Verantwoording van de bewerking
De beschrijving van stukken betreffende de vaststelling en wijziging van algemene maatregelen van bestuur is aangehouden conform de omschrijving zoals die ook gegeven is in de staatsbladen, d.i. met citering van de artikelen van de wet waaruit de algemene maatregel van bestuur is voortgevloeid. Een weergave hiervan in een woordelijke omschrijving bleek niet altijd mogelijk en bovendien een grote mate van subjectiviteit te kunnen inhouden.
De inventarisatie van dit archief is begonnen door de heer A.M. Bosters in het kader van zijn opleiding tot middelbaar archiefambtenaar. Door hem werd onder leiding van zijn mentor drs. F.J.M. Otten grotendeels de structuur van de inventaris vastgelegd. Vervolgens heeft de heer H. A. Telgt zijn beste krachten aan de inventarisatie van het archief gewijd. Het geheel werd tenslotte afgerond door ondergetekende G.V.W.L. van Rooij.
De inventarisatie en beschrijving van het Kabinetsarchief van de afdeling Arbeidersverzekering is in 1985 vervaardigd door J.Th. Janssen, oorspronkelijk in een aparte toegang, te weten toegang 2.15.16.
In juli 2010 zijn de toegangen 2.15.08 en 2.15.16, die delen van de beschrijvingen van het archief van de afdeling Arbeidsverzekering van het Ministerie van Sociale Zaken bevatten, tot één geheel samengevoegd tot de huidige versie van deze toegang (2.15.08).
Ordening van het archief
Een eerste kennismaking van het archief gaf het beeld van een rangschikking der stukken in groepen zoals deze zijn weergegeven in het schema met een verdeling naar wetten, dat te vinden is onder de rubriek "Geschiedenis van het archiefbeheer".
Deze rangschikking van de stukken naar de verschillende wetten in portefeuilles zou men hun primaire ordening kunnen noemen. Belangrijker dan deze primaire ordening was echter om het stelsel van ordening te begrijpen dat men binnen deze groepen had toegepast. Het was nodig een voorstelling van deze ordening te maken om eerst daarna te kunnen beoordelen of en in hoeverre deze oude orde kon worden hersteld, dan wel een andere ordening gevolgd diende te worden.
In chronologische orde waren dossiers gevormd die de stukken betreffende een bepaalde afgehandelde zaak met hun voorstukken bijeen hielden. Uiterlijk hadden deze dossiers de vorm van een aantal stukken die door de er om heen geslagen minute van een uitgaande brief werden bijeengehouden. De dossiers werden per jaar bijeen gehouden in een portefeuille. Als toegangsmiddelen dienden agenda's en klappers waarvan echter de jaren 1901 tot 1908 ontbraken. Een onderzoek naar het verblijf van deze agenda's en klappers heeft geen positief resultaat tengevolge gehad. De klappers verwezen naar de agendanummers.
Het systeeem van doorverwijzing van nummers in de agenda, hetwelk vat zou hebben gegeven op het gehele verloop van een zaak, is echter niet konsekwent doorgevoerd. Hierdoor is de toegankelijkheid tot de stukken door middel van de agenda verloren gegaan. Bijgevolg hebben ook de klappers hun waarde als ingangen op het archief verloren.
Bovendien was de dossiervorming ontaard in een waar opschuifsysteem van pakken. Zaken die b.v. in 1915 waren afgedaan, werden later weer als voorbeeld gebruikt voor een soortgelijke zaak in 1930. De stukken van 1915 werden dan zonder meer als retro-acta bij de nieuwe stukken opgenomen. Niet alleen werd hierdoor de chronologische orde doorbroken, maar tegelijkertijd ontstonden daardoor pakken van uiteenlopende dikte die de hanteerbaarheid van het archief in ernstige mate schaadden. Bovendien werden deze pakken willekeurig bij een te grote dikte afgebroken en over meerdere jaarportefeuilles verdeeld. Tenslotte kwam het meermalen voor dat in deze pakken stukken betreffende verschillende zaken bij elkaar waren geraakt. Een pak kon beginnen met de vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ingevolge de Ongevallenwet 1901 en eindigen met de wijzi- ging van een algemene maatregel van bestuur ingevolge de Ziektewet.
Op die manier was zelfs de primaire ordening van de stukken naar de verschillende wetten in portefeuilles op losse schroeven komen te staan.
Het is begrijpelijk dat een dergelijke "oude orde" van het archief bij een definitieve ordening en inventarisatie niet kon worden gehandhaafd. Het meest voor de hand liggende en verantwoorde was om binnen de gegeven groepen van wetten (vgl. het schema hiervoor) een meer systematische onderverdeling aan te brengen naar de behandelde beleidsmaterie. Een dergelijke "materiële" verdeling van de stukken was aan de oude orde van het archief niet vreemd. Geheel de oude ordening van het archief tendeerde naar een meer systematisch groeperen van de stukken naar hun materiële inhoud. Dit blijkt in de eerste plaats al uit de groepering naar de bovenvermelde wetten en vervolgens uit de gebrekkige dossiervorming binnen een groep.
Zo is dus in overeenstemming met het restauratiebeginsel dat de Handleiding
Mrs. S. Muller Fz., J.A. Feith en R. Fruin Th. Az., Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven, Groningen 1920, p. 36-40 Par. 17 en 18. Drs. J.L. van der Gouw, H. Hardenberg, W.J. van Hoboken, G.W.A. Panhuysen, Nederlandse Archiefterminologie, Zwolle 1962, p. 26-27 nr. 85.
leert een aanvullende en meer stringent doorgevoerde ordening ontstaan, die bij de oude orde van het archief ontbrak. Bovendien werd door een dergelijke werkwijze de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden voorbereid. In oktober 1968 werd met de ordening en inventarisatie een begin gemaakt. Stukken die op dezelfde onderwerpen of zaken betrekking hadden werden bij elkaar gebracht evenals stukken over nauw aan elkaar verwante onderwerpen. Om een veelheid van nummers te vermijden, zijn eveneens een aantal verzameldossiers ontstaan.
Pakken waarin stukken waren terecht gekomen die handelden over verschillende zaken of onderwerpen werden, indien mogelijk, gesplitst. Tijdens de inventarisatie bleek dat het grootste deel van het archief stukken bevatten betreffende de totstandkoming en wijziging van wetten, algemene maatregelen van bestuur en Koninklijke besluiten.
Het overige deel van het archief omvat de uitvoering der sociale verzekeringswetten, voor zover deze uitvoering althans op departementaal terrein lag. De recto-acta welke bij de totstandkoming en wijziging van wetten en algemene maatregelen van bestuur een rol hebben gespeeld en bij de betreffende wet of algemene maatregel van bestuur waren gevoegd, zijn als recto-acta bij de betreffende stukken gehandhaafd.
Met betrekking tot het Kabinetsarchief van de Afdeling Arbeidersverzekering wordt het volgende opgemerkt. Het archief, zoals dat in de bewaarplaats van het Centraal Historisch Archief van het Ministerie van Sociale Zaken werd aangetroffen, was verpakt in portefeuilles. De stukken van de Afdeling Arbeidersverzekering werden, in dossiers gebundeld, in chronologische volgorde bewaard. De agenda's zijn aanwezig (inv.nrs. 1022-1025). Vanaf 1948 werd een andere registratie gevolgd. Iedere inkomende kabinetbrief kreeg een nummer. De daaropvolgende uitgaande brieven en nota's kregen hetzelfde nummer, waardoor dus alle stukken van het dossier hetzelfde nummer hadden. Soms werden gelijksoortige dossiers bij de inventarisatie bij elkaar gevoegd.