Archief
Titel
2.14.140 Inventaris van het archief van het domein gebouwd erfgoed van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en taakvoorgangers, (1865) 1903-2013
Auteur
Doc-DirektVersie
17-02-2025
Copyright
Nationaal Archief, Den Haag
2022 cc0Beschrijving van het archief
Naam archiefblok
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Domein Gebouwd Erfgoed OCW / RCE Gebouwd Erfgoed
Periodisering
archiefvorming: 1903-2013 oudste stuk - jongste stuk: 1865-2013
Archiefbloknummer
O76Omvang
2348 inventarisnummer(s) 71,50 meterTaal van het archiefmateriaal
Het merendeel der stukken is in het.
Nederlands
Soort archiefmateriaal
Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften. Bevat digitale dragers, foto's en glasnegatieven.Archiefdienst
Nationaal Archief, Den HaagLocatie
Den HaagArchiefvormers
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) (, 2009-2013) Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) (, 2006-2009) Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) (, 1947-2006) Rijksbureau voor de Monumentenzorg (RBMZ) (, 1918-1947) Rijkscommissie voor de Monumentenzorg (RCMZ) (, 1918-1947) Rijkscommissie voor de Monumentbeschrijving (RCMB) (, 1903-1918) Monumentenraad (, 1961-1990) Voorlopige Monumentenraad (, 1946-1961) Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) (, 1947-2006)Samenvatting van de inhoud van het archief
Dit archief bevat de neerslag van de taakuitvoering van de RCE, met name van het domein Gebouwd Erfgoed. Het archief bevat documentatie, correspondentie, besluiten en verslagen met betrekking op de taakuitvoering van de RCE en haar taakvoorgangers. Het betreft met name documentatie op het gebied van monumentenzorg.Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
Oprichting en taken
In 1873 publiceerde V.E.L. (Victor) de Stuers in De Gids zijn artikel ‘Holland op zijn smalst’. Hierin verwoordde hij wat sinds midden van de negentiende eeuw bij historici en architecten leefde: de zorg voor monumenten als taak van de overheid. In 1875 werd bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken een afdeling Kunsten en Wetenschappen ingesteld, met De Stuers als afdelingshoofd (tot 1901). Architect P.J.H. (Pierre) Cuypers werd adviseur van het departement en was betrokken bij bouw- en restauratiedossiers. In 1903 werd – mede op aandringen van de Nederlandsche Oudheidkundige Bond - de Rijkscommissie voor de Monumentenbeschrijving ingesteld.
Rijkscommissie voor de Monumentenbeschrijving (RCMB), 1903 - 1918
Victor De Stuers en Pierre Cuypers speelden een belangrijke rol in de Rijkscommissie tot het opmaken en uitgeven van een Inventaris en eene Beschrijving van de Nederlandsche monumenten van Geschiedenis en Kunst. Deze werd in 1903 bij Koninklijk Besluit opgericht (7 juli 1903, KB 44). De naam werd Rijkscommissie voor de Monumentenbeschrijving. Opdracht was om van de belangrijkste historische gebouwen in Nederland wetenschappelijk verantwoorde beschrijvingen te maken, en uit te geven als ‘De Geïllustreerde Beschrijving van de Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst’. Daarnaast wilde de commissie per provincie een overzicht van historische gebouwen maken en publiceren. Men hoopte met deze Voorloopige Lijst bewustwording te creëren in een tijd waarin veel gebouwen gesloopt werden. In 1918 werd de Rijkscommissie opgeheven, er waren toen vier delen van de Voorlopige Lijst klaar.
Jan Kalf was secretaris van het stafbureau van de Rijkscommissie voor de Monumentenbeschrijving, de enige betaalde kracht. Van zijn hand verscheen in 1912 het eerste deel van de voorgenomen reeks Geïllustreerde Beschrijvingen: De voormalige Baronie van Breda.
Vanaf 1910 ontwikkelde zich een discussie over restauratieprincipes, die vijf jaar later resulteerde in de ‘Grondbeginselen en voorschriften voor het behoud, de herstelling en de uitbreiding van oude bouwwerken’ (1915). Hiermee werd afstand gedaan van de restauratieopvattingen van Cuypers en De Stuers.
Rijksbureau voor de Monumentenzorg (RBMZ), 1918 - 1947
In 1918 werd het Rijksbureau voor de Monumentenzorg ingesteld. Dit orgaan verzorgde de ambtelijke ondersteuning voor een nieuw (onbezoldigd) adviesorgaan dat werd ingesteld na het overlijden van De Stuers in 1918. De regering besloot tot oprichting van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg (RCMZ). Deze kreeg een afdeling Beschrijving (afdeling A) onder het voorzitterschap van mr. Dr. J.C. Overvoorde, en een afdeling Herstel (afdeling B). De eerste zette het werk voort van de Geïllustreerde Beschrijving en de Voorloopige Lijst. Afdeling B richtte zich op de bouwkundige begeleiding van restauraties.
Bij een reorganisatie in 1933 werden de afdelingen hernoemd naar secties. Tot en met 1939 bestaat de RCMZ uit de volgende secties:
- Sectie Beschrijving (voormalig afdeling A)
- Sectie Instandhouding (voormalig afdeling B)
Inspectie Kunstbescherming, 1939 - 1946
In 1939 kwam daar, in verband met de dreigende oorlog, de Inspectie Kunstbescherming bij, onder leiding van de reeds gepensioneerde Jan Kalf. Al in 1929 had hij vanuit de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW) opdracht gekregen zich hiermee bezig te houden. Een verslag over reddingsacties van kunst in de Spaanse burgeroorlog stimuleerde Kalf in 1937 om maatregelen voor Nederland te treffen. Hij presenteerde zijn voorstellen aan de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg onder de titel Bescherming van Kunstwerken tegen oorlogsgevaar, in juli 1938.
De Inspectie Kunstbescherming kreeg de volgende taken mee:
- Beveiliging en brandveiligheid van musea, bibliotheken, archieven, kerken en honderd monumenten;
- Inrichting van bomvrije bergplaatsen.
Vlak na het begin van de Tweede Wereldoorlog werd op 21 mei 1940 het Besluit Wederopbouw I uitgevaardigd. In het besluit (art.4) staat: Werken en gebouwen die als monument zijn aangemerkt door de daartoe bevoegde instantie mogen niet worden gesloopt of veranderd dan na voorafgaande toestemming van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg. Uitgangspunt was de Voorloopige Lijst die daarmee de status van monumentenregister kreeg. Ook na de oorlog bleef de Inspectie Kunstbescherming actief voor de inventarisatie van de schade en het herstel van verwoeste of beschadigde monumenten. Een andere belangrijke taak van de kunstbescherming was het beschermen van klokken en orgels. Samen met De Nederlandse Klokken- en Orgelraad (NKOR) werden lijsten opgesteld welke klokken er in oorlogstijd eventueel geofferd mogen worden.
Voorlopige Commissie voor de Monumentenzorg, 1944 - 1946
In het najaar van 1944 werden delen in Zuid-Nederland als eerste bevrijd. Met steun van de Dienst voor de Wederopbouw werd een Voorlopige Commissie voor de Monumentenzorg opgericht. Met architecten werd de schade in het zuiden in kaart gebracht en werden noodherstelwerkzaamheden uitgevoerd. Daarnaast werd vanuit het departement de opdracht gegeven om het Rijksbureau te reorganiseren.
Voorlopige Monumentenraad, 1946 - 1961
Ondertussen was na de oorlog een Voorlopige Monumentenraad ingesteld, met als taak een nieuw wetsontwerp voor een Nederlandse Monumentenwet voor te bereiden. In de jaren 1940-1943 waren op verzoek van de Duitse bezetter vijf ontwerpen opgesteld waarin een Monumentenraad als koepel voor monumentenzorg, oudheidkundig bodemonderzoek en musea zou functioneren. Ondanks bezwaren door de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg werd de Voorlopige Monumentenraad bij ministeriële beschikking op 9 september 1946 ingesteld. De raad functioneerde naast de RCMZ.
De Voorlopige Monumentenraad kende vijf rijkscommissies:
- Rijkscommissie voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB)
- Rijkscommissie voor de Monumentenzorg (restauratie)
- Rijkscommissie voor de Musea
- Rijkscommissie voor de Monumentenbeschrijving
- Rijkscommissie voor de bescherming van Monumenten tegen Oorlogsgevaar
College van Advies inzake door oorlogsgeweld beschadigde monumenten, 1946 - 1965
In 1946 werd er nog een afzonderlijk orgaan ingesteld, het College van Advies inzake door oorlogsgeweld beschadigde monumenten. Overleg tussen diverse departementen in 1945 en 1946 leverde dit College op, dat de regering moest adviseren welke monumenten voor restauratie in aanmerking kwamen en in welke volgorde. Ook de financiering en coördinatie van de uitvoering lag bij dit College dat werd ondergebracht bij het Ministerie van OKW. De technische begeleiding van de restauraties bleef onderdeel van de Rijkscommissie en het RBMZ, totdat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) een jaar later werd opgericht.
Het College van Advies bleef tot 1965 bestaan en was nauw verbonden met de RDMZ. Die band werd alleen maar sterker toen de RDMZ eind jaren ‘50 actief op zoek ging naar nog niet aangemelde schadegevallen om deze nog binnen de regelingen van het College van Advies onder te brengen voordat zij werd opgeheven.
Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ), 1947 - 1967
De reorganisatie van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg verliep niet vlot. Het departement greep daarom in en stelde per 31 januari 1947 de Rijksdienst voor de Monumentenzorg in. In naam bleef het Rijksbureau bestaan maar het werd een van de vier onderafdelingen binnen de Rijksdienst. Dat leverde de volgende afdelingen op:
- Algemene Zaken
- Beschrijving o Continuering Geïllustreerde Beschrijving
- Kunsthistorische begeleiding van restauraties
- Rijksbureau voor de Monumentenzorg/Restauraties o Opgedeeld in vier regio’s met rayonarchitecten
- Bescherming Oorlogsgevaren o Afhandelen van taken van de voormalige Inspectie Kunstbescherming
- Toezichthouden op blusinstallaties en bomvrije bergplaatsen
Vanaf 1950 werd het Besluit Wederopbouw I van Winckelman vertaald naar de Tijdelijke Wet Monumentenzorg om overhaaste sloop tegen te gaan van panden die op de Voorlopige Lijst staan. Veel gemeenten wilden hun saneringsplannen die door de oorlog waren blijven liggen snel ter hand nemen. Zo kwamen er een aantal thema’s bij: Woonhuismonumenten, Landelijke bouwkunst, Beschermde stads- en dorpsgezichten, jongere bouwkunst en stedenbouw. Vanuit het Ministerie van OKW kwamen samenwerkingsregelingen tussen gemeenten, OKW en het Ministerie van Wederopbouw.
Monumentenraad, 1961 - 1990
In 1961 werd de Monumentenwet van kracht en veranderde de naam ‘voorlopige Monumentenraad’ in Monumentenraad. De afdelingsstructuur van de voorlopige raad bleef bij de inwerkingtreding van de Monumentenraad intact. De praktische uitvoering van de werkzaamheden kwam voor een groot deel terecht bij de RDMZ. Zo richtte de afdeling Beschrijven zich op het maken van een nieuwe inventarisatie van te beschermen monumenten en het opstellen en bijhouden van een Monumentenregister. Toen het register in 1969 klaar was, ging men verder met de Geïllustreerde Beschrijving waar in de periode 1959-1969 niet aan gewerkt was.
Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ), 1965 - 1985
De gevolgen van het door de Monumentenraad opgestelde Monumentenregister werden halverwege de jaren ’60 goed merkbaar voor de RDMZ. Conform de Monumentenwet hadden monumenteigenaren een vergunning nodig als ze iets wilden veranderen aan hun gebouw. De RDMZ was belast met de uitvoering van de wet die soms op weerstand stuitte. In 1967 werd het mandaat over de besteding van de monumentensubsidies naar de RDMZ overgeheveld.
In datzelfde jaar dienden voor de Raad van State de eerste beroepen tegen de registraties als monument. In eerste instantie was het hoofd van de afdeling Beschrijving van de RDMZ de vertegenwoordiger van de minister, maar al snel kwam er een afdeling Juridische Zaken binnen de RDMZ. Officieel werd deze pas in september 1972 ingesteld, maar zij functioneerde toen al langer als zodanig.
In totaal werden tussen 1965 en 1975 ongeveer 5.000 beroepen ingesteld tegen plaatsing op de lijst. De Rijksdienst leek volkomen verrast door dit massale protest, waardoor directie, bouwkundigen en kunsthistorici alsnog tussen de bedrijven door allerlei voorlichtende activiteiten moesten ondernemen. Uiteindelijk werd de meerderheid van de beroepen ingetrokken, omdat voor eigenaren bleek dat verbouwing in de praktijk toch mogelijk was en subsidie of belastingverlichting op kon leveren. In andere gevallen zal men berustend de nederlaag tegen de ambtelijke molens erkend hebben. Pas in de jaren tachtig werden de laatste van de circa 1.000 beroepen, die uiteindelijk toch doorgezet werden, afgehandeld.
In die periode verplaatste zich het Directoraat waar Monumentenzorg onder viel. In april 1965 ging de Directie Kunsten en Volksontwikkeling van het Ministerie van Onderwijs, Kunst en Wetenschap (OKW) naar het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk (CRM). De Directie Oudheidkunde en Natuurbescherming (OKN) met afdeling Oudheidkunde en Bureau Monumentenzorg werd in 1971 omgezet in de Directie Monumenten, Musea en Archieven (MMA).
In 1979 kreeg de RDMZ er een Dienstcommissie bij. Dit zorgde ervoor dat de werknemers meer zeggenschap kregen. Zodoende werd het personeel een belangrijke gesprekspartner voor alle veranderingen die er op stapel stonden. De RDMZ kreeg een steeds zelfstandiger karakter, waarbij het op veel gebieden onafhankelijk van het ministerie opereerde.
In de jaren ’80 verscheen het rapport Heroverweging Monumentenzorg, met een voorstel om deze onder te brengen bij VROM. Desondanks bleef Monumentenzorg onderdeel van cultuurbeleid ressorterend onder het Ministerie van Welzijn, Volksontwikkeling en Cultuur (WVC). Minister Brinkman presenteerde in 1984 met de Nota voor de Monumentenzorg een voorstel tot decentralisatie en oprichting van een Nationaal Restauratiefonds. Het Rijk hield de bevoegdheid om monumenten aan te wijzen, de zorg (restauraties en onderhoud) werd een zaak tussen gemeenten en particulieren. Gemeenten met goedgekeurde monumentenverordeningen en een monumentencommissie mochten vergunningen afgeven. Degene die dat niet hadden, konden alsnog een vergunningaanvraag doen bij de RDMZ.
Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ), 1985 - 2006
Vanaf 1985 bereidde de afdeling Juridische Zaken en Monumentenregistratie de herziening van de monumentenwet voor. Doelstellingen waren: het vereenvoudigen van procedures, delegeren van verantwoordelijkheden, vergroten van particulier initiatief en financieel draagvlak, verbinding met andere beleidsterreinen en bundeling van kennis. Een wetsvoorstel in 1987 gaf de bevoegdheid voor vergunningen (wijziging of verwijdering monumenten) aan gemeenten. Bij monumenten buiten de bebouwde kom waren minister en Gedeputeerde Staten adviserend. Dit kreeg zijn beslag in de Monumentenwet 1988 (Koninklijk Besluit 23 december 1988). Per 1 januari 1989 werden taken en bevoegdheden naar de gemeenten overgeheveld, zoals het verlenen van vergunning voor restauraties van beschermde rijksmonumenten. Vervolgens werd de Monumentenraad per 1 januari 1990 opgeheven. Taken gingen op in de nieuw ingestelde Raad voor het Cultuurbeheer.
Vooruitlopend op de nieuwe monumentenwet werd de Rijkssubsidiëring Restauratie Monumenten (RRM) ingesteld en het Nationaal Restauratiefonds (NRF) opgericht. Na 5 jaar werd de regeling in 1991 vervangen door het Besluit Rijkssubsidiëring Restauratie Monumenten (BRRM). Het BRRM leverde veel nieuwe gemeentelijke monumentenverordeningen en vergunningen op. De RDMZ bleef de subsidiabele restauratiekosten vaststellen en stelde een Leidraad subsidiabele restauratiekosten op.
Restauraties werden begeleid door gemeenten of door de RDMZ als de gemeenten dat zelf niet konden. Naast een gemeentelijk loket bleef de RDMZ aanspreekpunt voor specifieke vragen. De Rijksmonumentenlijst was tot dusver gebaseerd op inventarisatie van monumenten tot 1850.
De RDMZ kreeg in 1986 de opdracht om een inventarisatie te maken van gebouwen uit latere periode: het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Het resulteerde in een overzicht van jongere bouwkunst en stedenbouw in Nederland. De selectie en registratie voor het meerjarenproject gebeurden via het Monumenten Selectie Proces (MSP) en de Monumenten Registratie Procedure (MRP). Na een proefproject startte het MIP in 1987 in 12 provincies en de vier grote steden. Ruim 160.000 objecten werden geïnventariseerd. Ook het MSP werd na een proef over de provincies uitgerold, in 1994. Vanaf dat jaar werd er gewerkt aan de Objecten Data Bank (OBD) als opvolger van het Monumenten Registratie Systeem (MRS), dat in 1984 door automatisering was ontwikkeld. Naar aanleiding van het in 1994 gepresenteerde rapport Monumenten beter bekeken stelde het Rijk extra middelen beschikbaar om het geformuleerde doel: binnen 10 jaar 90% van alle rijksmonumenten weer in goede staat, te bereiken. Dit resulteerde in de nota Naar een decentrale ondersteuning van integrale monumentenzorg, waarmee de RDMZ de aanzet gaf voor het ontwikkelen van een landelijk Steunpuntennetwerk.
Voor de periode 1996-2000 werd gewerkt vanuit het beleidsplan Monumenten breed bekeken. De RDMZ werd gezien als centraal punt voor service, kennis, informatie en documentatie. Specialisten (o.a. op gebied van orgels, klokken, uurwerken, schilderingen, kleur, beeldhouwwerk, ornamenten, inrichting openbare ruimten en veiligheid) gaven objectgerichte en materiaal-technische adviezen. De dienst had als kennisinstituut een adviserende en ondersteunende functie. Er werd gewerkt aan publicaties, vademecums, handreikingen en praktische brochures. Kennis en waardering voor historische stads- en dorpsgezichten werd verspreid door adviseurs en consulenten van de regioservice.
Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM), 2006 - 2009 en Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), 2009 - 2013
Om de samenhang te versterken fuseerden in 2006 de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) tot de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM). Daarmee kwamen de archeologische tak en de monumentenzorg weer onder één dak.
Bij oprichting kreeg de RACM de volgende taken mee:
- Namens de minister uitvoeren van de Monumentenwet 1988, zowel niet archeologische als archeologische monumentenzorg
- Als kenniscentrum fungeren voor de instandhouding van het gebouwde en cultuurlandschappelijke erfgoed van Nederland
- (Mede)verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling en het uitvoeren van het beleid met betrekking tot de monumentenzorg
- Als kennisinstituut fungeren voor de bescherming van waardevolle sporen van menselijke bewoning
- (Mede)verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling en het uitvoeren van het beleid voor archeologische monumentenzorg
In 2009 is de naam van de RACM gewijzigd in de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Dit werd ingegeven vanuit het feit dat de lengte en complexiteit van de naam Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten zorgde voor onpraktische situaties en misverstanden. De RCE kreeg in eerste instantie dezelfde taken mee als de RACM. In 2011 werd de RCE uitgebreid doordat ook het Instituut Collectie Nederland (ICN) werd toegevoegd aan de rijksdienst. Hierdoor kwam ook het beheer en behoud van het roerend erfgoed bij de RCE te liggen.Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) en Rijksbureau voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (RBOB)
Voor de beschrijving van de ROB en RBOB: zie 2.14.83 Inventaris van het archief van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, (1939) 1946-1997.
Lambertus Christianus (Lambert) Hezenmans (1841-1909)
Restauratie-architect L.C. Hezenmans verrichtte in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken ten behoeve van de rijksadviseurs voor de monumenten tussen 1880 en 1906 herhaaldelijk de inspectie, vaak samen met P.J.H. Cuypers, van restauratiewerken van voornamelijk kerken. Daarnaast was hij van 1903 tot 1909 lid van de Rijkscommissie tot het opmaken en uitgeven van een inventarisatie en een beschrijving van de Nederlandsche monumenten en kunst, waarvoor hij de monumenten van enkele Brabantse gemeenten inventariseerde.
Jan Kalf (1873-1954)
Jan Kalf zette zich decennialang in voor de monumentenzorg. Hij bekleedde verschillende functies. Hij was secretaris van het stafbureau van de Rijkscommissie voor de Monumentenbeschrijving; directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg; secretaris van de afdeling Herstel van de Rijkscommissie; hoofd van de Inspectie Kunstbescherming. Kalf speelt tijdens de Tweede Wereldoorlog een centrale rol in de monumentenzorg.
Geschiedenis van het archiefbeheer
Het archief is gevormd bij de uitvoering van de werkzaamheden van de RCE en taakvoorgangers. De neerslag dateert uit 1903 tot 2013. Het archief heeft diverse opslagplaatsen gekend. Het archief van IRM en DRVK/DVR was opgeslagen in de Kazernestraat 3 te Den Haag. De NKS is vanaf haar ontstaan gevestigd geweest in de Oostelijke Handelskade 29 te Amsterdam, alwaar ook de bescheiden bewaard werden. In de Oranje Nassaulaan 16 te Amsterdam bevond zich de neerslag van het CL en van de Opleiding Restauratoren (OR). Het archief van de Programmeringscommissie lag opgeslagen in het depot van het gebouw van het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur aan de Sir W. Churchilllaan 362 te Rijswijk. Het BBKB was gevestigd aan de Oostelijke Handelskade 29 te Amsterdam, alwaar het archief opgeslagen werd. Het archief van de RBK is gevormd en opgeslagen geweest in het depot aan Plein 13 te Den Haag.
Met de reorganisatie en de opkomst van het ICN is het archief van de taakvoorgangers op onderwerp verspreid over de volgende locaties. Op de Gabriël Metsustraat 16 te Amsterdam werden de onderzoeksrapporten betreffende conservering opgeslagen, op de Keizersgracht 497 te Amsterdam kwam het archief betreffende bedrijfsvoering en voorlichting te liggen. Het collectiemateriaal zoals de legaten, schenkingen, bruiklenen en de objectdossiers werd opgeslagen op de Visseringlaan 3 te Rijswijk. De conditie van deze genoemde opslagplaatsen was goed, behalve de ruimte op de Keizersgracht 497 te Amsterdam.
In 2020 en 2021 is het archief voor beheer en bewerking overgebracht naar Doc-Direkt waar het opgeslagen is in het depot in Apeldoorn aan de Stadhoudersmolenweg 53. De archiefstukken zijn voornamelijk afkomstig van de Visseringlaan in Rijswijk omdat dit pand niet langer de kunstcollectie van de RCE zal huisvesten. De collectiestukken en het dynamische archief zijn overgebracht naar het nieuwe CollectieCentrum Nederland (CCNL) te Amersfoort.
De verwerving van het archief
Het archief is in 2025 door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap overgebracht naar het Nationaal Archief, krachtens artikel 12 van de Archiefwet 1995
Inhoud en structuur van het archief
Inhoud
Het archief beslaat de neerslag van de taken van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en taakvoorgangers. Het betreft de archiefvormers die hiervoor zijn benoemd en beschreven. Het betreft met name documentatie op het gebied van collectiebeheer en -behoud en monumentenzorg. Waarbij er veel dossiers zijn die geënt zijn op bruiklenen van de kunstcollectie van de Staat der Nederlanden en allerhande dossiers over het opstellen van een monumentenregister en de monumentenzorg. Het archief bevat naast tekstueel archiefmateriaal ook een aanzienlijke hoeveelheid archiefmateriaal op bijzonder archiefdragers. Zo zijn er foto’s (positieven/negatieven), glasnegatieven, fotokaarten, dia-carrousels, tekeningen en kaarten in het archief aanwezig.
De begincesuur van het te bewerken archief is bepaald op 1903, het jaartal waarin de eerste officiële taakvoorganger van de RCE, de Rijkscommissie voor de Monumentenbeschrijving, werd ingesteld. Incidenteel bevat het archief dossiers en archiefstukken die van voor deze datum zijn. Dit zijn archiefstukken die later door de RCE en taakvoorgangers zijn verworven en in het archief zijn opgenomen. De eindcesuur is bepaald op 2013, dit is het jaar tot waar het archief van de RCE grotendeels is afgesloten. Jongere archieven zijn nog dusdanig dynamisch dat deze nog niet voor bewerken zijn overgedragen, bovendien is na 2013 een groot deel van het archief digitaal gevormd, dan wel digitaal bewaard.
Selectie en vernietiging
De selectie heeft plaatsgevonden aan de hand van de volgende vastgestelde Basis Selectie Documenten (BSD's):
- [015] Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Rijksbegroting over de periode 1945–2000, vastgesteld bij besluit van 25-01-2005 Nr. C/S/05/136 31-03-2005/Nr. 62
- [033] Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op het beleidsterrein Monumentenzorg over de periode vanaf 1945, vastgesteld bij besluit van 19-12-2011 Nr. NA/2011/8861 04-01-2012/Nr. 117
- [045] Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein rijkshuisvesting over de periode vanaf 1945, vastgesteld bij besluit van 12-03-2007 C/S&A/07/598 26-07-2007/Nr. 142
- [046] Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Voorlichting van de rijksoverheid, over de periode 1945-, vastgesteld bij besluit van 03-05-2007 C/S&A/07/1168 14-06-2007/Nr. 112
- [072] Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen als vakminister en de onder hem als vakminister ressorterende actoren op het deelbeleidsterrein arbeidsverhoudingen bij de overheid over de periode 1945-1995 (1997), vastgesteld bij besluit van 30-07-2001 R&B/OSA/2001/869 16-10-2001/Nr. 200
- [073] Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen als vakminister en de onder hem als vakminister ressorterende actoren op het deelbeleidsterrein arbeidsvoorwaarden rijkspersoneel over de periode 1945-1996, vastgesteld bij besluit van 30-07-2001 R&B/OSA/2001/869 16-10-2001/Nr. 200
- [074] Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Buitensectorale arbeidsvoorwaarden over de periode 1945-1998, vastgesteld bij besluit van 05-10-2004 C/S/04/2144 13-12-2004/Nr. 240
- [075] Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen als vakminister en de onder hem als vakminister ressorterende actoren op het deelbeleidsterrein formatiebeleid, arbeidsmarktbeleid en personeelsontwikkeling en mobiliteit over de periode 1945-1996, vastgesteld bij besluit van 30-07-2001 R&B/OSA/2001/869 16-10-2001/Nr. 200
- [076] Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen als vakminister en de onder hem als vakminister ressorterende actoren op het deelbeleidsterrein arbeidsomstandigheden bij de overheid over de periode 1945-1996, vastgesteld bij besluit van 30-07-2001 R&B/OSA/2001/869 16-10-2001/Nr. 200
- [077] Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen als vakminister en de onder hem als vakminister ressorterende actoren op het deelbeleidsterrein personeelsinformatievoorziening en –administratie over de periode 1945-1996 30-07-2001 R&B/OSA/2001/869 16-10-2001/Nr. 200
- [092] Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Overheidsinformatievoorziening over de periode 1945-1999 11-07-2003 C/S/03/1696 20-10-2003/Nr. 202
- [120] Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Ruimtelijke ordening over de periode vanaf 1945 24-06-2002 C/S/02/2037 07-11-2002/Nr. 215
- [125] Selectielijst voor de neerslag van handeling van het Instituut Collectie Nederland en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945-2000 05-06-2004 C/S/04/1224 28-10-2004/Nr. 208
- [125] Selectielijst voor de neerslag van handeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945-2000 05-06-2004 C/S/04/1209 28-10-2004/Nr. 208
- [143] Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Organisatie van de Rijksoverheid over de periode 1945-1999 05-07-2005 C/S&A/05/1357 16-12-2005/Nr. 245
- [168] Selectielijst voor P-Direkt (het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. het personeelsdossier), voor de periode vanaf 1945 30-09-2016 NA/2016/1075020 18-11-2016/Nr. 61351
- [192] Selectielijst voor de neerslag van de archiefbescheiden van de Rijksmuseale instellingen voor de periode 1946-1995 25-07-2014 NA/2014/14285 30-07-2014/Nr. 21516
Aanvullingen
Voor dit archief worden geen aanvullingen verwacht
Verantwoording van de bewerking
Alle stukken zijn van nietjes, plakband en overige hechtmiddelen ontdaan en verpakt in zuurvrije omslagen en zuurvrije archiefdozen. Ze zijn daarna genummerd volgens de inventaris. De omslagen en dozen zijn voorzien van etiketten. Van de te vernietigen stukken zijn vernietigingslijsten opgesteld en deze zijn aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap overgedragen.
Ordening van het archief
De documenten zijn primair geordend naar 'Stukken niet naar inhoud beschreven' en naar 'Stukken naar inhoud beschreven', en secundair geordend op chronologie en onderwerp.
Aanwijzingen voor de gebruiker
Openbaarheidsbeperkingen
Volledig openbaar.
Beperkingen aan het gebruik
Reproductie van originele bescheiden uit dit archief is, behoudens de algemene regels die gelden voor het kopiëren van stukken, niet aan beperkingen onderhevig. Er zijn geen beperkingen krachtens het Auteursrecht.
Materiële beperkingen
Het archief kent beperkingen voor het raadplegen van stukken als gevolg van kwetsbare of slechte materiële staat.
Andere toegang
Voor dit archief is geen andere toegang beschikbaar. Wel is er voor archeologie (Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek) al: 2.14.83 Inventaris van het archief van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, (1939) 1946-1997.
Aanvraaginstructie
Openbare archiefstukken kunnen online worden aangevraagd en gereserveerd. U kunt dit ook via de terminals in de studiezaal van het Nationaal Archief doen. Om te kunnen reserveren dient u de volgende stappen te volgen:
- Creëer een account of log in.
- Selecteer in de archiefinventaris een archiefstuk.
- Klik op ‘Reserveer’ en kies een tijdstip van inzage.
Citeerinstructie
Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste éénmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld. Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.
VOLLEDIG:
Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Domein Gebouwd Erfgoed, nummer toegang 2.14.140, inventarisnummer ...
VERKORT:
NL-HaNA, OCW / RCE Gebouwd Erfgoed, 2.14.140, inv.nr. ...
Verwant materiaal
Bewaarplaats van originelen
Niet van toepassing
Inventarisnummers van dit archief zijn niet in kopievorm beschikbaar
Afgescheiden archiefmateriaal
Niet van toepassing
- 2.14.76 Inventaris van de archieven van het Centraal Laboratorium (CL), de Opleiding Restauratoren (OR), de Rijksdienst Beeldende Kunst (RBK) en taakvoorgangers; (1922) 1949-1997 (1999)
- 2.14.83 Inventaris van het archief van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, (1939) 1946-1997
- 2.14.106 Inventaris van het archief van de adviesraden en commissies op het gebied van cultuur, 1903-1995
- 2.21.355 Inventaris van het werkarchief van V.E.L. de Stuers [levensjaren: 1843-1916] over de jaren (1790) 1859-1916
- 2.24.25 Inventaris van het fotoarchief gevormd door het Bureau van de Rijksinspecteur voor Roerende Monumenten, (1893) 1949-1975 (1976)
- 383 Nederlandse Kunststichting te Amsterdam, (1951) 1952-1984 (1985)
- 2.14.141 Inventaris van het archief van het domein roerend erfgoed van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en taakvoorgangers (1932) 1949 - 2011 (2013)
Bijlagen
Geen bijlagen