . Blijkbaar beviel deze scheiding van competentie tussen "personeel" en "materieel" toch ook niet, want de functie Commandant van het Materieel werd, bij KB 13 maart 1843 no. 61, opgeheven en de werkzaamheden ervan teruggebracht naar het Departement van Oorlog ( RM 1843 p. 61. ) .2.4 1852-1876: de Inspecteur
In 1848 vond op een lager échelon een belangrijke ontwikkeling plaats: veld- en vestingartillerie, die tot dusverre goeddeels in één organisatie waren geïntegreerd, werden gescheiden. Als gevolg daarvan, en onder druk van bezuinigingsmaatregelen die rationalisatie beoogden, werden in 1852 opnieuw reorganisaties in de toporganisatie doorgevoerd. Falter, tot dan toe Commandant van het Personeel der Artillerie en als zodanig chef van het wapen ( In het KB van 14 augustus 1849 no. 47, bijlage, wordt de commandant van het personeel aangemerkt als "Artillerie kommandant", zie RM 1849 p. 72. De voorheen steeds genoemde functie van "luitenant-generaal chef van het wapen der artillerie" is in 1849 dus verdwenen. Zie ook noot 18. ) , werd ongevraagd met pensioen gestuurd. Zijn functie werd bij KB van 8 september 1852 no. 38 en 39 opgeheven en vervangen door die van Inspecteur der Artillerie, met de rang van luitenant-generaal ( RM 1852 p. 297. ) . Diens instructie werd vastgesteld bij ministerieel besluit van 11 oktober 1852 no. 18 B. De Inspecteur der Artillerie stond onder onmiddellijk bevel van de minister van Oorlog, en was belast met de leiding van het personeel bij de artillerie-korpsen; met het toezicht over de constructie- en stapelmagazijnen en de inspectie der draagbare wapenen, voor zover betrekking hebbend op personeel, inrichting der werkplaatsen en de uitvoering der werkzaamheden; tenslotte met het onmiddellijk toezicht op het materieel bij de korpsen. Het beheer van ander personeel en materieel bleef berusten bij de Artilleriedirecties ( RM 1852 p. 356. ) . In 1876 vond vervolgens de herschikking plaats, waarbij de twee in de aanhef genoemde Inspecteurs hun intrede deden.
3 Van onderschikking tot nevenschikking: de voorgangers (1814-1876) van de Inspecteur van het Materieel
3.1 1814-1867: de Directeuren der Artilleriedirecties
Bij SB van 26 juni 1814 no. 7 werden vier Directeuren der Artillerie benoemd, waarvan de instructie op 14 januari 1815 door de Souverein werd vastgesteld. Nog datzelfde jaar werd besloten het aantal Artillerie-directies uit te breiden tot zes ( Staatssecretarie, inv. nr. 26. RM 1815 deel I p. 138 e.v., deel II p. 1 (KB 2 september 1815 no. 53) en p. 222 (KB 8 december 1815 no. 103). ) . Blijkens de instructie vertegenwoordigden de Directeuren der Artilleriedirecties aanvankelijk een échelon tussen eerst de Inspecteur-Generaal en later de Grootmeester (c.q. diens Departement) als chefs van het wapen der artillerie, en de vestingen, forten, batterijen, magazijnen etc. waar zich artilleriematerieel bevond. De Directeuren oefenden in deze tussenpositie een regelende en toezichthoudende functie uit in de voorziening met en het beheer van dit materieel, en brachten van hun werkzaamheden verslag uit aan de chefs van het wapen.
Bij KB van 1 januari 1841 no. 10 werden de vijf toen nog resterende Artilleriedirecties gehergroepeerd tot drie, en vervolgens werden zij bij KB van 26 oktober 1843 no. 53, teruggebracht tot twee, territoriaal gescheiden door Maas/Waal/Haringvliet en met als respectieve standplaatsen 's-Gravenhage en Breda. Vanaf 1841 ressorteerden de directies onder de Commandant van het Materieel der Artillerie, en toen bij diens verdwijnen al diens functies door het Departement werden overgenomen, kwamen ook de Directeuren der Artillerie rechtstreeks onder de minister te ressorteren ( RM 1841 I p. 1, 1843 p. 247. De standplaats van de 2e directie werd bij KB van 26 mei 1855 no. 63 (Recueil Militair 1855 p. 60) verplaatst naar 's-Hertogenbosch. Bij KB van 15 januari 1860 no. 70 (RM 1860 p. 230) werden de ressorten van artilleriedirecties en fortificatie-inspecties gelijkgetrokken en werden de standplaatsen ervan Utrecht en Dordrecht. Bij KB van 21 april 1866 no. 78 (RM 1866 p. 92) werd de standplaats Utrecht weer gewijzigd in 's-Gravenhage. ) . Bij de reorganisatie van 1852, die hierboven werd beschreven, werd een scheiding gemaakt tussen de competentie over personeel en materieel bij de artilleriekorpsen, die rechtstreeks aan de Inspecteur toeviel, en die over het overige personeel en materieel, dat bleef berusten bij de Artilleriedirecties. In de rechtstreekse onderschikking aan de minister kwam geen wijziging ( RM 1852 p. 356. ) . Bij KB van 27 april 1864 no. 37 werd een nieuwe instructie vastgesteld voor de twee Directeuren der Artillerie. Deze verschilde niet fundamenteel met de instructie uit 1815, maar bevestigde de intussen ontstane rechtstreekse onderschikking aan de minister uitdrukkelijk ( RM 1864 p. 91. ) .3.2 1867-1876: de Directeur van het Materieel der Artillerie
Korte tijd later, bij KB van 8 mei 1867 no. 66, vond de volgende wijziging in de structuur plaats: de twee Artilleriedirecties werden opgeheven en hun functie zoals hierboven omschreven opgedragen aan één Directeur van het Materieel, die te Utrecht zijn standplaats had. Bij KB van 22 april 1868 no. 49 en daarop volgend ministerieel besluit van 14 mei 1868 Bureau der Artillerie no. 91 A werd de instructie uit 1864 voor de Directeuren der Artilleriedirecties aangepast aan de nieuwe toestand. In de onderschikking van de Directeur, rechtstreeks aan de minister, kwam geen verandering ( RM 1868 p. 119. De Roo van Alderwerelt, p. 84 en 85, geeft als datum van het betreffende KB 16 augustus 1868 en verzwijgt het nummer. ) . Vervolgens vond in 1876 de wijziging plaats, waarbij de Directeur voor het Materieel een gelijkwaardige titel kreeg als de vroegere Inspecteur, vanaf 1876 Inspecteur van het Personeel geheten.
4 1876-1878: de twee Inspecteurs
Mede onder invloed van de ervaringen met de mobilisatie van 1870 werden in de navolgende jaren zowel reorganisaties op lager echelon als in de topstructuur van het wapen geëffectueerd. Het ontstaan van de twee functies Inspecteur van het Personeel der Artillerie en Inspecteur van het Materieel der Artillerie, zoals hiervoor uiteengezet, was daarvan het resultaat.
5 De periode 1878-1940
5.1 1878-1908: Inspecteur en twee Commandanten
De in 1876 opgezette constructie was slechts een kort leven beschoren. Bij KB van 5 januari 1878 no. 22 werd alles weer op zijn kop gezet. De Inspecteur der Artillerie verscheen weer ten tonele als hoofd van het wapen, aan wie tegelijkertijd de functie van chef van de afdeling artillerie van het ministerie van Oorlog was opgedragen. Al per 1 mei 1880 werd, ingevolge KB van 10 maart 1880 no. 15, de koppeling van de functies Inspecteur der Artillerie en chef van de afdeling artillerie van het ministerie weer ongedaan gemaakt ( RM 1878 I p. 3, 1880 II p. 91. De Roo van Alderwerelt, p. 91-94. Het KB van 1880 stelde de organisatie van het departement van Oorlog vast, waarin de afdeling Artillerie de IVe afdeling werd, bestaande uit 3 bureaus, 1º Algemene Artilleriezaken, 2º Technische zaken en 3º Comptabiliteit. Het KB van 15 april 1880 no. 37, RM 1880 I p. 128, stelde vervolgens de nieuwe organisatie van de staf der artillerie vast. ) . In 1878 werden eveneens in leven geroepen de functies van Commandant der Bereden Artillerie en die van Commandant der Vesting Artillerie. Het besluit deelde aan de Commandant der Bereden Artillerie toe het toezicht op personeel en materieel bij de bereden artillerie, en aan de Commandant der Vesting Artillerie hetzelfde bij de vestingartillerie ( RM 1878 I p. 3. ) . Tenslotte werd in hetzelfde KB van 1878 bepaald, dat de Artillerie Stapel- en Constructiemagazijnen, de Inspectie der Draagbare Wapenen, de Pyrotechnische School, de Geschutgieterij en de Commissie van Proefneming rechtstreeks onder het beheer van het ministerie zouden ressorteren ( RM 1878 I p. 3. ) . Bij ministerieel besluit van 27 april 1878 no. 130 P werden voorlopige instructies vastgesteld voor de Inspecteurs der onderscheiden wapenen en dienstvakken bij de landmacht, alsook voor de Commandant der Vesting Artillerie. Een Inspecteur was jegens de minister verantwoordelijk voor de toestand van zijn wapen, en diende zich van die verantwoordelijkheid te kwijten door het jaarlijks indienen van een rapport over de toestand ervan, en verder door inspecties te houden, waarover hij rapport en eventuele aanbevelingen aan de minister diende te zenden ( RM 1878 I p. 831. ) . Bij KB van 16 april 1880 no. 16 werd onder meer voor de Inspecteur der Artillerie een nieuwe instructie vastgesteld; de wijziging in zijn positie per 1 mei 1880, hierboven uiteengezet, zal daaraan ten grondslag hebben gelegen. De Inspecteur bleef onder onmiddellijk bevel van de minister van Oorlog staan, en had onder zijn bevelen: de Commandanten der Bereden en der Vesting Artillerie, de Artillerie Schietschool, de Artillerie Instructiecompagnie, de Torpedocompagnie, en de Hoofdcursus voorzover niet vallend onder de Inspecteur van het Militair Onderwijs. Voorts stonden onder zijn toezicht: de Artillerie Stapel- en Constructiemagazijnen, de Pyrotechnische Werkplaatsen, de Inspectie der draagbare wapenen, de Geschutgieterij en de Commissie van Proefneming. Hij werd geacht inspecties te houden van het onder hem staande personeel en materieel, diende toe te zien op de naleving van geldende regels en voorschriften, en droeg zorg voor het materieel, inbegrepen het doen van voorstellen tot verbetering en vervanging. Hij had beslissingsbevoegdheid in een aantal omschreven zaken, en diende in andere zaken voorstellen aan de minister voor te leggen ( Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, Archief van het Kabinet des Konings resp. der Koningin, Den Haag 1949 en 1977, codenummers 2.02.03 en 2.02.04, inv. nr. 2376. Merkwaardigerwijs geven noch het RM, noch De Roo van Alderwerelt, deze instructie. ) . Bij KB van 1 april 1890 no. 26 werd de instructie van de Inspecteur vervangen door een nieuwe. Ontwikkelingen en reorganisaties in de lagere regionen van het wapen maakten aanpassing nodig. De belangrijkste wijzigingen betroffen de omschrijving van zijn bevels- en toezichtsbevoegdheid: vanaf 1890 waren aan het bevel van de Inspecteur onderworpen de Commandanten der Bereden en Vesting Artillerie, het Korps Torpedisten en de Artillerie Schietschool, en aan zijn toezicht de Artillerie-Inrichtingen. Voor het overige liep de instructie van 1890 goeddeels parallel aan die van 1880 ( RM 1890 p. 61. Kleine wijzigingen sindsdien zijn veronachtzaamd. ) . Ook voor de Commandant der Vesting Artillerie werd bij ministerieel besluit van 27 april 1878 no. 130 P een voorlopige instructie vastgesteld, waarbij deze functionaris onder onmiddellijk bevel van de minister van Oorlog kwam te staan. In de praktijk zal dat hebben betekend, dat hij ressorteerde onder de afdeling Artillerie van het Departement, aan het hoofd waarvan immers de Inspecteur stond. Aan te nemen valt, dat een en ander ook voor zijn bereden collega gold, maar van deze is geen gelijktijdige voorlopige instructie bekend ( RM 1878 I p. 831. Kleine wijzigingen in de voorlopige instructie van de Commandant der Bereden Artillerie werden ingevoerd bij ministerieel besluit van 5 juni 1879, IIe Afdeling, Generale Staf, no. 94 (RM 1879 I p. 20). ) . Volgens deze instructie had de Commandant van de Vesting Artillerie in vredestijd onder zijn bevel de afdelingen vestingartillerie, de Artillerie-instructiecompagnie en de Torpedocompagnie en was verantwoordelijk voor de inzetbaarheid van dit deel van het wapen. Het materieel der vestingartillerie, zowel datgene bij de troepen als dat in de magazijnen, stond onder het bestuur van de Commandant der Vesting Artillerie. Zijn taken en bevoegdheden terzake van het personeel en het materieel onder zijn commandement werden gedetailleerd geregeld, terwijl hem de bevoegdheid tot het houden van inspecties werd toegekend. In oorlogsomstandigheden zou het bevel van de Commandant der Vesting Artillerie over de afdelingen vestingartillerie vervallen en overgaan op de respectieve stellingcommandanten. De Commandant der Vesting Artillerie kon in dat geval met een andere functie worden belast.
Ook de Commandant van de Vesting Artillerie kreeg bij het KB van 16 april 1880 no. 16 een nieuwe instructie. Hij werd daarbij geplaatst onder de onmiddellijke bevelen van de Inspecteur der Artillerie. Zijn competentie was dezelfde als in 1878, met dien verstande, dat de Artillerie Stapel- en Constructiemagazijnen niet meer onder zijn bestuur ressorteerden. Voor het overige liep de instructie vrijwel parallel aan die van 1878. Kleinere wijzigingen werden aangebracht bij de nieuwe instructie van 1890 ( Kabinet des Konings, inv.nr. 2376. KB van 1 april 1890 no. 26, RM 1890 p. 61. Kleine wijzigingen sindsdien zijn buiten beschouwing gelaten. ) . De Commandant der Bereden Artillerie kreeg pas bij het KB van 16 april 1880 no. 16 een instructie. Daarbij kwam hij onder onmiddellijk bevel te staan van de Inspecteur. In vredestijd had hij het bevel over de regimenten veld- en rijdende artillerie en het korps Pontonniers, en het bestuur over het artilleriematerieel bij het veldleger, zowel datgene bij de onder zijn bevel staande troepen als dat in de artilleriemagazijnen waarvoor hij jaarlijks oefeningsvoorstellen moest doen. In tijd van oorlog trad de Commandant der Bereden Artillerie bij het hoofdkwartier op als commandant der artillerie. Voor het overige liep zijn instructie goeddeels parallel aan die van zijn collega der vestingartillerie. Ook zijn instructie onderging in 1890 wijzigingen van ondergeschikte aard ( Kabinet des Konings, inv.nr. 2376. KB van 1 april 1890 no. 26, RM 1890 p. 61. Ondergeschikte wijzigingen tot 1907 zijn buiten beschouwing gelaten. ) . Bij KB van 7 november 1907 no. 21 kreeg de Commandant der Bereden Artillerie een geheel nieuwe instructie, die hem rechtstreeks onder bevel van de Commandant van het veldleger stelde. Verder behield hij goeddeels zijn bestaande taken en bevoegdheden ( Kabinet der Koningin, inv. nr. 5365. ) .5.2 1908-1921: twee Inspecteurs
Deze organisatie bleef tot en met 1908 gehandhaafd, verscheidene voorstellen tot wijziging ten spijt. Na uitvoerige discussies over de mogelijkheden en wenselijkheid van verschillende veranderingen werden bij KB van 7 augustus 1908 no. 44 o.m. vastgesteld de instructies van de Inspecteur-Generaal der Artillerie, de Inspecteur der Bereden Artillerie en de Inspecteur der Vesting Artillerie. Daaruit kon worden afgeleid, dat de vroegere Inspecteur der Artillerie nu de titel kreeg van Inspecteur-Generaal der Artillerie, terwijl de Commandanten der Bereden en Vesting Artillerie hun titulatuur zagen veranderen in Inspecteur.
Een groot deel van de bevoegdheden van de vroegere Inspecteur der Artillerie ging daarbij over naar de nieuwe Inspecteurs Bereden en Vesting Artillerie. Zo had de Inspecteur-Generaal geen rechtstreeks bevel of bestuur meer over artillerie-eenheden of -organisaties, maar slechts de taak om mee te werken aan de ontwikkeling van het wapen, de bevoegdheid tot het houden van inspecties, en de bevoegdheid om met name aan de Inspecteurs der Bereden en Vesting Artillerie inlichtingen te vragen.
De Inspecteur der Vesting Artillerie kwam rechtstreeks onder de minister te staan en was jegens deze verantwoordelijk voor het onder hem ressorterende personeel en materieel, te weten het hem toegevoegde personeel, de regimenten vestingartillerie, het korps Pantserfort-artillerie, het korps Torpedisten, de Instructiecompagnie, de Artillerie-Schietschool, de commandanten in de artilleriecommandementen, de Commissie van Proefneming, en de magazijnmeesters der artilleriemagazijnen op enkele uitzonderingen na. De instructie bepaalde, dat in geval van mobilisatie het bevel over linies en stellingen zou overgaan op de desbetreffende commandanten en dat de Inspecteur der Vesting Artillerie de functies zou aanvaarden, die de minister hem zou opdragen.
De Inspecteur der Bereden Artillerie stond in vredestijd rechtstreeks onder de commandant van het veldleger, met dien verstande, dat voorzover zijn bemoeienissen niet het veldleger betroffen, hij rechtstreeks onder de minister van Oorlog stond. Onder zijn bevel stonden het hem toegevoegde personeel, de Instructiebatterij, het Korps Pontonniers, de Voorzitter van de Remontecommissie der Bereden Artillerie, en de magazijnmeesters van die artilleriemagazijnen, waar in hoofdzaak materieel voor het veldleger was opgeslagen. Hij was bevoegd tot inspectie, in opdracht van de commandant van het veldleger, van de bereden artillerie-eenheden van het veldleger, en hield toezicht op het beheer van het artilleriematerieel van het veldleger. Bij mobilisatie zou de Inspecteur der Bereden Artillerie treden in de functies die hem door de minister zouden worden opgedragen ( KB 7 augustus 1908 no. 44, RM 1908 p. 641. ) . In deze constellatie was het accent duidelijk gelegd bij de Inspecteurs der Bereden en Vesting Artillerie, en bleef er voor de Inspecteur-Generaal weinig substantieels meer over. Toen de zittende Inspecteur-Generaal in 1909 zijn pensionering verzocht en ingaande 1 november verkreeg, stelde de minister van Oorlog aan de Koningin voor te proberen, of men het nadien ook zonder een Inspecteur-Generaal zou kunnen stellen. Voor dit experiment gaf de Koningin toestemming, waarmee de functie van het toneel verdween ( Kabinet der Koningin, inv. nr. 5534, brief van de Minister van Oorlog van 17.8.1909 no. Kabinet Litt. P 80, beantwoord bij brief van de Directeur van het Kabinet der Koningin van 1.9.1909 no. 22. De Roo van Alderwerelt, p. 110-112. ) . Volgens De Roo van Alderwerelt ( De Roo van Alderwerelt, p. 111, 112. ) behoorden de beide Inspecteurs in geval van mobilisatie tot het Algemeen Hoofdkwartier (AHK). Voor de Inspecteur der Bereden Artillerie is dit aantoonbaar: gedurende de mobilisatiejaren 1914-1918 trad hij op als hoofd van een afdeling van het AHK, in de archiefvorming aangeduid eerst als afdeling Inspecteur der Bereden Artillerie, later als afdeling Bereden Artillerie ( Zie inv. nrs. 639-643. ) . Uit de archiefvorming van de Inspecteur der Vesting Artillerie laat zich een overeenkomstige toestand vooreerst niet aflezen ( Het archief van het Algemeen Hoofdkwartier 1914-1918 berust nog bij het ministerie van Defensie. De samenstelling daarvan is mij onbekend. ) .5.3 1921-1940: Inspecteur (en Directeur)
De evaluatie van de Eerste Wereldoorlog veroorzaakte nieuwe discussies over reorganisatie van de artillerie, die in 1921 hun beslag kregen: bij KB van 27 oktober 1921 no. 45 werd bepaald, dat op 15 november van dat jaar de Inspecties der Bereden en der Vesting Artillerie samengevoegd zouden worden tot één Inspectie der Artillerie, met gelijktijdige instelling van de functie van Directeur van het Artilleriematerieel. Het KB stelde ook de instructies voor beide functies vast. Met deze reorganisatie werd min of meer de toestand uit de periode 1867-1876 hersteld ( Legerorders, wetten, besluiten, ministerieele beschikkingen, kennisgevingen en mededeelingen van belang voor de Nederlandsche Landmacht 1921 p. 518. Vanaf 1915 vormen de Legerorders de voortzetting van het Recueil Militair. De Roo van Alderwerelt, p. 113, 122-123. ) . De nieuwe Inspecteur der Artillerie werd gesteld onder het rechtstreekse bevel van de Commandant van het veldleger, met dien verstande, dat voorzover zijn bemoeienissen niet het veldleger betroffen, hij onder direct bevel van de minister van Oorlog zou staan. De Inspecteur voerde het bevel over zijn eigen staf, de regimenten bereden en vestingartillerie, het korps Pantserfort-artillerie, het korps Pontonniers, het korps Torpedisten, de instructiebatterij en de instructiecompagnie, de commandant van het Artillerie Schietkamp, de Oefeningsafdeling, de Scholen voor verlofsofficieren [= reserve-officieren] der Vesting- en Bereden Artillerie en de voorzitter der Remontecommissie. Hij was verantwoordelijk voor de naleving van regels en voorschriften, voor de mobilisatievoorbereiding, de bevordering van de gevechtswaarde van het wapen, de opleiding van personeel, de ontwikkeling van het schietwezen, en nader omschreven personele zaken. Hij had de bevoegdheid tot inspectie van de onder zijn bevel staande artillerie-onderdelen. Bij mobilisatie zou de Inspecteur gaan optreden als commandant van de artillerie van het veldleger.
De Directeur van het Artilleriematerieel werd gesteld onder direct bevel van de minister van Oorlog, en had onder zijn bevel zijn eigen staf, de commandanten der artilleriecommandementen, de magazijnmeesters en conducteurs der artillerie uitgezonderd die bij het ministerie en bij de Artillerie-Inrichtingen, en de Commissie van Proefneming. Zijn taak was de instandhouding, aanvulling, aanschaffing en de afvoer van artilleriematerieel, en het toezicht op het beheer daarvan. Bij mobilisatie werd de Directeur gerekend te behoren tot het AHK.
Tot Inspecteur werd benoemd generaal-majoor J.C.C. Tonnet, voorheen Inspecteur der Bereden Artillerie. De voormalige Inspecteur der Vesting Artillerie C.F. Gey van Pitius werd benoemd tot Directeur van het Artilleriematerieel ( Kabinet der Koningin, inv. nr. 6689, KB van 5 november 1921 no. 53. De Roo van Alderwerelt, p. 113, 122. Blijkens Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden 1929, 1930, 's-Gravenhage 1928, 1929, is de functie in 1929 herdoopt tot Directeur voor het Materieel der Landmacht. ) . De organisatie en taakstelling van de leiding van het wapen der artillerie bleef op deze voet gehandhaafd tot aan de Tweede Wereldoorlog.
Na mobilisatie, oorlog en capitulatie werd het Nederlandse leger, voorzover niet uitgeweken, geleidelijk opgeheven. Voor opgeheven onderdelen werden Afwikkelingsbureaus ingesteld, naderhand Regelingsbureaus geheten. Ook deze werden geleidelijk opgeheven, waarbij, voorzover de werkzaamheden nog niet waren beëindigd, het Afwikkelings- c.q. Regelingsbureau van de naast hogere eenheid deze overnam. Ook voor de Inspecteur der Artillerie werd zo'n Regelingsbureau ingesteld, waarin geleidelijk rest-taken, en daarmee archiefmateriaal, van bureaus van ondergeschikte eenheden terecht kwamen ( Inv.nr. 836, 1940/4444. ) .Opvolgings- en subordinatieschema van in de inleiding vermelde functies en functionarissen

Geschiedenis van het archiefbeheer
1 Inspecteur-generaal, grootmeester, commandant van het materieel, c.a. (1813-1844)
1.1 Archiefvorming
De archieven van de Inspecteur-Generaal (1814-1817), de Grootmeester resp. zijn Departement (1818-1840) en de Commandant van het Materieel (1841) zijn vanaf 11 juli 1815 in feite onder één en hetzelfde agendastelsel gevormd. Dit stelsel combineert eigenlijk twee registraturen: de registratuur van de archiefvormers in hun eigen competenties, èn de registratuur van de archiefvormers als adviesorgaan jegens het Departement van Oorlog.
Beide registraturen zijn te vinden in de agenda's. Daarin werden op de linkerbladzijden de ingekomen, op de rechter de uitgaande stukken geregistreerd, met resp. agendanummer, kenmerk van ingekomen stukken, afzender/geadresseerde, korte inhoud, en verwijzingen naar voorgaande en volgende correspondentie. Zowel aan de ingekomen als aan de uitgaande stukken werd een jaarlijks oplopende reeks agendanummers gegeven. Uitgaande stukken die antwoord gaven op ingekomen, werden ter rechterzijde in de agenda geregistreerd op dezelfde hoogte, als links de beantwoorde ingekomen stukken reeds stonden. Op de ingekomen stukken zelf werd datum van ontvangst en agendanummer van de registratie genoteerd, en, indien van toepassing, het nummer van de beantwoordende uitgaande brief. Op de minuten van uitgaande stukken werden aangetekend datum van redactie, agendanummer van registratie, plus de registratiekenmerken van de beantwoorde brief, indien van toepassing. Ingekomen en minuten van uitgaande stukken werden vervolgens in twee series, op jaar/agendanummer, opgelegd.
Naast agenda's werden indices bijgehouden, waarvan de hoofden grotendeels overeenkwamen met de correspondenten van de archiefvormers, maar waartussen ook bepaalde onderwerpshoofden zichtbaar zijn. Per indexhoofd geven de indices de dagtekening en eigen kenmerken, korte inhoud en agendanummer van registratie van de stukken. Ook de "adviescorrespondentie" (of een deel daarvan) werd in de indices opgenomen. Een aantal indices is bovendien voorzien van een concordantie van nummers van uitgaande brieven naar de nummers van daarbij beantwoorde ingekomen brieven. Op één na geven alle indices voorin een overzicht van de indexhoofden.
Tenslotte werden klappers op persoonsnaam bijgehouden, terwijl vermoedelijk in 1829 of 1830 over het tijdvak vanaf 1818 een onderwerpsklapper is aangelegd.
De "registratiemiddelen", ingekomen en uitgaande stukken vormen de hoofdzaak van de bovengenoemde archieven. Daarnaast bestonden (series) stukken, die vanwege hun bijzondere aard of inhoud afzonderlijk zijn opgelegd.
Op te merken valt, dat de archiefvorming volgens dit stelsel van de Commandant van het Materieel slechts één jaar, 1841, omvat, en dat de uit dat jaar overgebleven hoeveelheid ingekomen en uitgaande stukken slechts gering is. Uit de agenda van 1841 blijkt dan, dat het merendeel van de correspondentie van deze functionaris advies- en kennisnemingscorrespondentie met het Departement was. De reorganisaties van 1840/41, die hiervoor besproken zijn, en met name de inrichting van een afdeling artillerie bij het Departement, zullen daaraan ten grondslag liggen. Bovendien blijkt uit de agenda, dat er eigentijds het één en ander is vernietigd ( Inv.nr. 490. ) . Het is tenslotte aardig om te zien, dat agenda en index van de afdeling artillerie van het Departement uit 1844, die bij de archieven werden aangetroffen, goeddeels dezelfde systematiek volgen als vanaf 1815 hierboven is beschreven ( Inv.nrs. 491, 492. ) . De archiefvorming door de Inspecteur-Generaal voorafgaand aan 11 juli 1815 is aanzienlijk minder doorzichtig. Enkele uitzonderingen daargelaten, zijn geen ingekomen en uitgaande brieven meer aanwezig, wel enkele brievenboeken, maar in hoofdzaak registratiemiddelen, te weten agenda's en indices. Het blijkt, dat er parallel aan elkaar meerdere agenda's, naar "soorten" correspondentie, werden gehouden, en dat er vaste verbindingen te leggen zijn tussen agenda's en de eveneens bijgehouden indices. Steekproeven wezen uit, dat de in de agenda's geregistreerde ingekomen en uitgaande stukken te vinden zijn in het verbaalarchief van het Departement van Oorlog ( Ministerie van Oorlog 1813-1913. Zie noot 19. ) . Men krijgt zo de indruk, dat de Inspecteur-Generaal tot en met 10 juli 1815 eigenlijk functioneerde als een afdeling van het Departement, en wel op tweeërlei wijze: enerzijds behandelde de Inspecteur-Generaal de correspondentie ingekomen bij het Departement, die aldaar onder de agendarubriek "Artillerie" werd geregistreerd en aan de Inspecteur-Generaal doorgeleid, anderzijds is ook zijn "eigen" correspondentie, blijkens die steekproeven, in het Departementsarchief terug te vinden. Aan deze werkwijze kwam per 11 juli 1815 een abrupt einde: de "adviescorrespondentie" van/ aan het Departement en de "eigen" correspondentie werden toen gescheiden volgens de bovenstaande lijnen. Vermoed zou kunnen worden, dat de Inspecteur-Generaal tot die datum bureau hield op het Departement en beschouwd werd, althans functioneerde, als een afdeling van het Departement, maar dat hij per 11 juli eigen kantoorruimte heeft betrokken. In ieder ander geval is er sprake van organisatorische ingrepen, waarover ons tot dusverre niets bekend is geworden. Bij resp. in de hier besproken archieven werden aangetroffen:
- het archief van de commissie tot onderzoek van de wenselijkheid van oprichting van een gieterij van ijzeren geschut ( Inv.nr. 487. );
- gedeponeerd archiefmateriaal van het Departement van Oorlog ( Inv.nrs. 491, 492, 494. );
- gedeponeerd archiefmateriaal afkomstig van prins Frederik als bevelhebber van de Eerste Koninklijke Nederlandsche Mobiele Armée tijdens de veldtocht in België en Frankrijk zomer 1815 ( Inv.nrs. 363 en 498. Op de binnenzijde van de band van nr. 363 staat een potloodaantekening van "Van Dam v. I." (denkelijk: W.E. van Dam van Isselt, militair historicus met name betreffende de artillerie), dat de stukken betrekking hebben op het "artilleriecommando" van de prins tijdens de veldtocht. Vergelijking van de plaatsbepalingen in het stuk met het verloop van de veldtocht zoals geschetst in F. de Bas, Prins Frederik der Nederlanden en zijn tijd, deel III/2, Schiedam 1904, bevestigt de stelling over de herkomst. De Bas geeft verder op p. 1317 de hoedanigheid van de prins: bevelhebber van de Eerste Koninklijke Nederlandsche Mobiele Armée. );
- een agenda van ingekomen en uitgaande correspondentie betreffende artilleriezaken over het tijdvak december 1813 - februari 1814, waarvan het juiste verband met deze of andere archieven niet kon worden vastgesteld ( Inv.nr. 495. ).
1.2 Overdracht en inventarisatie
Dit complex archieven maakte deel uit van een veel groter conglomeraat, dat bekend staat als de Collectie Van Thielen. Deze collectie behelsde in minderheid archief van het ministerie van Oorlog zelf, in meerderheid archieven van onder het ministerie ressorterende organen.
Op het ARA werd de gehele collectie globaal geïnventariseerd door M.D. Lammerts, wiens inventaris in 1948 verscheen ( M.D. Lammerts, Inventaris van de collecties van het Ministerie van Oorlog 1795-1844, Den Haag 1948 (gestencild), codenummer 2.13.13, voorwoord van D.P.M. Graswinckel. ) . De archieven van Inspecteur-Generaal, Grootmeester en Commandant van het Materieel, plus de aanhang, werden daarbij beschouwd als archief van de Grootmeester. Hoewel de inventaris van Lammerts een grote verbetering was ten opzichte van de ontsluitingstoestand bij overbrenging, bleef de ontsluitende waarde ervan beperkt was: van het bestand "Grootmeester" over het tijdvak van 1815 tot 1840 waren de ingekomen stukken, 247 portefeuilles, en de uitgaande stukken, 96, ieder beschreven in één regeltje ( Lammerts, Grootmeester, inv.nrs. 1-247 en 266-361. ) . Verbindingen van de stukken naar de registratiemiddelen werden niet aangegeven, en de gecompliceerde archiefvorming van de Inspecteur-Generaal van voor 11 juli 1815 werd verzwegen. De omvang van het bestand was sinds 1948 50,75 m', verdeeld over 492 inventarisnummers.2 De overige archieven
2.1 Vorming, schoning en eerste overdrachten
Ook de andere archieven die in deze inventaris figureren, zijn gevormd onder een agendastelsel, d.w.z. dat ingekomen en uitgaande stukken werden opgelegd op het agenderingsnummer. In de agenda's treffen we namelijk verwijzingen aan van het ene naar het andere stuk. Dat hulpmiddel, én de in sommige bestanden aangetroffen indices en klappers, verzorgden eigentijds de toegankelijkheid van de archiefstukken. Daarbij werden verschillende reeksen stukken èn bijbehorende agenda's onderscheiden, deels naar classificatie, deels naar onderwerp van de ingekomen en uitgaande stukken. Zo vinden we reeksen "Algemeen", "Geheim", "Persoonlijk", "Zeer Geheim", "Vertrouwelijk", "Vertrouwelijk Geheim", "Persoonlijk-Vertrouwelijk", "Geheim-Persoonlijk", "Materieel", "Mobilisatie", "Defensie", "Raad van Defensie", "Officieren", "A" (= personele aangelegenheden), "Verzoeken". Daarbij deden zich verschillende complicaties voor. Zo kwam het voor dat het opschrift op een agenda, b.v. "Geheim", niet correspondeert met het registratiekenmerk dat op de stukken werd aangebracht, bestaande uit een nummer en een lettersignatuur, bv. "V" van Vertrouwelijk. Ook kwam het voor, dat de titulatuur in de reeks agenda's verandert, terwijl het registratiekenmerk op de stukken hetzelfde blijft.
De zo gevormde reeksen agenda's en bijbehorende stukken werden door de archiefvormers aangeduid als hun "algemeen archief", "geheim archief", "defensie-archief" e.d. Uit het bewaard gebleven materiaal blijkt verder, dat reeds onder het beheer van de archiefvormer c.q. een taakvolger, aanzienlijke hoeveelheden archiefmateriaal zijn "opgeruimd", d.w.z. vernietigd. Zo is in 1925 het "algemeen en verzoekenarchief 1901-1913" en in 1931 het "vertrouwelijk archief 1873-1921", en het "algemeen en verzoekenarchief 1914-1921" van de Inspecteur der Vesting Artillerie vernietigd, na instemming van de Algemene Rijksarchivaris. Andere archiefgedeelten, waarvan de toenmalige Inspecteur der Artillerie eveneens meende dat zij konden worden "opgeruimd", bleven vooralsnog behouden. Hoewel de minister bepaalde, dat deze te bewaren archiefdelen bij de Inspecteur der Artillerie zouden blijven berusten, werden zij in 1932, ingevolge KB van 4 maart 1932 no. 31, overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief. Enkele jaren later blijkt, dat de Inspecteur zijn eigen archief over het tijdvak 1922-1924 wilde "opruimen", maar daartegen maakte de Algemene Rijksarchivaris bezwaar. Hij moest wel erkennen, dat voor onderbrenging in het Algemeen Rijksarchief de plaats ontbrak ( Inv. nr. 720 (1925/4364), 803 (1931/3923), 805 (1931/6509), 821 (1935/2331). VROA, tweede serie no. V (1932), 's-Gravenhage 1933, p. 22. ) . Onder de titel Het archief van de inspectie der vestingartillerie werden bestanddelen van de archieven van enkele Artilleriedirecties (looptijd 1838-1865), de Directeur van het Materieel (1867-1876), de Inspecteur van het Materieel (1877-1878) en de Inspecteur(-Generaal) der Artillerie (1880-1900) beschreven. Uit de inventaris blijkt niet, dat er archiefstukken van de Inspecteur der Vesting Artillerie tussen zaten. In de toelichting bij de inventaris werd vermeld, dat tevoren met machtiging van de minister van Oorlog de meeste stukken, welke het personeel der artillerie betroffen, waren vernietigd ( VROA 1920 deel I p. 563. Op een aantal agenda's in het huidige bestand komt nog het etiket voor met het inventarisnummer van deze toegang. ) . De inventaris geeft verder bij het archiefmateriaal van de Inspecteur(-Generaal) der Artillerie (1878-1909) onder de nrs. 100-146 een hoeveelheid "dossiers", die sindsdien als zodanig verdwenen zijn. Vermoed kan worden, dat het hier onderwerpsgewijze bundels stukken betreft, die losgeraakt of losgemaakt zijn uit de oorspronkelijke archieforde volgens het agendastelsel.
2.2 Terugkeer naar Defensie en herbewerking
Bij proces-verbaal van 1 augustus 1948 is archiefmateriaal, dat reeds op het ARA berustte, geretourneerd aan het Archief van de Koninklijke Landmacht (voortaan: Archief KL) te 's-Gravenhage. Het materiaal werd omschreven als "archieven van de Inspecteur der Artillerie, de Directeur van de Rijschool, en bestanddelen van het archief KMA". Het proces-verbaal bepaalt uitdrukkelijk, dat de toenmalige orde van het materiaal gehandhaafd diende te blijven ( Algemeen Rijksarchief, Archief van de Tweede Afdeling 1937-1982, Den Haag 1984, codenummer 2.14.04, inv.nr. 35, proces-verbaal nr. B 397 dd. 1 augustus 1948, opgelegd als D 231. ) . Verondersteld mag worden, dat de bedoeling van deze retourzending was, het archiefmateriaal "Chefs der Artillerie" te completeren met nog niet overgedragen bestanden, het geheel te schonen en te ontsluiten, en als één geheel definitief over te dragen. Dat is althans wat er is gebeurd. Na afloop bleek het bestand, onder de naam "Inspectie der Artillerie", tevens te bevatten (een deel van) het archief van de afdeling (Inspecteur der) Bereden Artillerie van het Algemeen Hoofdkwartier (1914-1918), alsook verscheidene commissie-archieven en de archieven van de School voor Reserve-officieren der Bereden Artillerie, van de School voor Reserve-officieren der Vesting (later: Onbereden) Artillerie, en van de Rijschool der Bereden Artillerie. Op welk tijdstip deze archieven aan het bestand zijn toegevoegd, is niet duidelijk.
De bewerking bestond ruwweg uit drie behandelingen: schoning, herordening en ontsluiting.
Welke criteria bij de schoning zijn toegepast is onbekend. Duidelijk is wel, dat slechts een fractie van het oorspronkelijke materiaal bewaard is gebleven. In het merendeel der agenda's werd aangetekend, welke stukken bij de selectie niet werden aangetroffen, welke voor vernietiging werden geselecteerd, en welke voor bewaring in aanmerking werden gebracht. In enkele agenda's werden eveneens aantekeningen geplaatst over de feitelijke vernietiging, waaruit blijkt dat reeds in 1935 en 1940 materiaal is vernietigd ( Inv.nrs. 660 e.v. Verondersteld wordt, dat deze notities betrekking hebben op archiefdelen, die toen nog niet waren overgedragen. ) . Een los in een agenda aangetroffen notitie meldt voorts, dat "het geheim archief" van de Inspecteur der Vesting Artillerie werd vernietigd krachtens machtiging van het ministerie van Defensie van 10 december 1951 IIe Afd. B no. 17. Aangezien een gedeelte van dit materiaal toch werd aangetroffen, mag worden verondersteld, dat hierbij slechts het voor vernietiging geselecteerde materiaal was betrokken ( Inv.nr. 591 agenda 14 april 1920 - 23 mei 1921. ) . Bij de herordening werd de door de oorspronkelijke archiefvormers gehanteerde indeling van hun archief in een "persoonlijk", "algemeen", "geheim" enz. "archief" gehandhaafd. De bewerkers vergrootten de verwarring door in enkele gevallen overeenkomende categorieën van de ene archiefvormer met die van een andere te verenigen. Zo ontstonden blokken agenda's en bijbehorende stukken, die naar de aard van hun classificatie of onderwerp werden benoemd met een lettercodering. Deze codering was voor agenda's en andere toegangen enkelvoudig, voor de bijbehorende stukken dubbel. De codering werd gevolgd door een, binnen iedere reeks oplopend, volgnummer.
Zo ontstonden de reeksen
| agenda's |
|
stukken |
|
"archief" |
| Mat 1-25 |
en |
MatMat 1-5 |
voor |
Materieel |
| Mob 1, 2 |
en |
MobMob 1 |
voor |
Mobilisatie |
| D 1, 2 |
en |
DD 1-11 |
voor |
Defensie |
| A 1-45 |
- |
- |
voor |
Algemeen |
| A 1-49 |
en |
AA 1-43 |
voor |
Algemeen |
| AG 1-29 |
en |
AGAG 1-10 |
voor |
Algemeen en Geheim |
| AG 1-42 |
en |
AAGG 1-44 |
voor |
Algemeen en Geheim |
| Vz 1 |
- |
- |
voor |
Verzoeken |
| ZG 1 |
en |
ZGZG 1 |
voor |
Zeer Geheim |
| G 1, 2 |
- |
- |
voor |
Geheim |
| G 1-4 |
en |
GG 1-15 |
voor |
Geheim |
| P 1-6 |
en |
PP 1-10 |
voor |
Persoonlijk |
| PV 1 |
en |
PVPV 1, 2 |
voor |
Persoonlijk [en/of] Vertrouwelijk |
| V 1 |
- |
- |
voor |
Vertrouwelijk |
| C 1 |
en |
CC 1-10 |
voor |
Commissiën |
| - |
- |
II 1 |
voor |
Inlichtingendienst |
| OV 1 |
- |
- |
voor |
Ontslag en Vrijstelling |
| RB 1-4 |
- |
- |
voor |
Afwikkelingsburelen |
Tenslotte werden aan deze onderdelen benamingen meegegeven als "Inspectie der Artillerie, Materieel Archief van" resp. "Mobilisatie Archief van" resp. "Algemeen Archief van [gevolgd door de naam van de werkelijke of vermeende archiefvormer]". Het hele bestand moest benaderd worden met "inventarisnummers" als "D 1", "MatMat 2", "AG 3", "AAGG 4" enz.
Behalve op dit "macroniveau" vond ook herordening plaats op "microniveau". Oorspronkelijk afzonderlijke agendanummers betreffende één zaak of onderwerp werden bijeengevoegd tot bundels, doorgaans qua looptijd beperkt tot één kalender- (= agenda-)jaar, in enkele gevallen echter met een langere looptijd. Zo ontstonden omslagen, die doorgaans als kenmerk meekregen jaar en het laagste in dat omslag voorkomende agendanummer. In de agenda's werd veelal aangetekend welke hogere agendanummers naar dit lagere omslagnummer werden overgeheveld. De omslagen werden voorzien van het "inventarisnummer" waartoe zij behoorden (derhalve codes als "DD 12", "AGAG 14" enz.), hun jaar en omslagnummer, in afkorting de naam van de vormer van het archief waartoe de stukken behoorden (of geacht werden te behoren), en een korte inhoudsomschrijving, doorgaans gebaseerd op de inhoudsomschrijvingen in de agenda's.
Het gehele bestand werd ontsloten door "inventarissen" en "bijlagen. De "inventarissen" volgden de "macro-herordening" per koppel van enkelvoudige (voor agenda's) en meervoudige (voor stukken) codering, waarbij per "inventarisnummer" werd aangegeven de looptijd van de agenda's dan wel ja(a)r(en) plus eerste en laatste omslagnummer van de stukken. In sommige gevallen werd de looptijd van één agenda gegeven in twee dateringen (jaar-maand-dag tot jaar-maand-dag), in andere gevallen in meerdere dateringen, per hele jaren. Aangezien sommige agenda's een individueel "inventarisnummer" hadden, maar andere met vier of vijf in één doos onder één "inventarisnummer" waren weggeborgen, leidde de inconsequente weergave van looptijden tot misverstand over het aantal delen, dat onder één inventarisnummer mocht worden verwacht.
De "bijlagen" gaven inhoudsspecificaties van de bij de "micro-herordening" gevormde omslagen, waarbij kolomsgewijs werden weergegeven "inventarisnummer", "agendanummer" (waarmee werd bedoeld omslagnummer) in oplopende reeks en eventueel voorzien van aan de oorspronkelijke registratuur ontleende signaturen, jaar, korte inhoud en "kenmerk" (waarmee werd bedoeld materiële omschrijving als "stuk", "bundel" of "dossier").
"Inventarissen" en "bijlagen" werden getypt op buitenmodel losse bladen halfkarton, die in twee klembanden werden verenigd. Enigerlei toelichting ontbrak; slechts een weinig helder schema over naast elkaar, hiërarchisch ondergeschikte resp. elkaar opvolgende archiefvormende organen werd meegeleverd.
Het materiaal werd, na overdracht van het CAD, ondergebracht bij het hulpdepot van de Rijksarchiefdienst te Schaarsbergen. Na het gereedkomen van het nieuwe gebouw van het Algemeen Rijksarchief en de verhuizing van "Schaarsbergen" naar Den Haag, 1980, werden de twee onderdelen als elkaars complementen herkend en herenigd en onder één, vanaf 500 oplopende nummering gebracht, met het oog op een toekomstige aansluiting aan het bestand "Grootmeester". De bij het bestand behorende toegang was door zijn formaat dermate onhandig en inhoudelijk zo raadselachtig, dat deze niet in de studiezaal beschikbaar werd gesteld. Derhalve heette het bestand "niet ontsloten". Het omvatte 41,5 m'.
De verwerving van het archief
Het archiefblok bevat archiefstukken onder verschillende rechtstitels verworven.
De collectie Van Thielen werd in 1905 door het ministerie overgedragen aan het toenmalige Algemeen Rijksarchief (ARA). Zij ontleende haar naam aan de ambtenaar, die de bij overdracht meegeleverde "lijsten" had vervaardigd ( Deze lijsten zijn bewaard gebleven en bevinden zich thans in het bestand vervallen toegangen van de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief, onder codenummer 2.13.04. De "toegang" op het archief van de Grootmeester stelt niet meer voor dan de mededeling, dat dat archief in de overdracht was betrokken, en dat het zich onmiddellijk voorafgaand aan de overdracht bevond bij het Krijgsgechiedkundig Archief van de Generale Staf. Voor de overdracht zie Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, Archief van het Algemeen Rijksarchief 1800-1940, (codenummer 2.14.03), inv.nrs. 130 en 132, correspondentie van de Algemene Rijksarchivaris met het Ministerie van Oorlog, ingekomen brieven agendanrs. 99, 140, uitgaande brieven agendanrs. 28, 101, 132. In de Verslagen omtrent 's Rijks Oude Archieven (VROA) XXVIII, 1905, Den Haag 1906, wordt de aanwinst niet vermeld. ) . Uit de stukken blijkt verder, dat in 1931 delen van de hierna beschreven archieven reeds bij het Algemeen Rijksarchief berustten, daar terechtgekomen via het Krijgsgeschiedkundig Archief van de Generale Staf. Dat zal betrekking hebben op het materiaal, dat op 10 augustus 1920 aan het toenmalige Algemeen Rijksarchief werd overgedragen en waarvan in het jaarverslag over 1920 een inventaris verscheen.
Het hoofdbestanddeel van het materiaal werd in 1974 door het Centraal Archieven Depot (CAD) van het ministerie van Defensie, de taakvolger van het Archief van de Koninklijke Landmacht, definitief overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief, in de toestand die de voorgaande bewerkers hadden geschapen. Een klein deel was al eerder, in 1956, in beheer van het Algemeen Rijksarchief gekomen, als onderdeel van een groter complex van archieven van de Landmacht ( Tweede Afdeling, inv.nr. 91, 1974 no. D 9.19. VROA tweede serie XXVIII (1956) p. 28, en ongenummerd proces-verbaal van overdracht van november 1956. De feitelijke overbrenging in 1956 vond plaats op 13 of 16 november. ) . Bij verklaring van overdracht van 24 maart 1986 droeg het CAD over 0,75 m' archiefmateriaal van onderscheiden artillerie-eenheden, de Artillerie-Schietschool, één artillerie-commissie en de zgn. collectie-Hartmans.
Inhoud en structuur van het archief
Inhoud
Over de volledigheid van het bestand "Chefs der Artillerie" kan samenvattend het volgende worden gesteld:
- De archieven van de Inspecteur-Generaal (1814-1817) en de Grootmeester zijn zeer goed overgeleverd.
- Het archief van de Commandant van het Materieel bestrijkt slechts het jaar 1841, terwijl de functie, althans in theorie, heeft bestaan tot in 1843. Van het archiefmateriaal uit de jaren 1842 en 1843 is op dit moment niets bekend.
- De archieven van de Commandant van het Personeel 1841-1852 en dat van de Inspecteur der Artillerie 1852-1876 zijn in hun geheel "zoek".
- Van de archieven van de zes Artilleriedirecties zijn slechts fragmenten van de eerste, tweede en vierde directie overgebleven. Van het overige ontbreekt vooralsnog ieder spoor ( Er wordt op gewezen, dat de Artilleriedirecties van zes in 1815 tot twee in 1843 werden teruggebracht. Daardoor zal het ressort van de eerste directie in 1815 een geheel ander zijn dan dat van de eerste directie in 1843. Vanwege de geringe hoeveelheid overgebleven materiaal is afgezien van een indeling van de onderscheiden directies naar periode. ).
- Het archief van de Inspecteur der Artillerie (1878-1908) is in zijn eerste jaren lacuneus. Naarmate de tijd voortschrijdt, wordt het archief vollediger. Uiteraard heeft reguliere vernietiging zijn sporen nagelaten.
- Voor de archieven van de Commandanten der Bereden en Vesting Artillerie geldt m.m. hetzelfde.
- De archieven zijn in hun 20e-eeuwse componenten redelijk volledig, reguliere vernietiging daargelaten. Omtrent de volledigheid van het archiefmateriaal van de Regelings-/Afwikkelingsbureaus bestaat op dit moment geen gefundeerde opinie.
Selectie en vernietiging
Uit het archief zijn bij deze bewerking slechts vernietigd dubbelen van kaarten waarvan hiervoor sprake was, alsook los aangetroffen exemplaren van enkele rapporten, die reeds in het archief aanwezig bleken. Criteria voor verdere schoning kunnen vermoedelijk ook pas worden bepaald wanneer duidelijk is, welke archieven van het ministerie van Oorlog/Defensie en zijn onderhorigheden wel en niet zijn bewaard.
Aanvullingen
Het archief van de Directeur van het Artilleriematerieel berust nog bij het CAD, in het bestand "Directeur Materieel Koninklijke Landmacht 1915-1969" ( CAD, depotoverzicht 1984, volgnummer 208, administratief nummer 113. ) . Daarin kunnen ook restanten van één of meer van de hier beschreven archieven verscholen liggen. In de praktijk komt af en toe uit een Defensie-hoek of -gat ineens wat archiefmateriaal tevoorschijn, dat aan bestanden in beheer bij de Rijksarchiefdienst kan worden toegevoegd. De voortgang van de overbrenging door het ministerie van Defensie van archieven, waarvan de overbrengingstermijn is verstreken, geeft eveneens reden voor de gedachte, dat deze inventaris niet de definitieve zal zijn.
Verantwoording van de bewerking
Bij verklaring van overdracht van 24 maart 1986 droeg het CAD over 0,75 m' archiefmateriaal van onderscheiden artillerie-eenheden, de Artillerie-Schietschool, één artillerie-commissie en de zgn. collectie-Hartmans. In het conglomeraat "Landmachtarchieven tot 1940" berustend bij het Algemeen Rijksarchief ( Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, Archieven van de Koninklijke Landmacht, c. 1850 - c. 1940 (LM-nummers), 's-Gravenhage, 1983, codenummer 2.13.45. ) bevond zich reeds een ouder deel van het archief van de Artillerie-Schietschool, zodat werd besloten deze twee delen bijeen te brengen. Ook de archieven van artillerie-commissies, die door voorganger(s) van het CAD aan het bestand "Inspectie der Artillerie" waren toegevoegd, werden in het bestand "artillerie-eenheden" ondergebracht. Hetzelfde gebeurde met de archieven van de hiervoor genoemde artillerie-scholen. Ook een fragment van het archief van een artilleriemagazijn, dat werd aangetroffen in het bestand "Landmachtarchieven voor 1940" tussen stukken afkomstig van de Directeur der Centrale Magazijnen van Militaire Kleding en Uitrusting, werd bijgeplaatst. Op die manier werd 2,5 m' materiaal toegevoegd aan de 0,75 die in 1986 was overgedragen ( Zie Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, "Plaatsingslijst van archieven van Artillerie-eenheden, -commissies en -magazijn van de Koninklijke Landmacht, alsmede van de collectie-Hartmans, 1851-1940", door drs. H.H. Jongbloed en P. Kloosterboer, Den Haag 1988, codenummer 2.13.60. ) . Deze exercitie vestigde weer eens de aandacht op het bestand Inspecteur der Artillerie. Daaraan viel onmiddellijk op, dat het met zijn eigenaardige "inventarisnummers" niet echt handig ontsloten was. Dat gold temeer, omdat het bestand "Inspecteur der Infanterie", dat door het Archief KL of opvolgers op overeenkomstige wijze was toegetakeld, er pal naast stond. Daardoor stond krap 100 m' archief bijeen, dat wemelde van (bij wijze van spreken) "AGAG" en "WW", en waarin eigenlijk niemand goed de weg wist. Zo ontstond het voornemen, het bestand "Inspectie der Artillerie", met gebruikmaking van de reeds bestaande toegangen, beter te ontsluiten.
De eerste verkenning in het bestand leverde tal van interessante conclusies op. Behalve de opzettelijke bijna-vermenging, naar classificatie of onderwerp, van bestanddelen van verschillende archiefvormers bleek, dat het onderscheid tussen twee gelijknamige, maar in de tijd duidelijk gescheiden functionarissen "Inspecteur der Artillerie" niet was gemaakt ( Inspecteur der Artillerie 1878-1908 en Inspecteur der Artillerie 1921-1940. ) ; dat archiefvormers in enkele gevallen niet juist waren gesignaleerd ( Zie b.v. inv.nrs. 516-523. ) ; dat in meerdere gevallen van twee overduidelijk separate reeksen agenda's en bijbehorende klappers één reeks was gemaakt ( Zie inv.nrs. 531-576, 904, 905; inv.nrs. 646, 647. ) ; dat stukken van de ene archiefvormer aan de andere waren toegeschreven ( Zie inv.nr. 903. ) ; dat (reeksen) stukken en (reeksen) agenda's foutief met elkaar in verbinding waren gebracht ( Zie inv.nrs. 590, 591, 595-599. ) ; dat agenda's en stukken van een signatuur waren voorzien, die niet klopte met de oorspronkelijke registratuur ( Inv.nrs. 651-659. ) ; dat ingekomen stukken afkomstig van de Inlichtingendienst en eigentijds normaal geregistreerd, door het Archief KL als een afzonderlijk "archief" van een nimmer bestaand hebbende "dienst" waren opgevat ( Zie inv.nrs. 636, 643. ) ; dat indices waren beschreven als agenda's ( Inv.nrs. 502, 503. ) ; dat in de reeks "RB" behalve agenda's van regelings- en afwikkelingsbureaus ook agenda's van reguliere artillerie-eenheden, daterend van vòòr de capitulatie, waren ondergebracht ( Deze werden alsnog overgebracht naar de aangehaalde toegang op archieven van artillerie-eenheden, zie noot 66. ) ; dat ongeagendeerde stukken bij het archief waren gevoegd, met een "beschrijving" op het etiket van de doos, maar niet in de inventaris ( Zie inv.nr. 909. ) , en dat op dezelfde wijze een collectie-Fabius was verdonkeremaand ( Zie inv.nrs. 860, 861, 909 en 910. ) . Besloten werd tot een herziening van de ontsluiting op basis van de volgende uitgangspunten:
- herordening volgens archiefvormers;
- vervanging van de "AGAG-" en "WW-"nummers door ordentelijke inventarisnummers;
- controle van de verbindingen tussen stukken en registratiemiddelen en herstel van daarbij blijkende fouten;
- integrale controle op volledigheid aan de hand van de "bijlagen" bij de toegang van het Archief KL ( Voor niet meer aangetroffen bescheiden, die door de vorige bewerker nog wel werden opgevoerd, zie de bijlage. );
- beschikbaar maken van die "bijlagen" voor raadpleging;
- toevoegen van een inleiding en gebruiksaanwijzing;
- handhaving van de geldende doos/deelnummering.
Door een betere doosvulling kon 41/2 m' ruimtewinst worden bereikt.
Vervolgens werd besloten om de archieven van Chefs der Artillerie in de collectie Van Thielen toe te voegen en zo één bestand "Chefs der Artillerie" te vormen. Op basis van enige verkenning bleek, dat ook dit materiaal met betrekkelijk eenvoudige middelen tot een betere ontsluiting kon worden gebracht. Uitgangspunten voor deze bewerking werden:
- herordening volgens archiefvormers;
- herstel van verloren verbindingen tussen stukken en registratiemiddelen;
- ontsluiting van grote (in de inventaris in één regel weergegeven) reeksen op het niveau van portefeuille of deel;
- toevoegen van inleiding en gebruiksaanwijzing;
- handhaving van de bestaande portefeuille/deelnummering.
Uit de oorspronkelijke twee bestanden is een veel groter aantal archieven tevoorschijn gekomen. Deze zijn in principe gerangschikt naar volgorde van optreden op het historische toneel. Op deze regel, en op de inrichting naar archiefvormers, zijn enkele uitzonderingen gemaakt.
Het archief van de Grootmeester volgt direct op dat van de Inspecteur-Generaal, omdat beide archieven, gegeven de institutionele geschiedenis, naadloos in elkaar overgaan. De naadloze opvolging der archiefvormers, en de volstrekt identieke archiefvorming, hebben ertoe geleid, dat meerdere series bijzondere stukken niet meer goed naar archiefvormer kunnen worden gescheiden. In dergelijke gevallen zijn de stukken toegerekend aan het archief van de Grootmeester, en zijn verwijzende NB's geplaatst bij de Inspecteur-Generaal.
De archieven van de Commandanten, later Inspecteurs der Bereden resp. Vesting Artillerie zijn niet gescheiden op het jaar 1908, omdat de archiefvorming, zowel in de agenda's als in de stukken, geen breuk vertoont.
Het archief van de Inspecteur-Generaal 1908-1909 is niet afgescheiden van dat van zijn voorganger, de Inspecteur 1878-1908, in verband met de korte levensduur van deze functie en het feit, dat van het archief slechts een minieme hoeveelheid is overgebleven.
Het archief van de Commissie tot onderzoek van de wenselijkheid van oprichting van een gieterij van ijzeren geschut (1841) is niet overgeheveld naar het bestand "Artillerie-eenheden", waar alle overgedragen archieven van andere artillerie-commissies zijn geplaatst ( Zie noot 66. ) . Het archief van deze commissie kwam pas laat tevoorschijn, toen de toegang bij het bestand "Artillerie-eenheden" reeds geruime tijd was afgesloten. De wenselijkheid van consequente plaatsing woog niet op tegen de met de aanpassing van dat bestand en de bijbehorende toegang gemoeide tijd. De archiefstukken van artillerie-eenheden daterend van vòòr de capitulatie, die als gevolg van de werkzaamheid der Afwikkelings- resp. Regelingsbureaus in het bestand "Inspecteur der Artillerie" zijn terechtgekomen, zijn overgebracht naar het bestand "Artillerie-eenheden", toen dat nog in bewerking was ( Idem. ) . In deze inventaris zijn alleen opgenomen de stukken afkomstig van het Afwikkelings-/Regelingsbureau van de Inspecteur der Artillerie, en de daarin gedeponeerde stukken van lagere Afwikkelings-/Regelingsbureaus. In enkele gevallen is de agenda van de oorspronkelijke artillerie-eenheid voortgezet door het Afwikkelings-/Regelingsbureaus. Deze stukken zijn, krachtens hun laatste functie, eveneens hier opgenomen. De stukken afkomstig van prins Frederik als bevelhebber van de Eerste Koninklijke Nederlandsche Mobiele Armée, alsook de stukken behorend tot het archief van het Departement van Oorlog, zijn vooralsnog in dit bestand gelaten. Overbrenging naar een volgens het bestemmingsbeginsel juiste(re) plaats zou de revisie van de bestanden en toegangen van bestemming met zich brengen, hetgeen in verhouding tot het beoogde doel teveel tijd zou kosten.
Het archief van de afdeling (Inspecteur der) Bereden Artillerie van het Algemeen Hoofdkwartier 1914-1918 is van het bestand "Chefs der Artillerie" losgemaakt om het te zijner tijd toe te voegen aan het archief van het Algemeen Hoofdkwartier. Dat berust nog bij het CAD, maar staat op de nominatie voor overdracht.
De "collectie-Fabius" kan worden beschouwd als een "bureau-archief". G. Fabius was artillerie-officier en in de jaren '30 werkzaam in het bureau van de Inspecteur der Artillerie.
Van een aantal stukken kon het juiste verband met één van de hier beschreven archieven niet worden vastgesteld. Het betreft:
- een register van correspondentie betreffende artillerie-aangelegenheden uit het tijdvak december 1813 - februari 1814 (inv.nr. 495), en
- tekeningen, kaarten en één verslag betreffende een buitenlandse dienstreis, die alle los achter het bestand "Inspectie der Artillerie" werden aangetroffen (inv.nrs. 911-918).
Deze stukken zijn in een aparte categorie samengebracht. Voor de kaarten en tekeningen geldt, dat dubbele exemplaren werden verwijderd, het overige in beheer gegeven bij de Afdeling Kaarten en Tekeningen van het Algemeen Rijksarchief. R. Haubourdin verzorgde de beschrijving ervan. Deze blijven wel gewoon toegankelijk via deze inventaris.
Onder de rubriek oude toegangen zijn tenslotte ondergebracht de nu vervallen toegang van het Archief KL en de summiere index in de vorm van een kaartsysteem, die bij deze toegang behoorde.
De nummering van de hoofd- en verzamelbeschrijvingen loopt niet parallel op met de volgorde van die beschrijvingen in de inventaris. Een parallel oplopende nummering vereist hernummering van de archiefbestanddelen en hun beschrijvingen. Dat is arbeidsintensief. De verwachting, dat deze archieven in de toekomst aanvulling zullen ondergaan, en dat onderdelen, die nu nog in het bestand zijn gehandhaafd, daaruit mogelijk in de toekomst zullen worden verwijderd, was één reden voor de hier toegepaste handelwijze. Men kan zich echter ook afvragen of die hernummering in andere gevallen wel zinvol is, dan wel of het daarmee gemoeide werk in goede verhouding staat tot de verbetering van ontsluiting of vindbaarheid. De enige bijdrage van deze hernummering is de (bedrieglijke) suggestie, dat archief en inventaris "af, klaar en volledig" zijn.
Bij deze bewerking is daarom als uitgangspunt genomen, dat de bestaande nummering van de bestanddelen zo veel mogelijk gehandhaafd zou blijven. De voordelen daarvan liggen voor de hand. Naast werkbesparing bestaat het voordeel, dat een supplement kan worden genummerd aansluitend op het reeds aanwezige bestand. Daarmee vervalt in principe ook de noodzaak om oorspronkelijk bestand èn supplement bij elkaar te plaatsen: een goede depotadministratie kan uitwijzen, dat de nrs. 1-250 van één archief hier, en de nrs. 251-576 elders staan. Dit bestand "Chefs der Artillerie" staat op dit moment materieel ook op twee verschillende plaatsen in de depots opgesteld. Bij suppletie kan dan worden volstaan met het plaatsen en nummeren van het supplement en met aanpassing van de toegang voor het aanvullende materiaal. De werkbesparing strekt zich daardoor ook naar de toekomst uit.
De methodiek van a-parallellie tussen inventarisbeschrijvingen en inventarisnummers is alleen toepasbaar onder voorwaarden:
- per bestanddeel en bijbehorende inventarisbeschrijving mag slechts één nummer worden gehandhaafd. Samenvoeging van bij elkaar behorende bescheiden, die op verschillende plaatsen worden aangetroffen, dient dus wel te gebeuren, onder één van de oorspronkelijke nummers. Dat daardoor "tussenliggende" nummers komen te vervallen is geen ramp, gezien de volgende voorwaarde;
- aan de inventaris moet een nummerlijst in lineair oplopende volgorde worden toegevoegd, die per nummer aangeeft de pagina en/of indelingsrubriek van de inventaris, waarin het nummer zich bevindt, dan wel het gegeven, dat een nummer niet (meer) in gebruik is. Deze lijst is aan de navolgende inventaris toegevoegd als bijlage;
- de toepassing van deze methodiek moet in de inleiding worden verantwoord;
- de consequenties van de methodiek voor het gebruik van de betreffende toegang dient in de inleiding te worden uitgelegd.
In de onderhavige inventaris deed zich de complicatie voor, dat in meerdere gevallen twee reeksen stukken min of meer toevallig dooreen gemengd waren. Zo bevonden zich in de nummers 660-701 zowel agenda's (660-665, 667-670, 672-674, 676-680, 683-685, 687-691, 693-695, 698-700) als klappers op die agenda's (666, 671, 675, 681, 682, 686, 692, 696, 697, 701). Bij de weergave van een nummerreeks van een verzamelbeschrijvingen geeft dat een probleem. Dat is opgelost door, in het gegeven voorbeeld, de nummerreeks 660-700 voor de agenda's en 666-701 voor de klappers te stellen tussen sterretjes (*), ter indicatie van het feit, dat niet alle tussenliggende nummers tot die ene reeks horen, maar dat een andere reeks ook tussenliggende nummers in beslag neemt.
Aan de inventaris zijn toegevoegd 24 bijlagen. Bijlagen 1 en 2 geven, al dan niet cumulatief en becommentarieerd, overzichten van hoofden van indices van de archieven Inspecteur-Generaal, Grootmeester, Commandant van het Materieel, en afdeling Artillerie van het Departement van Oorlog. Bijlagen 1 en 2 hebben betrekking op meerdere inventarisnummers, waarvan de indexhoofden zijn gecumuleerd. Kleinere redactiewijzigingen (b.v. enkel-/meervoud, benamingsvarianten) in het indexhoofd zijn aangegeven tussen haken. Bijlage 3 geeft een overzicht van de trefwoorden, die in de trefwoordenklapper over 1818-1829 op de agenda's van het archief van de Grootmeester (inv.nr. 464) voorkomen. Voor alle bijlagen en specificaties geldt, dat de spelling naar de huidige vorm is gestandaardiseerd: zo zijn Caisson en Kaisson ondergebracht onder Caisson, Kadet en Cadet onder Kadet. Ze zijn opnieuw gealfabetiseerd.
De overige bijlagen zijn vrijwel identiek aan die van toegang vervaardigd door het Archief KL. Van links naar rechts vindt men nu echter: (nieuw) inventarisnummer, jaar/omslagnummer (zijnde doorgaans het laagste agendanummer dat in de omslag voorkomt), de lettersignatuur uit de oorspronkelijke registratuur, en de weergave van het onderwerp. Dit laatste is in moderne spelling gezet, terwijl plaatselijk zeer omvangrijke onderwerpsaanduidingen wat zijn ingekort. Een enkele typefout zal in de tekst van de bijlagen en specificaties nog wel te vinden zijn. Er is geen poging gedaan, de vele afkortingen, die in militaire sferen gebruikelijk zijn, te verklaren.
De bijlage bij de inventaris geeft de omslagen aan, die door het Archief KL destijds wel werden opgegeven als bewaard, maar die bij deze bewerking niet meer werden aangetroffen.
De bijlagen zijn gerangschikt in volgorde van opkomst van het inventarisnummer waarop de bijlagen betrekking hebben.
Het tekstverwerken van de specificaties van bundels werd verricht door het Interdepartementaal Tekstverwerkingscentrum te Winschoten.
De herbewerking vergde 239,25 arbeidsuren, niet gerekend de uren van het Interdepartementaal Tekstverwerkingscentrum. Reconstructie, verificatiewerkzaamheden en inventarisatie van het archief besloegen 86,75 uren, de collatie van de productie van het ITW 32, onderzoek voor en redactie van de inleiding 52, tekstverwerking van inventaris, bijlagen en specificaties 42,5, en afwerking en produktie 26 uren.
Het bestand "Chefs der Artillerie" beslaat na deze bewerking 87 m'.
Ordening van het archief
Algemene opmerkingen
De beschrijvingen staan binnen de verschillende indelingscategorieën chronologisch gerangschikt, waarbij agenda's wel steeds worden gevolgd door de daarbij behorende stukken, ook wanneer daardoor een doorbreking van de chronologische ordening ontstaat. Wanneer naast agenda's ook indices, klappers en andere eigentijdse toegangen bestaan, staan deze tussen de beschrijvingen van de agenda's en de daarmee geregistreerde stukken in.
Binnen iedere doos of portefeuille (= inventarisnummer) liggen de stukken op volgorde van jaar en daarbinnen op omslagnummer. U wordt dringend verzocht deze orde niet te verstoren.
Van tussen * * gestelde nummerreeksen behoren niet alle tussenliggende nummers tot de weergegeven verzamelbeschrijving. Een andere reeks neemt ook tussenliggende nummers in beslag. Verwezen wordt naar de verantwoording.
Voor verklaring van afkortingen in de specificaties bij de inventaris wordt o.m. verwezen naar inv. nr. 821 omslagnr. 1935/1524.
Benaderingswijze van de archieven
De archieven Inspecteur-Generaal (1814-1817), Grootmeester en Commandant van het Materieel
Verschillende benaderingswijzen zijn mogelijk in deze archieven. Onderzoek dat gericht is op of kan worden gekoppeld aan personen, kan het beste uitgaan van de klappers op persoonsnamen over het tijdvak 1817-1839. Deze maken deel uit van het archief ( Inv.nrs. 419-438. ) . Meer onderwerpelijk onderzoek kan voor de periode 1818-1829 starten bij de klapper op trefwoorden in het archief van de Grootmeester ( Inv.nr. 464. ) . Bijlage 3 bij de inventaris geeft een overzicht van de gebruikte trefwoorden. Thematisch onderzoek dat niet met deze klappers geëntameerd kan worden, kan altijd nog gebruik maken van de eigentijdse indices. Voor een overzicht van de indexhoofden dienen de bijlagen 1 en 2.
Een derde mogelijkheid is de chronologische benadering, via de agenda's, dan wel direct in de ingekomen en uitgaande stukken.
Alle aangegeven hulpmiddelen geven direct toegang tot de ingekomen en uitgaande stukken, door middel van een jaar en een agendanummer. Men zoeke in de inventaris het inventarisnummer, waarin zich van het betrokken archief de ingekomen of uitgaande brief van dat jaar en agendanummer bevindt. Dat inventarisnummer gebruikt u voor de aanvraag.
Voor alle benaderingswijzen geldt, dat zodra een aanknopingspunt is gevonden in de vorm van een jaar en agendanummer, zowel de agenda's als de ingekomen en uitgaande stukken zelf, de mogelijkheid bieden de gevonden draad te volgen. Immers, in de agenda's zijn verwijzingen opgenomen naar voorgaande en opvolgende stukken, terwijl op de ingekomen stukken is genoteerd welke uitgaande daarop een reactie gaven, op de uitgaande stukken daarentegen, welke inkomende eraan ten grondslag lagen. Ingekomen stukken, die weer een reactie van de afzender behelzen op een door de archiefvormers verzonden brief, geven in de regel de kenmerken van de verzonden brief. Op die wijze is het mogelijk, in de tijd hetzij terug, hetzij vooruit te werken. Daarbij zult u steeds de inventaris nodig hebben om aan de weet te komen, in welk inventarisnummer de door u gewenste stukken, bekend aan jaar en agendanummer, zich bevinden.
De agenda's kunnen tenslotte dienen als ingang op andere archieven, in aanmerking genomen dat bij de agendering de eigen kenmerken van de stukken werden genoteerd.
Uiteraard is voor het archief van de Commandant van het Materieel slechts de zoekwijze via de agenda toepasselijk, aangezien bij dit archief geen indices of klappers zijn overgeleverd. Daarentegen herbergt dit archief wel een eigentijdse "inventaris" ( Inv.nr. 489. ) , die enige steun kan bieden. Onderzoek in niet hier geïnventariseerde archieven kan aanknopingspunten opleveren voor de raapleging van deze archieven. Immers, in andere archieven kunnen de verzonden exemplaren worden aangetroffen van brieven van één der archiefvormers. Via de kenmerken van deze verzonden exemplaren, te weten datum en nummer, kan de minuut van het betreffende stuk worden opgespoord, en de minuut, dan wel zijn registratie in de agenda, geeft weer aansluiting aan voorgaande en opvolgende correspondentie.
Raadpleging van het archief van de Inspecteur-Generaal van vòòr 11 juli 1815 zal in de regel betekenen, dat indices en toegangen dienen als partiële ingang op het archief van het Departement van Oorlog. Immers, de steekproeven, waarvan hiervoor melding werd gemaakt, gaven aan, dat de ingekomen en uitgaande stukken, voorzover overgeleverd, in dat archief zijn opgelegd. In de regel zal dit een tamelijk gecompliceerde "vertaalslag" impliceren, namelijk vanuit de registratie van de Inspecteur-Generaal met een agendastelsel met meerdere agenda's, naar de registratie van het Departement van Oorlog, volgens het verbaalstelsel. Op deze "vertaalslag" kan hier niet dieper worden ingegaan.
De overige archieven
Ook in een aantal van de resterende, jongere, archieven komen klappers, zowel op naam als op onderwerp voor, van waaruit een onderzoek kan worden gestart. Deze klappers verwijzen naar de oorspronkelijke registratuur, derhalve een jaar met agendanummer. Hetzij door vermissing hetzij door vernietiging is het merendeel der stukken niet meer aanwezig, terwijl het overgebleven materiaal door het Archief KL is herordend tot bundels. De oorspronkelijke oplegging op agendanummers is dus verstoord. De zoekprocedure vanuit de klappers zal in deze archieven langs de agenda's moeten leiden.
De raadpleging van deze archieven kan, wanneer verdere aanknopingspunten ontbreken, het beste worden ondernomen vanuit de specificaties van de door het Archief KL gevormde bundels. Daar vindt u in oplopende volgorde van jaren en omslagsnummers de korte inhoudsomschrijving.
Daarbij valt op te merken, dat in meerderheid de stukken betreffende één onderwerp slechts per jaar bijeen gebracht zijn. Voor vervolgacties in het volgende jaar moet u dus ook de specificatie daarvan raadplegen. Het komt echter ook voor, dat in één jaar twee "bewaringsnummers" over één onderwerp gaan. Zorgvuldige raadpleging van de specificaties brengt u dus bij uw doel.
Wanneer op enigerlei wijze een brief van of aan één van de archiefvormers, wier archieven hier zijn geïnventariseerd, bekend is, kan aan de hand van jaar en het brief- c.q. agendanummer (met eventueel de kwalificatie (geheim, vertrouwelijk)) worden nagegaan of het archief over die zaak meer stukken bevat. Daartoe dient men van het betreffende jaar de agenda op te vragen (dus ook: de corresponderende agenda "geheim" of "vertrouwelijk" enz.). Bij het op de brief vermelde nummer vindt men dan hetzij een aantekening betreffende vernietiging of vermissing, hetzij een verwijzing naar een ander nummer, hetzij niets of een aantekening betreffende de bewaring. Bij vernietiging of vermissing loopt het spoor uiteraard dood. Bij verwijzingen naar een ander nummer volgt men deze aanwijzing, net zolang tot een nummer is aangetroffen, waarbij niets staat, dan wel een aantekening betreffende bewaring. Dat is het nummer, dat nodig is om de betreffende stukken op te vragen. Gewapend met jaar en het "bewaringsnummer" raadplege men dan weer de inventaris om aldaar het inventarisnummer te vinden, waaronder de gezochte stukken zijn geborgen. Dit inventarisnummer gebruikt u voor de aanvraag.
Eventueel zijn deze archieven ook nog benaderbaar via de (zeer summiere) index op de thans vervallen toegang van het Archief KL. Deze index verwijst naar de inventarisnummers van die vervallen toegang (derhalve nummers als "MatMat 24"), en door de oude toegang naast deze nieuwe te leggen, kan men gewaar worden, welk inventarisnummer thans van toepassing is. Deze zoekmethode is uiteraard omslachtig.
Aanwijzingen voor de gebruiker
Openbaarheidsbeperkingen
Volledig openbaar.
Beperkingen aan het gebruik
Reproductie van originele bescheiden uit dit archief is, behoudens de algemene regels die gelden voor het kopiëren van stukken, niet aan beperkingen onderhevig. Er zijn geen beperkingen krachtens het auteursrecht.
Materiële beperkingen
Het archief kent geen beperkingen voor het raadplegen van stukken als gevolg van slechte materiële staat.
Aanvraaginstructie
Openbare archiefstukken kunnen online worden aangevraagd en gereserveerd. U kunt dit ook via de terminals in de studiezaal van het Nationaal Archief doen. Om te kunnen reserveren dient u de volgende stappen te volgen:
- Creëer een account of log in.
- Selecteer in de archiefinventaris een archiefstuk.
- Klik op ‘Reserveer’ en kies een tijdstip van inzage.
Citeerinstructie
Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste éénmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld. Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.
VOLLEDIG:
Nationaal Archief, Den Haag, Chefs der Artillerie, nummer toegang 2.13.61, inventarisnummer ...
VERKORT:
NL-HaNA, Chefs Artillerie, 2.13.61, inv.nr. ...
Verwant materiaal
Inventarisnummers van dit archief zijn niet in kopievorm beschikbaar
Als "belendende" archieven moeten in eerste instantie worden vermeld de archieven van het Departement van Oorlog. De Chefs van het wapen der artillerie waren daaraan merendeels rechtstreeks ondergeschikt, zodat een intensief verkeer met het Departement voor de hand ligt. Neem bijvoorbeeld de "adviescorrespondentie". Want naast de nummers-zonder-meer, die de "eigen" ingekomen en uitgaande post vertegenwoordigen, vindt men in de agenda's zowel ingekomen als uitgaande nummers gevolgd door letters. Deze registreren de post, die door het Departement van Oorlog was ontvangen en om "consideratie en advies" dan wel ter kennisneming was doorgeleid aan de archiefvormers, dan wel de daarop uitgaande stukken van de archiefvormers aan het Departement. Om advies ingekomen stukken werden samen met het uitgaande advies aan het Departement geretourneerd. Deze "adviescorrespondentie" moet dus niet meer in de hier beschreven archieven worden gezocht, maar in het archief van het Departement van Oorlog ( In het archief van de Commandant van het Materieel werd een geringe hoeveelheid afgedane "adviescorrespondentie" aangetroffen, die blijkbaar het Departement niet heeft bereikt. Deze stukken zijn geïnventariseerd onder inv.nr. 494. ) . Voor een overzicht raadplege men het Overzicht van de toegangen onder codegroep 2.13.
In de collectie Van Thielen berust een fragment over de jaren 1825 en 1826 van het archief van de Directeur voor het Materieel der Artillerie en Genie (1823-1826), merendeels artilleriezaken betreffende ( Lammerts, p. 92/93. Wegens zijn geringe omvang wordt het licht over het hoofd gezien. Thans is de depot-vindplaats 01E39 v.l.n.r. vak 4 plank 3. ) . De redenen voor de berging buiten het Departementsarchief zijn onbekend. Verwezen wordt verder naar het archief van de afdeling (Inspecteur der) Bereden Artillerie van het Algemeen Hoofdkwartier 1914-1918, codenummer 2.13.62. Dit archief is bij deze bewerking van het bestand "Chefs der Artillerie" afgescheiden.
Het archief van de Artillerie Stapel- en Constructiemagazijnen te Delft berust eveneens bij het Nationaal Archief, onder beheer van het Rijksarchief in Zuid-Holland.
Verder kunnen worden vermeld de archieven van onderscheiden artillerie-eenheden, -instellingen en -commissies, die hiervoor al aan de orde kwamen ( Zie noot 66. ) . Het archief van de Directeur van het Artilleriematerieel 1921-1929 berust nog bij het CAD, in het bestand Directeur Materieel Koninklijke Landmacht 1915-1969 (CAD bestandsoverzicht 1984 volgnr. 208, adm.nr. 113). Dit bestandsoverzicht uit 1984 maakte tevens melding van een bestand "Inspecteur der Artillerie 1846-1970" (volgnr. 644, adm. nr. 79), maar blijkens gevoerde correspondentie ging het CAD ervan uit, dat in 1974 al het materiaal "Inspecteur der Artillerie" aan het toenmalige Algemeen Rijksarchief zou zijn overgedragen ( CAD 2087/2070 dd. 28.7.1988 aan Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, ingekomen 1.8.1988 nr. D 1606/1505. ) .Bijlagen
agenda'sstukken"archief"