| 1802-1806 | archivarius der Bataafse Republiek |
| 1806-1810 | archivarius van het Koninkrijk Holland |
| 1811-1812 | archiviste de Hollande |
| 1812-1813 | ancien garde des archives de Hollande |
| 1813-1815 | 's lands archivaris |
| 1815-1912 | Rijksarchief te 's-Gravenhage |
| 1912-2002 | Algemeen Rijksarchief |
| 1910-1912 | Eerste Afdeling (koloniale archieven tot 1830; leeszaal en kopieerwerk) |
| 1910-1912 | Tweede Afdeling (archieven van Holland, de Generaliteit en de departementen tot 1830; huishoudelijke dienst en comptabiliteit) |
| 1910-1912 | Derde Afdeling (rechterlijke en notariële archieven tot 1830) |
| 1913-1914 | Eerste Afdeling (algemeen beheer; archieven vóór 1572) |
| 1913-1914 | Tweede Afdeling (archieven 1572-1813) |
| 1913-1914 | Derde Afdeling (archieven sedert 1813) |
| 1913-1914 | Vierde Afdeling (justitiële archieven) |
| 1913-1914 | Vijfde Afdeling (koloniale en marine-archieven) |
| 1914-1921 | Huishoudelijke en algemene diensten |
| 1914-1921 | Eerste Afdeling (Hollandse archieven tot 1572) |
| 1914-1921 | Tweede Afdeling (Generaliteitsarchieven tot 1796) |
| 1914-1921 | Derde Afdeling (archieven van de eenheidsstaat sinds 1796) |
| 1914-1921 | Vierde Afdeling (Hollandse archieven sinds 1572) |
| 1914-1921 | Vijfde Afdeling (koloniale en marine-archieven) |
| 1922-1924 | Huishoudelijke en algemene diensten |
| 1922-1924 | Eerste Afdeling (archieven van de Generaliteit) |
| 1922-1924 | Tweede Afdeling (archieven van de eenheidsstaat) |
| 1922-1924 | Derde Afdeling (koloniale en marine-archieven) |
| 1922-1924 | Vierde Afdeling (Hollandse archieven) |
| 1922-1924 | Vijfde Afdeling (rechterlijke en notariële archieven) |
| 1924-1976 | Secretariaat / (1969) Afdeling Algemene Zaken |
| 1924-1994 | Eerste Afdeling (centrale regeringsarchieven tot 1795) |
| 1924-1994 | Tweede Afdeling (centrale regeringsarchieven vanaf 1795) |
| 1924-1994 | Derde Afdeling (Hollandse archieven) / (1978) Rijksarchief in Zuid-Holland |
| 1961-1976 | Vierde Afdeling (Rijksarchiefinspectie) |
| 1964-1976 | Centraal Register van Particuliere Archieven (te Utrecht) |
Van De Fouw als commies-chartermeester zijn geen stukken bewaard gebleven.
De stukken van de voorheen bestaan hebbende collectie De Fouw zijn tussen 1972 en 1982 teruggebracht naar de archieven waaruit ze afkomstig waren. De stukken beschreven in bijlage II van de Verslagen omtrent 's Rijks oude archieven 1921 (aanwinst 1820) zijn opgenomen in het archief van de Stadhouderlijke Secretarie, en de overige stukken (aanwinst 1829) zijn ingevoegd in het archief van de Staten van Holland. De zegelstempels van het grootzegel van de Staten van Holland en Provisionele Representanten zijn in 1915 in bruikleen gegeven aan het Koninklijk Penningkabinet te Leiden (thans Nationale Numismatische Collectie van De Nederlandsche Bank).
Voorheen in 1.11.04. Collectie 1902, inv.nr. 34.
Van 1914 tot 1971 hebben deze stukken berust in de verzameling "Verspreide collecties", stukken van onbekende herkomst, inv.nr. 129.
Voorheen opgenomen in de bibliotheek onder signatuur 194 D 8.
Voorheen Aanwinsten 1e afd, 1.11.01.01, inv.nr. 1099.
Extra aanwinst 1907 XL 1.
Bevat: Eduard Douwes Dekker (Multatuli) in Kassel, overdruk, 1927 Boekbespreking van J. Smit, De Zuidhollandsche Weeskamers, overdruk, 1946 Boekbespreking van A.J.C. Krafft, Historie en oude families van de Nederlandse Antillen, concept, 1951 Boekbespreking van Simon Hart, The Prehistory of the New Netherland Company. Amsterdam notarial records of the first Dutch voyages to the Hudson, concept, 1959. Address on the occasion of the visit to the Algemeen Rijksarchief, the Hague, overdruk, 1968. Memories van overgave van bestuursambtenaren in het voormalig Nederlands-Indië, nadruk, 1968
Slechts drie afleveringen (XXI-XXIII) zijn gereed gekomen.
Betreft Benedictijnen, Cisterciënsers, Praemonstratensen, Kruisheren, Karthuizers.
Betreft Augustijnen, Karmelieten, Dominicanen, Franciscanen, geestelijke ridderorden, Wilhelmieten, Brigittinen, Alexianen, Reguliere kanunniken en kanunnikessen, broeders en zusters van het gemene leven
Gedeeltelijk in het Frans.
Gedeeltelijk in het Engels.
In het Engels en Frans.
Het toegangsnummer van deze index is 1.05.19.01.
Gedeeltelijk in het Engels.
Grotendeels in het Frans.
Met ingang van 15 oktober 1900 werd J. van der Hoeven door de Rijksbouwkundige voor de gebouwen van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen met machtiging van de minister van Binnenlandse Zaken in dienst genomen als machinist-bankwerker bij het Algemeen Rijksarchief. Zijn taak was het bedienen en onderhouden van de technische installaties in het depotgebouw. Hieronder vielen de hydraulische installatie voor het openen en sluiten van de stalen luiken voor de ramen, de lage druk stoomverwarming, de waterleiding met brandkranen in en om het gebouw, de elektrische verlichting en de bliksemafleiders. Aan Van der Hoeven werd met ingang van 1 januari 1904 op zijn verzoek eervol ontslag verleend. Als opvolger werd W. Bron benoemd.In 1908 werd bij ministeriële beschikking van 12 september nummer 23282 van het departement van Binnenlandse Zaken, afdeling Kunsten en Wetenschappen, een nieuwe instructie vastgesteld, waardoor de machinist-bankwerker onmiddellijk aan de Algemene Rijksarchivaris ondergeschikt werd, maar voor het technische gedeelte van zijn taak verantwoording schuldig bleef aan de Rijksgebouwkundige.Aan Bron werd op 1 februari 1942 eervol ontslag verleend, wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Als opvolger werd M.J. Gelauff met ingang van 1 maart 1942 tijdelijk aangesteld als chefvakman. Met ingang van 1 december 1963 werd aan Gelauff eervol ontslag verleend.
Niet compleet.
Niet compleet.
De Commissie voor het uitgeven van een oorkondenboek van Holland en Zeeland is eind 1857 ingesteld door de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Tot leden werden benoemd de heren Bakhuizen van den Brink (tevens voorzitter), Van den Bergh, Delprat, De Vries en De Wal, met Van Limburg Brouwer, later P.L. Muller, als secretaris. Het bureau van de commissie was gevestigd in het Rijks Archief te Den Haag. Het oorkondenboek zou moeten bestaan uit drie afdelingen, de eerste tot 1299, de tweede tot 1428 en de derde tot 1482. L.Ph.C. van den Bergh, R. C. Bakhuizen van den Brink en P.A.S. van Limburg Brouwer zouden elk een deel verzorgen. De eerste afdeling, verscheen in twee gedeelten in de jaren 1866-1873, verzorgd door Van den Bergh. Van de derde afdeling verscheen in 1869 "Boergoensche charters 1428-1482, verzameld door mr. P.A.S. van Limburg Brouwer", terwijl van de tweede afdeling de publicaties beperkt bleven tot "Regesta Hannonensia, lijst van oorkonden betreffende Holland en Zeeland uit het tijdvak der regeering van het Henegouwsche huis, 1299-1345, die in het Charterboek van Van Mieris ontbreken", verzorgd door P.L. Muller en gepubliceerd in 1881. Na het vertrek van P.L. Muller, de opvolger van Van Limburg Brouwer, werden de werkzaamheden aan het oorkondenboek niet meer voortgezet.
Het archief van de commissie bleef in het Rijksarchief berusten als onderdeel van de Verspreide Collecties, en kwam na 1930 in de verzameling Handschriften van de Derde Afdeling van het Algemeen Rijksarchief terecht. In 2020 is het archief toegevoegd aan het archief van het Algemeen Rijksarchief, waar het naar zijn aard beter op zijn plaats is.
Incompleet
Incompleet
Op fiches.
Enkele komen niet in het gedrukte werk voor terwijl andere daarentegen in het gedrukte werk voorkomen welke hier ontbreken.
Voorheen geregistreerd als inv.nr. 9 van archieftoegang 3.22.01.01 (Handschriften). Vervallen; plaats onbekend.
Op fiches.
Voorheen geregistreerd als inv.nr. 12 van archieftoegang 3.22.01.01 (Handschriften). Vervallen; plaats onbekend.
In handschrift van F. van Mieris, aangevuld met afschriften van Kluit, Bondam, Van Wijn, Bakhuizen van den Brink en Hingman.
Aangekocht op de auctie Scheurleer te Den Haag op 16 december 1844, cat.nrs. 96-98.
Deze verzameling afschriften is als basis gebruikt bij de vervaardiging van het Oorkondenboek van Holland en Zeeland.
Aangekocht op de auctie Scheurleer te Den Haag op 16 december 1844, cat.nrs. 99-100.
Op 2 december 1895 werd J. Kruyt door de Rijksbouwkundige voor de gebouwen van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen belast met het dagelijks toezicht op het maken van de onderbouw van het depot van het Algemeen Rijksarchief. De opzichter was rekening en verantwoording schuldig aan de Rijksbouwkundige. Later werd ook het toezicht op het maken van de bovenbouw van het depot en het dienstgebouw aan hem opgedragen. Vanaf 6 december 1899 kreeg hij assistentie van de opzichter J.J. Schlieker.Bij beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken van 28 december 1903, nummer 3241, afdeling Kunsten en Wetenschappen, werd J. Kruyt benoemd tot buitengewoon opzichter bij de uitbreiding van de Koninklijke Bibliotheek en bij ministeriële beschikking van 31 december 1904, La. A2, afdeling Kunsten en Wetenschappen, benoemd tot buitengewoon opzichter belast met het dagelijks toezicht op het onderhoud van het gebouw van het provinciaal bestuur van Zuid-Holland. Vanaf 1905 kreeg de opzichter ook bemoeiingen met het museum Mesdag.
De correspondentie werd hoofdzakelijk gevoerd met de Rijksbouwkundige J. van Lokhorst, diens plaatsvervanger de adjunct-rijksbouwkundige Van Wadenoijen en aannemers en leveranciers van materialen. De Rijksbouwkundige zond zijn correspondentie met derden betreffende de bouw van het Algemeen Rijksarchief ter informatie aan de opzichter, die daarvan afschriften maakte en de originele (minuut-)exemplaren terugzond. Het merendeel van de ingekomen brieven bestaat uit de laatstgenoemde categorie.
In de correspondentie is vaak sprake van het Centraal Archief in plaats van het Algemeen Rijksarchief. Dit komt voort uit het idee dat men toen had om de rijks- en provinciale archieven centraal in één depot te bewaren. Ook de titulatuur van Kruyt werd in de adressering regelmatig verwisseld, daar hij opzichter was over meerdere projekten. In de correspondentie bevinden zich enkele stukken met betrekking tot de verbouwing van de Koninklijke Bibliotheek, het gouvernementsgebouw van Zuid-Holland en het museum Mesdag. Dit staat echter niet altijd in de agenda aangegeven.
Blanco.
Ingevolge de instructie voor de opzichter was deze verplicht een dagboek bij te houden, waarin de vordering van het werk, het aantal werklieden, de aangevoerde materialen en dergelijke werden aangetekend. Ook de weersgesteldheid moest vermeld worden, zodat altijd nagegaan kon worden of er door regen vertraging in het werk was ontstaan. Dit dagboek werd in het archief niet aangetroffen, evenmin als afschriften van de weekrapporten en de verrekeningsstaten, hoewel in art. 9 van de instructie duidelijk vermeld staat dat "van alle uitgaande stukken een kopie moet worden gehouden en deze met de ingekomen stukken zorgvuldig moeten worden bewaard". Eveneens ontbreken een register waarin aantekening gehouden moest worden van de tekeningen met de nummers, de onderwerpen en de datum van ontvangst, respectievelijk verzending, en een register betreffende de verwerkte materialen en de verrekening daarvan. Dit laatste register moest wekelijks worden afgesloten.
Tekening nummer 1 ontbreekt.
Tekeningen 1, 2 en 4 ontbreken.
De Archiefschool is opgericht bij Koninklijk besluit van 28 oktober 1919 no. 30, als onderdeel van het Algemeen Rijksarchief te Den Haag. De school leidde op tot wetenschappelijk archiefambtenaar der 1e en 2e klasse, welk kwalificatie vereist was om benoemd te worden aan een gemeentelijke of rijksarchiefbewaarplaats. De opleiding werd bestond uit een theoretisch gedeelte en een stage aan het Algemeen Rijksarchief. De opleiding werd afgesloten met een staatsexamen, afgenomen door de leraren van de school. Bij Koninklijk besluit van 28 juli 1924 nr. 308 werd de school tijdelijk buiten werking gesteld. De redenen hiertoe waren tweeërlei. De school was zeer succesvol en had in vijf cursusjaren veel meer archivarissen opgeleid dan er plaatsen voor hen beschikbaar waren. Daarnaast was er de noodzaak tot bezuinigingen op de Staatsbegroting.
Na opheffing van de Archiefschool werd een examencommissie voor het afnemen van de archiefexamens ingesteld, waartoe als eerste leden de oud-docenten van de Archiefschool werden benoemd. Deze commissie is blijven bestaan tot 2001.
In de jaren 1951/1952 en 1952/1953 heeft een particuliere Archiefschool gefunctioneerd, gedragen door de archivarissen C.G.H. Bloemen en J.L. van der Gouw. Deze opleiding, bedoeld als voorbereiding voor het archiefexamen 2e klasse, is voortgekomen uit de cursus bedrijfsarchivist, opgezet door Bloemen als archivaris van de Staatsmijnen.
Bij Koninklijk besluit van 26 juli 1955 nr. 12 werd de school als Rijksarchiefschool (opnieuw) opgericht. De algemene rijksarchivaris was directeur van de school en de lessen werden in het Algemeen Rijksarchief gegeven. De stages werden gelopen aan een gemeente- of rijksarchief. In 1969 kreeg de Rijksarchiefschool een eigen (tot 1972: waarnemend) directeur. De Rijksarchiefschool werd overgeplaatst naar Utrecht en kwam organisatorisch los te staan van het Algemeen Rijksarchief.
Overdrukken uit de Verslagen omtrent 's Rijks oude archieven.
De verslagen over de jaren 1922/23 en 1923/24 ontbreken. Zie hiervoor de Verslagen omtrent 's Rijks oude archieven over de jaren 1923 en 1924 (inv.nrs. 991 en 993).
Deze dictaten behoren in stricte zin niet tot het archief van de Archiefschool, maar tot dat van Van de Ven, als opsteller ervan. Deze heeft de dictaten op een onbekend tijdstip geschonken aan de Archiefschool, met de bedoeling ze als historische bron te bewaren.
Met stempel 'Geprüft Stalag 371'.
Aanwinst 2015; geschenk van M.G.H.A. de Graaff.
Overdruk uit de Verslagen omtrent 's Rijks oude archieven 1920.
Document nr. 241 bevat een opsomming van alle documenten 1-241.
Bevat gefotokopieerde paleografische teksten, genummerd 1-53.
Genummerd exemplaar no. 45.
'Leesoefening in de Latijnse taal' ontbreekt. Zie NA-bibliotheek.
Het betreft stukken van de commissie.
Het Rijks Historisch Filmarchief is opgericht ter voortzetting van de taken van de vereniging Nederlands Centraal Filmarchief (1919-1933). Het filmarchief was bestemd tot bewaring van in Nederland vervaardigde documentaire films over het sociale, culturele en historische leven in het land. Het archief was ondergebracht in het gebouw van het Algemeen Rijksarchief aan het Bleijenburg. Toen men zich in 1937 realiseerde dat de meerderheid van de collectie uit zeer brandbare nitraatfilms bestond, werden de films ondergebracht in een gebouw te Delft. In het najaar van 1940 werden de films opgeslagen in een stal van de buitenplaats De Voorde te Rijswijk, om na de oorlog te verhuizen naar de bunker van Seyss Inquart, gelegen in de tuin van het Ministerie van Buitenlandse Zaken achter het depotgebouw van het Algemeen Rijksarchief. Deze berging voldeed niet aan de minimale eisen van goed beheer.
In 1951 werd dan ook besloten om de films in bewaring te geven aan het Nederlands Historisch Filmarchief, dat in 1952 opging in het toen opgerichte Nederlands Filmmuseum te Amsterdam. De taken van het Rijks Historisch Filmarchief bleven beperkt tot passieve bewaring. Van vertoning der films en aanvulling van de collectie was nauwelijks sprake.
In mei 1940 bood de weduwe van C.H. Fenema enkele verzamelingen genealogische documentatie aan het Rijk ten geschenke aan, onder voorwaarde dat de collecties door het Rijk zouden worden in stand gehouden en voortgezet. De secretaris-generaal van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (de minister verbleef in Londen) accepteerde deze schenking. De algemene rijksarchivaris werd met het beheer belast. In het gebouw van het ARA aan het Bleijenburg was voor deze collecties geen plaats: ze werden voorlopig opgesteld in het gebouw van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie aan de Korte Vijverberg 7. Het was de bedoeling dat het feitelijke beheer van deze en andere genealogische collecties aan een op te richten stichting zou worden opgedragen. Gelet op de pogingen van enkele personen uit de hoek van de NSB en de SS om zich over dit materiaal te ontfermen, werd hiertoe niet overgegaan. Het beheer bleef bij de algemene rijksarchivaris als afzonderlijke organisatorische eenheid: de Rijks Genealogische Verzamelingen. Met de feitelijke werkzaamheden werd vanaf 1941 F. de Josselin de Jong belast. Ook de stichting Het Nederlands Patriciaat heeft zijn collecties in beheer gegeven. Terstond na de bevrijding, op 29 mei 1945, werd met instemming van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG) opgericht als stichting tot beheer van rijks en andere genealogische verzamelingen. Het CBG werd gehuisvest in het pand Nassaulaan 18 van de voormalige Nederlandse Overzee Trustmaatschappij, dat in 1937 aan het Rijk was geschonken (en thans de basis vormt van het vermogen van het NOT-fonds).
Deze correspondentie is in 1945 overgegeven aan de administratie van het Centraal Bureau voor Genealogie.
In januari 1944 werd het kasteel De Cannenburgh te Vaassen ingericht tot en aangewezen als rijksarchiefbewaarplaats ter berging van de retroacta van de burgerlijke stand (doop-, trouw- en begraafboeken). De Centrale Dienst voor Sibbekunde te Apeldoorn had de opdracht verkregen om deze registers te verfilmen. In september 1944 werden deze werkzaamheden gestaakt, waarna de werkzaamheden beperkt bleven tot de bewaking van de archieven en het kasteelgebouw. Bij K.B. van 23 januari 1946 no. 9 is te rekenen vanaf 1 januari 1946 deze rijksarchiefbewaarplaats opgeheven.
Het Tweede Internationale Archiefcongres van de Conseil International des Archives werd gehouden van 16-19 juni 1953 in het Kurhaus te Scheveningen. De voorbereiding en organisatie werd verzorgd door een organisatiecomité waarvan de algemene rijksarchivaris Graswinckel voorzitter was. Tijdens het congres werden zaken besproken als een internationale archiefterminologie, opleiding van archivarissen, internationale uitlening van archiefstukken.
De geregistreerde brieven zijn gemerkt K1-K510.
De brieven zijn deels ongenummerd en deels genummerd K1-K516.
Het betreft afdrukken van ANP-foto's.