2.2.2.1 Groot-Brittannië
Voor wat de Koninklijke marine betreft bleef De Booy formeel gezien in functie als marineattaché. Een groot deel van zijn functies - voornamelijk op inlichtingengebied - werd overgenomen door luitenant ter zee der 1e klasse C. Moolenburgh in de functie van adjunct-marineattaché. De Booy hield zich op het Nederlandse marinehoofdkwartier te Londen bezig met liaisonwerkzaamheden.
Ph. M. Bosscher, De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog. Deel 1. Franeker, 1984, 113.
De Koninklijke Nederlandse militaire missie (voortaan: KNMM)
Voor meer informatie over de instelling en de geschiedenis van de Koninklijke Nederlandse Militaire Missie: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 / Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek. (Voortaan: PEC) deel 8a en b. Militair beleid 1940-1945 Terugkeer naar Nederland. 's-Gravenhage, 1956. 196-198.
werd opgericht bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en was oorspronkelijk opgezet als een contactorgaan tussen het Algemeen Hoofdkwartier te Den Haag en de Britse legerleiding.
Inv. nr. 199, nr. 382.
Met de overkomst van de Nederlandse regering naar Londen verloor de missie haar aanvankelijke betekenis en werd het een verbindingsorgaan tussen de Nederlandse minister van Oorlog te Londen en Britse militaire en civiele instanties.
De instructie voor de KNMM was vastgesteld bij KB van 11 september 1941, nr. 10.
Inv. nr 199, verbaal van 6 september 1941, nr. 11 en inv. nr. 113, verbaal van 15 januari 1942, nr. 10.
Volgens een anonieme aantekening, gevoegd als bijlage bij een aanbiedingsbrief inzake de Instructie van de KNMM van de Nederlandse minister van Oorlog aan de Inspecteur der Nederlandse Troepen, was het verbindingswerk van de KNMM ten minste gelijk te stellen met dat, verricht door militaire attachés. Het hoofd van de missie werd door de Britten dan ook beschouwd als een militair attaché. Genoemd hoofd trad - in tegenspraak tot zijn instructie - soms ook in contact met andere geallieerde en neutrale landen. Dit aangezien in september 1941 Nederland geen militaire instanties kende om het contact met geallieerde en neutrale militaire vertegenwoordigers te onderhouden. Vandaar dat in voornoemd geschrift werd gepleit voor het aanstellen van "( ... ) een militair Attaché met kleinen staf."
Bij brief van 26 augustus 1942 werd G.J. Sas, toenmalig hoofd van de IIIe afdeling van het departement van Oorlog te Londen, aangewezen als contactpersoon met de militair attaché aan de Amerikaanse ambassade. Bureau D van genoemde IIIe afdeling had onder meer tot taak het onderhouden van "( ... ) contact met geallieerde strijdkrachten." De reserve-2e luitenant G.J. Ankerman was belast met het onderhouden van contact met buitenlandse militaire attachés en liaison-officieren. Nadat via de Politie-Buitendienst van het departement van Justitie een rapport over deze luitenant was binnengekomen van Scotland Yard ontstond er een affaire. De zaak eindigde ermee, dat Sas en Ankerman met ingang van 20 juli 1943 eervol uit hun functies werden ontheven.
Hierop werd met ingang van dezelfde datum generaal-majoor H.J. Phaff benoemd tot militair attaché bij de Nederlandse ambassade bij het Hof van St James, onder gelijktijdige benoeming van majoor L.J.A. Schoonbergen tot adjunct militair attaché bij voornoemd Hof.
Inv. nr. 312, K 24: brief van Van Lidth de Jeude, in afschrift aan de minister van Oorlog dd. 23 april 1943.
Schoonbergen was gelijktijdig militair attaché bij de Nederlandse gezantschappen van België, Noorwegen en Polen.
Inv. nrs. 209 en 213.
Phaff werd aangewezen voor het onderhouden van het contact met de Amerikaanse militair attaché bij het Nederlands hof. Schoonbergen werd tevens belast met het onderhouden van contact met militaire attachés van geallieerde mogendheden, waarbij de Nederlandse regering geen militaire attachés geplaatst had.
Inv. nr. 2335, brief van het ministerie van Oorlog aan hfd bureau OGS, ingekomen 8-10-1943, nr. 281. Met als bijlage de beide instructies, vastgesteld bij MB van 5 oktober 1943, nr. 5.
Op dezelfde dag werd de KNMM opgeheven.
Inv. nrs 141 en 530, verbalen van 4 augustus 1943, nr 9 en 21 juli 1943, nr. 530. Legerorders 1943, nr. 12.
De missie had volgens een nota van generaal Van der Vijver aan de minister
Inv. nr. 199, nr. 382
haar betekenis geheel verloren en gaf uit Nederlands oogpunt alleen bezwaren. Er waren buiten de missie om contacten gegroeid, de missie veroorzaakte tijdverlies en men vreesde dat na het vertrek van Phaff de resterende missieleden te veel aan de leiband van de Engelsen zouden lopen.
In mei 1944 werd een militair attaché van de Nederlandse regering benoemd bij het Franse Comité voor Nationale Bevrijding.
Inv. nr. 181, verbaal van 23 mei 1944, nr. 14.
2.2.2.2 Verenigde Staten
Voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was in de Verenigde Staten slechts een marineattaché geaccrediteerd. Vanaf 1 april 1938 was J.E. Meijer Ranneft
Het instituut Maritieme Historie beheert in afschrift het dagboek van Meyer Ranneft als marinettaché te Washington, 1938-1947. Het is opgenomen in de collectie WO II onder nummer Ec-1.
werkzaam als marine attaché bij het Nederlands gezantschap te Washington.
KB van 22 maart 1938, nr. 4.
In zijn instructie
Voor een afschrift van deze instructie: CAD, het archief van de bevelhebber der Zeestrijdkrachten / ministerie van Marine, zeer geheim 65/9 1943.
stond dat hij onder bevel stond van de minister van Defensie. Op 27 juli 1941 werd te Londen (opnieuw) een ministerie van Marine ingesteld en trad de marineattaché (opnieuw) op als vertegenwoordiger van de minister van Marine te Washington.
Gedurende de oorlog groeide het aantal Nederlandse militaire vertegenwoordigers in de Verenigde Staten snel en werd de behoefte gevoeld aan een centrale organisatie en coördinatie. Vandaar dat ambassadeur Loudon voorstelde over te gaan tot de instelling van een militaire missie in de Verenigde Staten.
Inv. nr. 203.
Van deze missie zouden deel uitmaken:
de marineattaché, de militair attaché, het hoofd van het rekruteringsbureau en de hoofden van de technische adviesbureaus. De militaire missie zou onder bevel van de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten komen staan. De missie zou onder leiding van een vlag- en opperofficier staan, die zouden worden aangewezen door de regering te Londen. Deze twee officieren zouden ook de regering vertegenwoordigen in het Combined Chiefs of Staff Committee.
In een nota van de minister van Koloniën aan zijn collega van Algemene Oorlogsvoering van het Koninkrijk, welke zich in afschrift bevindt in het archief van het ministerie van Defensie/Oorlog te Londen, wordt een helder beeld geschetst van de verschillende militaire groepen en autoriteiten die gedurende de Tweede Wereldoorlog actief waren in de Verenigde Staten, alsmede van hun taakstelling.
Inv. nr. 205.
Generaal-majoor Dijxhoorn en schout-bij-nacht Stoeve waren gedelegeerd bij de Combined Chiefs of Staff (voortaan: CCOS). Hun taak bestond uit het behartigen van de Nederlandse belangen bij de CCOS nopens de oorlogsvoering in grote lijn alsmede het verkrijgen van inlichtingen.
CAD, het archief van de bevelhebber der Zeestrijdkrachten / ministerie van Marine, zeer geheim, 45/4 1945.
Dijxhoorn hield zich verder bezig met het rekruteren van Nederlandse dienstplichtigen. Hiertoe had hij de beschikking over een bureau rekrutering.
De marine- en militair attaché hielden zich respectievelijk bezig met het bestuderen van de militair-politieke toestand in de Verenigde Staten op maritiem en legergebied.
In een brief van 23 juni 1943 aan de minister van Marine
Inv. nr. 157 (dossier AA/5/A: Jf-22-3).
geeft de marineattaché een overzicht van de werkzaamheden op zijn bureau. Zo behartigde hij de belangen van marinepersoneel in de Verenigde Staten, gaf hij voorlichting op maritiem gebied, verzamelde inlichtingen en onderhield contact met vele instanties.
De Nederlandsche Aankoop Commissie/Netherlands Purchasing Commission behartigde de centrale aankoop van goederen voor het Nederlandse leger en marine alsmede het Indische leger.
De regering besliste uiteindelijk dat het in diverse rapporten en nota's geconstateerde gebrek aan coördinatie
Daarnaast speelde persoonlijke generositeit een rol. De militair attaché Weijerman, volgens de verslagen en rapporten van de Enquêtecommissie "een zeer eigenaardig figuur" en "geen gemakkelijk mens om mee om te gaan" weigerde zijn medewerking aan de regeringsvertegenwoordigers bij de CCOS.
tussen de diverse instanties diende te worden opgelost door het instellen van een militaire commissie
Commisie in plaats van Missie. De naam Militaire Missie zou immers de -onjuiste- indruk kunnen wekken dat hier sprake was van een nieuw orgaan, terwijl het juist de bedoeling was een coördinerend en informerend orgaan te creëren dat de in Amerika aanwezige officieren optimaal wilde laten samenwerken. (CAD, het archief van de bevelhebber der Zeestrijdkrachten / ministerie van Marine, Zeer geheim 114, 1942/1943, 65, 1943.)
Washington. Deze trad niet naar buiten en bestond uit de beide regeringsvertegenwoordigers bij de CCOS, de militair en marineattachés en de overige daarvoor in aanmerking komende regeringsvertegenwoordigers .
Inv. nr. 208. Brief van de secretaris van de ministeriële commissie oorlogsvoering aan de minister van Oorlog inzake een telegram aan de ambassadeur te Washington. Met bijlage. 1943. Over deze materie zie ook: PEC,. deel 8 a en b, pag 325-336.
Dat dit evenwel een niet geheel bevredigende oplossing was blijkt uit de conclusie van de Enquêtecommissie 1940-1945. Deze stelt dat de voornoemde commissie nooit een succes is geworden.
De militaire attachés hielden zich tijdens de Tweede Wereldoorlog eveneens bezig met het rekruteren van dienstplichtigen buiten bezet Nederland.
Inv. nr. 1013 bevat de aanwijzing t.b.v. de met recrutering belaste consulaire ambtenaren en officieren. Voor een inleiding en overzicht van de recrutering in Canada en de V.S. zie: PEC, deel 8 a en b, Bijlage 1-7.
Op 9 september 1940 verstrekte de minister van Defensie aan luitenant-kolonel Sas de taak om dienstplichtigen in Canada en de Verenigde Staten op te roepen en vervolgens een basisopleiding te geven en ze daarna naar Engeland te sturen. Hiertoe werd in Canada te Ottowa de Nederlandse militaire missie gevestigd. Eind 1940 begaf Sas zich naar de Verenigde Staten om een begin te maken met de rekrutering aldaar. In december 1940 werd in New York een registratiebureau gevestigd dat onder leiding stond van M.J. Schreven als consul-generaal in buitengewone dienst.
Voor de richtlijnen inzake de registratie van vrijwilligers en dienstplichtigen in de VS zie inv. nr. 1023.
Op 6 maart 1941 werd te Chicago een tweede bureau geopend. Dit bureau werd opgeheven op 15 oktober 1942. Gezien het groot aantal Nederlanders dat woonachtig was in het westen van de Verenigde Staten werd begin mei 1941 besloten ook registratiebureaus te openen te San Fransisco en Los Angeles. Deze werden respectievelijk opgeheven 1 november 1942
Volgens het verslag van de Enquêtecommissie werd dit bureau opgeheven 1 november 1943 (Deel 8 a en b. bijlage I, pag 13). Echter, een brief van de heer Droste van het Registratiebureau Los Angeles aan de Consul Generaal te San Francisco inzake ( ... ) de opheffing per 1 november as.( ... ) (inv. nr. 130) is gedateerd 25 oktober 1932. Waarschijnlijk is hier bedoeld 1942. Gezien het feit dat ten gevolge van Amerikaanse regeringsmaatregelen op het gebied van recruteringen, de recrutering met ingang van 1 augustus nog slechts op zeer beperkte voet zou voortbestaan, moet de opheffing zeer waarschijnlijk geplaatst worden in het jaar 1942. Extra aanwijzing is de brief van 28 december 1942 aan de Nederlandse ambassade, waarin door het hoofd der Registratie een lijst wordt aangeboden van het personeel der Registratie-organisatie in de VS. In de bijlage wordt alleen gewag gemaakt van personeel te New York (inv. nr. 1035).
en 21 juni 1942. Zowel de registratiebureaus Chicago, San Fransisco als Los Angeles waren ondergeschikt aan New York.
De belangrijkste taak van de afdeling militair bureau van het consulaat-generaal te New York bestond uit het verrichten van werkzaamheden die voortkwamen uit de demobilisatie van de in de Verenigde Staten opgeroepen militairen. Daarnaast hield men zich bezig met de uitvoering van de kostwinnersvergoeding.
Inv. nr. 3015.
Verder waren in de Verenigde Staten actief officieren van handelsbescherming te New York, San Fransisco en New Orleans.
Het CAD beheert de archieven van het Hoofd Handelsbescherming te New York, 1941-1945, de Handelsbeschermings officier (HBO) te Halifax, 1942-1945, te San Fransisco, 1941-1946, Colon in Panama, 1940-1944, New York, 1941-1945 en New Orleans, 1942-1945. Inventaris nr. 111. Voor meer gedetailleerde gegevens inzake de organisatie en instructies van HHB en HBO's verwijzen we naar deze archieven.
De handelsbescherming werd ingesteld door de commandant Zeemacht in mei 1940.
CAD, het archief van het Hoofd Handelsbescherming (voortaan: HHB) te New York, 1941-1945. dossier K 1/5.
Zij waren onder meer belast met:
" ( ... ) het behandelen van Nederlandsche koopvaardij-aangelegenheden, welke verband houden met den oorlogstoestand en dus niet tot de rechtstreekse en gebruikelijke werkzaamheden van de Consulaire Ambtenaren behoren. Zijn taak omvat ( ... ) een nauwgezette controle op de geheimhouding van codes, scheepsbewegingen en -berichten en andere geheime gegevens."
Het archief van de Handelsbeschermingsofficieren zal worden opgenomen in de verzame1inventaris van de archieven van de het ministerie van Marine te Londen en de afwikkeling daarvan, alsmede onder de verantwoordelijkheid van deze minister vallende instanties.
In de instructie van de handelsbescherming officier (voortaan: HBO) lezen we dat deze benoemd werd door de minister van Marine dan wel het hoofd Handelsbescherming (HHB). Deze was tevens lid van de Nederlandsche Missie voor Economische, Finantieele en Scheepsaangelegenheden te Washington. De in verscheidene havens geplaatste HBO's stonden onder zijn bevel.
CAD, archief HHB te New York, dossier K 1 B/16.
Het Wervingskantoor New York Vrouwenkorps Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger werd kort na de oprichting van dit korps (5 maart 1944) geopend. In de loop der tijd werd het wervingskantoor onderdeel van de Legerafdeling van de Netherlands Purchasing Commission te New York.
2.2.2.3 Canada
Voor een uitvoerige beschrijving van de organisatie van de rekrutering in Canada, zie: PEC, deel 8a pag,53-65.
Op 2 september 1940 werd de instructie van het hoofd van de militaire missie Canada vastgesteld.
Inv. nr. 97, verbaal van 2 september 1940, nr.l.
Luitenant-kolonel G.J. Sas werd op 6 september 1940 benoemd tot hoofd van de militaire missie en bovendien tot commandant van de Nederlandse troepen, kapitein, later majoor W.T. Matste tot chef-staf.
Het doel van de missie in Canada was het voorbereiden, het onder de wapenen roepen en naar Engeland sturen van in de Verenigde Staten en in Canada wonende dienstplichtige Nederlanders.
Naar aanleiding van het besluit van 8 augustus 1940, nr. 10 A. Hierbij werden alle Nederlanders, geboren tussen 1 januari 1904 en 1 januari 1921, die woonden in Groot Brittannië, Noord Ierland, de VS en Canada voor zover ze nog niet in werkelijke dienst waren, dienstplichtig.
Dit om de in Engeland aanwezige Nederlandse Troepen te versterken. In Canada werd een vooropleiding van twee maanden gegeven, welke in Engeland werd voltooid.
Het hoofd van de militaire missie te Canada had onder zijn bevelen:
- het detachement Nederlandse troepen;
- intendance diensten;
- de medische dienst;
- het bureau van de officier van administratie;
- het recruteringsbureau Canada.
Tevens stond het registratiebureau militaire aangelegenheden te New York onder zijn bevel.
Op 8 januari 1941 werd de Prinses Juliana kazerne te Stratford in gebruik genomen om de onder de wapenen gekomen dienstplichtigen te legeren.
Op 20 januari 1941 arriveerde generaal-majoor A.Q.H. Dijxhoorn te Washington. Hij was vanwege de minister van Oorlog geïnstrueerd ter zake de reorganisatie van de rekrutering in Canada en de Verenigde Staten.
Op 12 februari 1942 werd luitenant-kolonel G.J. Sas ontheven van zijn functie als hoofd van de militaire missie en commandant van de Nederlandse troepen in Canada. Majoor W.Th. Carp volgde hem op als commandant Nederlandse troepen in Canada en werd tevens tijdelijk belast met de waarneming van de functie van hoofd militaire missie in Canada.
Op 1 augustus 1942 nam Carp tevens de rekrutering in de Verenigde Staten over van de consul-generaal Van Schreven, die tot dan de leiding had gevoerd over het registratiebureau te New York.
In oktober 1942 verhuisden de troepen van Stratford naar Guelph. Hieraan lag een bezuiniging ten grondslag. Minder dienstplichtigen kwamen op dan verwacht, men moest naar een kleiner en goedkoper onderkomen omzien.
De liquidatie van het kamp te Guelph was op 25 oktober 1943 voltooid.
PEC, 8a en b., Bijlage 1.
Eind 1943 werden de Nederlandse militaire missie Canada en de functie van commandant der Nederlandse troepen in Canada opgeheven. Administratieve zaken zoals rekrutering en kostwinnersvergoedingen werden voortaan afgehandeld door het militair bureau van het consulaat-generaal te Montréal.
Militair bureau van het Nederlands consulaat-generaal te Montréal
Na de opheffing van de Nederlandse militaire missie Canada en van de functie van commandant van de Nederlandse Troepen in Canada werden de administratieve handelingen van die twee instanties, zoals correspondentie inzake de rekrutering et cetera voortaan door dit bureau geregeld.
2.2.2.4 Zwitserland
Voor meer informatie over het ontstaan en de betekenis van de verbinding tussen Londen en het bezette gebied via Zwitserland zie PEC, deel 4A, hoofdstuk VII.
Op 19 april 1940 vestigde generaal-majoor A.G. van Tricht zich als militair attaché bij het gezantschap der Nederlanden te Rome. Echter, reeds op 13 juni diende hij zijn standplaats Rome, samen met de andere leden van de Nederlandse legatie alweer te verlaten in opdracht van de Italiaanse regering.
Brief van de militair attaché aan de minister van Defensie. Afschrift. 1940. Inv. nr. 1282.
Hij reisde daarop naar Lausanne en vestigde zich te Bern als militair attaché.
In 1941 arriveerden de eerste vluchtelingen uit Nederland in Zwitserland. Velen van hen waren joden, een ander deel Nederlanders die probeerden via Zwitserland naar Nederlands-Indië of Engeland te vertrekken (via Spanje en Portugal) om zich daar aan te sluiten bij het Nederlandse leger.
Van Tricht fungeerde onder meer als tussenpersoon tussen de Nederlandse Orde Dienst en de regering in ballingschap te Engeland. Ook was hij actief als organisator van het doorsturen - via Spanje en Portugal - van in Zwitserland gearriveerde vluchtelingen naar Engeland of Nederlands-Indië.
Tevens had Van Tricht de leiding van bureau Bern van het bureau inlichtingen (BI).
F.A.C. Kluiters. De Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. 's-Gravenhage, 1993.72.
In deze hoedanigheid was hij echter niet in dienst van BI, daar hij bleef ressorteren onder het gezantschap te Bern.
Inv. nr. 2690 (11 maart 1946).
Verder was Van Tricht beheerder van het fonds Katz. Dit fonds stelde zich ten doel
"( ... ) het verstrekken van (geldelijke) steun aan in Zwitserland verblijvende niet-Nederlanders, die ( ... ) door geboorte of langdurig verblijf in Nederland als aan Nederland geassimileerd kunnen worden beschouwd en die daarover een morele aanspraak op Nederlandsche hulp kunnen maken gedurende hun verblijf in Zwitserland ( ... )"
Het fonds was genoemd naar een belangrijke donateur, N. Katz. Verder werd het fonds later nog ondersteund door het Comité Oecuménique des Eglises en het American Joint Distribution Committee.
Op 20 november 1942 werd de afdeling Vluchtelingen van het gezantschap der Nederlanden te Bern geopend. Deze afdeling verstrekte materiële en morele steun aan Nederlandse vluchtelingen en hield toezicht op hen. Hiertoe beschikte de afdeling Vluchtelingen over een personenregister. De militair attaché was tot 1 april 1943 verantwoordelijk voor de financiële administratie van de vluchtelingenzorg. Na deze datum ressorteerde de afdeling Vluchtelingen onder het ministerie van Binnenlandse Zaken.
Vluchtelingen met de Nederlandse nationaliteit die niet zelf in hun onderhoud konden voorzien kregen van de regering een voorschot, terug te betalen na beëindiging van de oorlog, ter derving van hun onderhoudskosten. Voor militairen gold een aparte regeling.
Vluchtelingen welke geschikt waren voor arbeid moesten in een kamp worden ondergebracht en tewerkgesteld worden. Er werden daartoe in de loop der tijden verschillende opvangmogelijkheden in Zwitserland gecreëerd.
Kamp (Arbeitslager) Cossonay -opgericht 26 mei 1942- was een camp de travail pour émigrés en herbergde omstreeks 150 Nederlandse vluchtelingen. Het was een werkkamp waar moeras werd drooggelegd. Aanvankelijk was het kamp een succes maar gaandeweg ontaardde het tot een wanorde en chaos - vanwege een "( ... ) gebrek aan discipline en gebrek aan saamhorigheidsgevoel ( ... )" waarop het in juni 1943 werd opgeheven door de Zwitserse autoriteiten. De bewoners werden overgeplaatst naar het Arbeitslager für Internierte Les Verrières en Tramalan.
In het kamp Les Verrières, 800 meter van de Franse grens gelegen, waren 120 Nederlanders, 20 Engelsen en 20 Belgen ondergebracht. Het kamp werd naar analogie van de weersomstandigheden ook wel "La Sibérie de la Suisse" genoemd. Het was er 's winters zeer koud en 's zomers erg warm.
Kamp Les Enfers herbergde in juli 1944 120 Italianen, 27 Nederlanders en één Engelsman. Vluchtelingen werden hier bezig gehouden met het graven van geulen voor de aanleg van een drainage-systeem. Hierbij dient te worden aangetekend dat de grond kleiachtig en moerassig was en het kamp op zo'n 1000 meter hoogte lag. Les Enfers werd geliquideerd eind november 1944. Vluchtelingen welke hier verbleven werden overgeplaatst naar Les Verrières.
Het camp civil de travail Jeunesse La Brasserie te Aigle was, zoals de naam het al zegt een tijdelijk jongeren-werkkamp waar vluchteling-studenten verbleven. Deze waren tijdens hun 'vakantie' in principe verplicht arbeidsdienst te verrichten (90 dagen per jaar). Het kamp werd in juli 1944 geopend en eind september 1944 al weer opgeheven.
Ook werden in 1942 hotels gehuurd om vluchtelingen in onder te brengen (de zogenaamde hotelkampen), zoals Hotel des Narcisses te Chamby, hotel Beau-Site te Baugy en in 1943 Grand Hotel te Mont-Pélerin. Deze waren bedoeld om scheiding van echtparen te voorkomen.
Voor meer informatie over de verscheidene andere kampen wordt verwezen naar inventarisnummers 1325-1343.
Zo'n veertig vluchtelingen-studenten die hun universitaire studie in Nederland (al dan niet verplicht) hadden onderbroken mochten deze onder strikte bepalingen voortzetten aan een Zwitserse universiteit.
In Zwitserland verblijvende Nederlandse mannen geboren tussen 1 januari 1904 en 1 januari 1927 werden van regeringszijde dienstplichtig verklaard. Ze werden niet in werkelijke dienst opgeroepen.
Blijkens een diverse rapporten en verklaringen was de verstandhouding tussen Zwitserse autoriteiten en de Nederlandse vluchtelingen enerzijds, en Van Tricht anderzijds niet goed.
Inv. nr. 275, nr. 699.
Echter, de minister van Oorlog zag in deze feiten geen reden om generaal-majoor Van Tricht terug te roepen van zijn post. Vooral zijn belang voor bureau inlichtingen woog zwaar.
Inv. nr. 275, nr. 758.
Begin april 1945 werd Van Tricht overgeplaatst als militair attaché naar Washington en werd hij vervangen door luitenant-kolonel J.W. Stoutjesdijk met als adjunct majoor J.G. van Niftrik.
Het bureau van de militair attaché van het gezantschap der Nederlanden te Bern werd opgeheven op 15 februari 1946.
Op 1 november 1945 werd Niftrik eervol ontslag verleend uit militaire dienst. Dit gebeurde onder gelijktijdige ontheffing van zijn detachering bij bureau inlichtingen en als adjunct-militair attaché, beide te Bern. Hij werd belast met de finale afwikkeling van alle aangelegenheden dienaangaande.
Inv. nr. 2691, minuut van uitgaande brief van 2 oktober 1945 aan J.G. van Niftrik.