2.15.08 Inventaris van het archief van het Ministerie van Sociale Zaken: Afdeling Arbeidersverzekering en voorgangers; Afdeling Sociale Verzekering, (1893) 1901-1958

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

De sociale verzekeringswetgeving

De Nederlandse sociale verzekeringswetgeving regelt o.m. de verplichte arbeidersverzekering. Het terrein van de verplichte arbeidersverzekering omvat:
  1. De Ongevallenverzekering;
    • Ongevallenwet
    • Land- en Tuinbouwongevallenwet
    • (Oorlogs) Zee-ongevallenwet
  2. De Invaliditeits- en Ouderdomsverzekering;
    • Invaliditeitswet
    • Ouderdomswet 1919
    • Noodwet Ouderdomsvoorziening
  3. De Ziekengeldverzekering; Ziektewet.
  4. De Ziekenfondsverzekering; Ziekenfondsenbesluit.
  5. De Kinderbijslagverzekering; Kinderbijslagwet.
  6. De werkloosheidsverzekering;
    • Noodregeling Treub
    • Werkloosheidsbesluit
    • Werkloosheidswet
De Afdeling Arbeidersverzekering (Sociale Verzekering) (vgl. het overzicht van Koninklijke Besluiten in het onderdeel Lotgevallen van de afdeling) heeft uitsluitend met betrekking tot de vier eerstgenoemde verzekeringen een taak gehad. De wetten betreffen de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid (Ongevallenwetten, Invaliditeitswet, Ziektewet en Ziekenfondsenbesluit) en ouderdom (Invaliditeitswet, Ouderdomswet en Noodwet Ouderdomsvoorziening). Zij hebben dus betrekking op de persoon van de verzekerde, diens geestelijke en lichamelijke gezondheid.
De twee laatstgenoemde verzekeringen blijven hier dus buiten beschouwing.
De Afdeling Arbeid II was onder meer belast met de taak op het gebied van de kinderbijslagverzekering. Het archief van deze afdeling is geïnventariseerd door de heer A. Buijteweg, Inventaris van het archief van de Afdeling Arbeid II 1942-1949,'s-Gravenhage 1974. De werkoosheidsverzekering behoorde tot de taak van de dienst der werkloosheidsverzekering en arbeidsbemiddeling. Het archief van deze afdeling is geïnventariseerd door F.C. van Proosdij, Inventaris van het archief van de onderafdeling Werkloosheidsverzekering van de Rijksdienst der werkloosheidsverzekering en arbeidsbemiddeling 1914-1944, 's-Gravenhage 1970.
Een groot aantal ministers hebben gewerkt aan de totstandkoming van de sociale verzekeringswetten. Onderstaande lijst geeft een overzicht van de ministers die de sociale verzekering vanaf 1897 tot 1950 hebben behartigd.
In het bijzonder hebben de volgende ministers hun stempel op het sociale verzekeringsbeleid gedrukt:
  • Dr. C. Lely (minister van 1897-1901), die de Ongevallenwet 1901 heeft tot stand gebracht.
  • Dr. A. Kuyper (minister van 1901-1905), onder wiens leiding een groot aantal wetsontwerpen zijn ontstaan en bij de Kamers ingediend.
  • A.S. Talma (minister van 1908-1913) zorgde vooral voor de verdere uitbouw en vernieuwing in de organisatie van de sociale verzekering door de indiening van de ontwerpen Radenwet, Ziektewet, Invaliditeits- en Ouderdomswet, bekend onder de naam Talma-wetgeving. De inwerkingtreding van de wetten heeft hij echter niet meer mogen beleven.
  • Prof. Mr. P.J.M. Aalberse (minister van 1918-1925) bevorderde als de eerste minister van het in 1918 opgerichte Ministerie van Arbeid de inwerkingtreding van een aantal Talma-wetten waarvan hij een bekend voorstander was. Onder zijn bewind werd eveneens de Hoge Raad van Arbeid ingesteld.
  • Prof. Dr. J.R. Slotemaker de Bruïne (minister van 1926-1929 en van 1933-1935).
  • Dr. W. Drees (minister van 1945-1948), algemeen bekend vanwege de invoering van de Noodwet Ouderdomsvoorziening, de Noodwet Drees.
Lijst van ministers die aan de totstandkoming van de sociale verzekeringswetgeving gedurende de periode 1900-1950 hebben meegewerkt
27-7-1897 * 1-8-1901 Ir. C. Lely
31-7-1901 * 16-8-1905 Dr. A. Kuyper
9-9-1905 * 11-2-1908 Mr. J.D. Veegens
12-2-1908 * 29-8-1913 A.S. Talma
29-8-1913 * 24-10-1914 Mr. M.W.F. Treub
24-10-1914 * 19-11-1914 Mr. M.W.F. Treub
25-9-1918 * 24-11-1922 Prof. Mr. P.J.M. Aalberse
24-11-1922 * 4-8-1925 Prof. Mr. P.J.M. Aalberse
4-8-1925 * 8-3-1926 Mr. D.A.P.N. Koolen
10-8-1929 * 26-5-1933 Mr. T.J. Verschuur
8-3-1926 * 10-8-1929 Prof. Dr. J.R. Slotemaker de Bruïne
12-6-1933 * 31-7-1935 Prof. Dr. J.R. Slotemaker de Bruïne
31-7-1935 * 24-6-1937 Mr. M. Slingenberg
24-6-1937 * 25-7-1939 Prof. Mr. C.P.M. Romme
10-8-1939 * 23-2-1945 Dr. J. van den Tempel
23-2-1945 * 24-6-1945 Ir. F.C.M. Wijffels
24-6-1945 * 7-8-1948 Dr. W. Drees
7-8-1948 * 2-9-1952 Mr. A.M. Joekes
A. Ongevallenverzekering
De vroegste regeling van een verplichte verzekering tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid was de Ongevallenwet 1901. Voordien waren er vormen van ongevallenverzekering die vooral door particulier initiatief in het leven waren geroepen. Deze bleken echter onvoldoende tot dekking van alle risico's. Een publiekrechtelijke regeling werd nodig geacht waarin onder meer het principe was neergelegd dat het bedrijf belast diende te worden met de geldelijke gevolgen van ongevallen die aan de bedrijfsuitoefening waren verbonden. De Ongevallenwet 1901 ging dus uit van het zgn. "risque professionel"; het bedrijf draagt de last van het aan zijn uitoefening verbonden ongevallenrisico.
De wet die op 1 februari 1903 in haar geheel in werking trad, had uitsluitend betrekking op werknemers in de meest gevaarlijke industriële bedrijven. Bovendien zonderde de wet bepaalde groepen werknemers uit waarvoor later bij afzonderlijke wet een regeling tot stand kwam.
De oorzaak van deze bewuste uitzondering was gelegen in het feit, dat minister Lely slechts op beperkt terrein een proef met een verplichte ongevallenverzekering wilde nemen. In 1921 werd onder minister Aalberse de Ongevallenwet 1901 belangrijk herzien en tevens uitgebreid. Sedertdien is sprake van de Ongevallenwet 1921.
Alle industriële bedrijven zouden voortaan verzekeringsplichtig zijn. Bovendien ondergingen de begrippen "onderneming", "werkman" en "bedrijfsongeval" een belangrijke verruiming.
De bedrijfstakken waarvoor een afzonderlijke wettelijke ongevallenregeling tot stand is gekomen zijn de landbouw, de veehouderij en de tuin- en bosbouwbedrijven, alsmede de bedrijven van zeevaart en zeevisserij.
De geheel eigen aard van die bedrijven maakte een afzonderlijke wettelijke regeling noodzakelijk. Achtereenvolgens zijn voor hen van kracht geworden de Landen Tuinbouwongevallenwet en de Zee-ongevallenwet.
De Land- en Tuinbouwongevallenwet (1922) was evenals de ongevallenwetten een verplichte verzekering. Een belangrijk verschil ten opzichte van de Ongevallenwet is gelegen in het feit dat bij de Land- en Tuinbouwongevallenwet de uitvoering grotendeels geschiedde door de bedrijfsverenigingen.
De besturen van deze bedrijfsverenigingen waren samengesteld uit werkgevers en werknemers.
De Zee-ongevallenwet is ontstaan door wijziging van de reeds bestaande Oorlogszeeongevallenwet van 1915. Deze laatste was tot stand gekomen tijdens de eerste wereldoorlog naar aanleiding van de heersende noodtoestand, met name de door Duitsland in februari 1915 aangekondigde duikboot-oorlog.
20 februari 1915 werd het ontwerp Oorlogszeeongevallenwet ingediend en 8 mei 1915 verscheen de wet in het Staatsblad. Deze als oorlogsmaatregel tot stand gekomen verzekering, welke recht gaf op schadeloosstelling aan zeelieden die ten gevolge van oorlogshandelingen ongevallen waren overkomen, bleef in vredestijd gehandhaafd en werd toepasselijk verklaard op de gewone ongevallen ter zee, welke niet meer het gevolg waren van oorlogshandelingen. Met het oog op laatstbedoelde verruiming is de Zee-ongevallenwet tot stand gekomen, welke op 15 september 1919 in werking trad.
De Vereniging "Zee-Risico" was voor het grootste deel belast met de uitvoering der wet.
B. De Invaliditeits- en Ouderdomsverzekering
Minister Talma diende in mei 1911 een ontwerp van wet in betreffende de verzekering van arbeiders tegen geldelijke gevolgen van invaliditeit en ouderdom. 5 juni 1913 verscheen de Invaliditeitswet in het Staatsblad (nr. 205).
Het was een verplichte verzekering die werd opgelegd aan "loonarbeiders". In de loondienstverhouding zag Talma de rechtsgrond voor de verzekering. Omdat echter het loon van de arbeider onvoldoende was om zijn eigen verzekering te betalen, werden zowel de werknemer als de werkgever verplicht ieder de helft van de premie te voldoen. Bij de wetswijziging van 1919 werd echter bepaald dat de werkgever de gehele premie moest voldoen.
Deze premie werd voldaan door het plakken van zegels op rentekaarten.
De Invaliditeitswet gaf recht op invaliditeitsrente zowel bij tijdelijke als blijvende invaliditeit, ouderdomsrente ingaande op 65-jarige leeftijd en weduwen- en wezenrente.
Op 21 april 1933 kwam nog de Mijnarbeiders Invaliditeits- en Ouderdomswet tot stand met het doel speciaal voor de mijnarbeiders vanwege hun bijzondere arbeidsomstandigheden een verplichte verzekering tegen geldelijke gevolgen van invaliditeit en ouderdom te bewerkstelligen.
Het Algemeen Mijnwerkerfonds van de Steenkolenmijnen in Limburg was mede uitvoeringsorgaan van de wet.
Zowel de Ouderdomswet als de Noodwet Ouderdomsvoorziening behoren eigenlijk niet thuis tussen de reeds genoemde arbeidersverzekeringswetten. De Ouderdomswet 1919 is n.l. geen"verplichte" verzekeringswet en evenmin een "arbeiders"- verzekeringswet. Het doel van de wet was om ook de niet-arbeiders de gelegenheid te geven vrijwillig een ouderdomsverzekering te sluiten. Algemeen is de wet bekend geworden onder de populaire naam van Vrijwillige Ouderdomsverzekering, de V.O.V.
De populariteit van de verzekering was mede te danken aan de uitgebreide voorlichting en propaganda die o.a. door de Raden van Arbeid werd gevoerd.
Blijkens een onderzoek in 1938 bleken echter al meer dan 160.000 personen van 65 jaar en ouder zonder een ouderdomsuitkering te moeten leven. Na de oorlog werden maatregelen genomen om in deze situatie verandering te brengen.
Omdat een definitieve herziening van de wettelijke ouderdomsverzekering in korte tijd niet gereed kon zijn, werd besloten een tijdelijke regeling in het leven te roepen om in de nood der ouden van dagen die dringend hulp nodig hadden, te voorzien.
Zo kwam onder Minister Drees op 24 mei 1947 de Noodwet Ouderdomsvoorziening (Stb. H. 155) tot stand. Zij trad 1 oktober 1947 in haar geheel in werking.
Ook deze wet was geen verzekeringswet in eigenlijke zin en evenmin een verplichte arbeiders-verzekeringswet. Zij kende geen premiebetaling, doch de aan de wet verbonden kosten kwamen geheel ten laste van de Staat. Behoudens de nodige beperkingen kregen alle mannelijke en ongehuwde vrouwelijke Nederlanders van 65 jaar en ouder recht op ouderdomsuitkering.
C. De Ziekte- en Ziekenfondsverzekering
De totstandkoming van de Ziektewet heeft bijzonder lang geduurd en is zeer moeizaam verlopen. Reeds in 1904 werd er een ontwerp van wet ingediend door Minister Kuyper en nadien nog door de ministers Veegens en Talma. Het wetsontwerp van Talma werd uiteindelijk op 3 juni 1913 door de Kamers aangenomen en 5 juni 1913 verscheen de wet in het Staatsblad.
Het zou echter nog jaren duren eer de wet in werking zou treden.
Minister Aalberse, de eerste minister van het bij Koninklijk besluit van 25 september 1918 ingestelde Ministerie van Arbeid, diende in 1925 een ontwerp van wet tot regeling van een gecombineerde ziekte- en ongevallenverzekering in.
Het ontwerp kwam echter niet in behandeling wegens het aftreden van de regering.
Minister Slotemaker de Bruïne trok in 1927 het ontwerp van Aalberse in en kwam met een nieuw ontwerp van wet tot wijziging van de Ziektewet Talma. Dit ontwerp werd uiteindelijk door de beide Kamers in 1929 aangenomen en in het Staatsblad geplaatst. Op 1 maart 1930 trad de Ziektewet in werking. Verschillende factoren waren er de oorzaak van dat de Ziektewet zulk een lange behandelingsduur heeft gekend, onder meer de vraag of de wet alleen zou moeten verzekeren tegen geldelijke gevolgen van ziekte of ook tegen de kosten van de geneeskundige behandeling.
Ook was er het probleem welke organen met de uitvoering van de verzekering belast moesten worden, overheidsorganen of organen voortgekomen uit het particulier initiatief (bedrijfsverenigingen). De uitvoeringsorganen van de ziekteverzekering zijn tenslotte de Raden van Arbeid en de bedrijfsverenigingen geworden.
Het is vooral minister Talma geweest die een verzekering tegen de kosten van geneeskundige behandeling niet in de Ziektewet wilde opnemen doch in een afzonderlijke wettelijke regeling wilde neerleggen. Een dergelijke verzekering zag hij als een volksbelang en als zodanig principieel verschillend van de ziekengeldverzekering waarbij het arbeidersbelang een rol speelde.
Minister Aalberse heeft, teneinde een oplossing te brengen in het vraagstuk van de geneeskundige behandeling, de staatscommissie Koolen ingesteld.
Deze commissie ontraadde de combinatie van twee verzekeringen en stelde tevens een ontwerp van wet tot afzonderlijke regeling der ziekenverzorging op. Het ontwerp van wet is echter nooit in de Kamer in openbare behandeling gekomen en is tenslotte door Minister Romme in 1937 ingetrokken.
Tijdens de Duitse bezetting kwam het Ziekenfondsenbesluit tot stand, een besluit van de Secretaris-Generaal van het Departement van Sociale Zaken van 1 augustus 1941, houdende algemene regels met betrekking tot het ziekenfondswezen teneinde de geneeskundige verzorging van arbeiders te waarborgen. De uitvoering van het besluit was in handen gelegd van de erkende ziekenfondsen, de Raden van Arbeid en de bedrijfsverenigingen.
D. De uitvoeringsorganen der sociale verzekering
De sociale verzekeringswetten gaven ook regels met betrekking tot de uitvoering en de uitvoeringsorganen der wetten. Daarnaast zijn nog een aantal afzonderlijke wetten ontstaan die een bepaalde organisatie van de sociale verzekering in het leven hebben geroepen. Het zijn zowel overheids- als particuliere organen geweest die bij de uitvoering der wetten een rol hebben gespeeld.
De Ongevallenwet 1901 droeg de uitvoering van deze wet op aan de Rijksverzekeringsbank te Amsterdam. Deze had hierin een monopoliepositie, tengevolge waarvan de uitvoering een exclusief ambtelijk karakter droeg. Om deskundigheid bij de uitvoering te waarborgen had het bestuur der Rijksverzekeringsbank naast zich een wiskundig adviseur. Toezicht op het bestuur der Rijksverzekeringsbank werd uitgeoefend door een Raad van Toezicht. Minister Talma bracht in de uitvoering der sociale verzekering grote verandering door de instelling van de Raden van Arbeid in de Radenwet van 1913, welke in 1919 in werking trad. Oorspronkelijk waren zij door hem bedoeld als autonome lichamen van het bedrijfsleven die het mogelijk moesten maken een "decentralisatie" en het "zelf-doen" in de sociale verzekering door te voeren.
Door de omstandigheden zijn de Raden van Arbeid echter meer geëvolueerd naar ambtelijke overheidsorganen.
Mej. G.J. Stemberg 'De organisatie der sociale verzekering', in Tien jaren Raden van Arbeid, Haarlem 1930, blz. 65-66.
Niettemin hebben zij bij de uitvoering uitnemend werk verricht. De vastlegging van de taak der Raden van Arbeid in de Radenwet maakte het ook nodig dat de taak van de Rijksverzekeringsbank in een afzonderlijke wet geregeld moest worden. Dit is gebeurd bij de Wet op de Rijksverzekeringsbank van 1920. Sinds die tijd waren de Rijksverzekeringsbank en de Raden van Arbeid belangrijke uitvoeringsorganen der sociale verzekering.
De werkverdeling tussen Rijksverzekeringsbank en Raden van Arbeid was in het algemeen gesproken zo, dat de bank de fondsen beheerde en besliste over verzekeringsplicht, de hoogte van de premie en de toekenning, weigering en intrekking van uitkeringen, de Raden van Arbeid zorgden voor de berekening, de invordering van premie en de controle op de premiebetaling. Om redenen van organisatievereenvoudiging en kostenbeperking kwam in 1933 de Wet op de Rijksverzekeringsbank en de Raden van Arbeid tot stand, welke de Radenwet en de Wet op de Rijksverzekeringsbank verving.
Niet de minst belangrijke bij de uitvoering van de sociale verzekering zijn de Bedrijfsverenigingen. De uitvoering van de Land- en Tuinbouwongevallenwet lag voor het grootste deel in hun handen.
Deze bedrijfsverenigingen waren door de Kroon erkende verenigingen van werkgevers. In hun bestuur hadden vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in gelijk aantal zitting. Bij de Zee-ongevallenwet lag de uitvoering alleen in handen van de vereniging "Zee-Risico". De totstandkoming van de Ziektewet is vertraagd door de kwestie welke de uitvoeringsorganen van de wet moesten worden.
Minister Talma wilde aanvankelijk alleen de Raden van Arbeid als uitvoeringsorganen. Dit stuitte op het nodige verzet. Zowel de Kamer als de Hoge Raad van Arbeid wilden het particulier initiatief meer aan bod laten komen. Dit leidde uiteindelijk tot de goedkeuring van een wetsontwerp waarbij de uitvoering van de ziekteverzekering werd opgedragen aan de Raden van Arbeid en de Bedrijfsverenigingen.
In tegenstelling tot de bedrijfsverenigingen die bij de uitvoering van de Land- en Tuinbouwongevallenwet waren betrokken, waren de bedrijfsverenigingen bij de uitvoering van de Ziektewet verenigingen zowel van werkgevers als van werknemers. De uitvoering der sociale verzekeringswetten door de verschillende organen is schematisch aldus weer te geven.
Ong.wet 1901 Ong.wet 1921 Land- en Tuinb. Ong.wet Zee- ong. wet Inval.wet
R.V.B. R.V.B. R.V.B. Zee-Risico R.V.B.
R.v.A. R.v.A. R.v.A.
Bedrijfsverenigingen
Ziektewet Ouderd.wet Mijnarb. Inval.wet Ziekenfondsenbesluit Noodw. Oud. Voorz.
R.v.A. R.v.B. R.v.B. Ziekenfondsen R.v.B.
Bedrijfsverenigingen R.v.A. R.v.A. Bedrijfsverenigingen R.v.A.
Alg.Mijnw.fonds R.v.A. Gemeentelijke cie's van onderzoek
E. De taak van het Ministerie bij de uitvoering van de sociale verzekering.
De uitvoering zelf van de sociale verzekering behoorde niet tot de taak van het Ministerie.
Hiervoor waren ingevolge de verschillende wetten andere organen aangewezen.
"De taak van het Departement ligt dan ook op ander terrein. Zij vindt haar grondslag en tevens haar begrenzing in het belast zijn van de Minister, met de uitvoering der onderscheidene wetten, welke onze sociale verzekering regelen, en in de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheid van dien Minister voor deze uitvoering jegens de Volksvertegenwoordiging."
Mr. H. W. Groeneveld, "De Taak van het Departement bij de uitvoering der sociale verzekering", in Tien jaren Raden van Arbeid, Haarlem 1930, blz. 61.
Nader gespecificeerd kunnen we de taak van het Ministerie in de volgende belangrijkste punten omschrijven:
  1. Het was belast met de voorbereiding van wetsontwerpen, de aanvulling of wijziging van bestaande verzekeringswetten en het ontwerpen van de algemene maatregelen van bestuur, Koninklijke besluiten en ministeriële beschikkingen, welke aan de wettelijke regeling de nodige uitwerking gaven.
  2. Het had tot taak te zorgen voor de instelling der openbare organen die krachtens de wet met de uitvoering der sociale verzekering waren belast, het aanstellen van personeel en het beschikbaarstellen van de benodigde gelden.
  3. Het hield toezicht op de taakvervulling der uitvoeringsorganen. Hiervoor stond het Departement in nauw kontakt met de Raad van Toezicht op de Rijksverzekeringsbank, de Verzekeringsraad, voor wat betreft het toezicht op de Raden van Arbeid en met het College van Toezicht op de Bedrijfsverenigingen.
  4. Het had een coördinerende taak met betrekking tot de uitvoeringsorganen der verzekering:"Boven de vele uitvoeringsorganen, Rijksverzekeringsbank, Verzekeringsraad, Raden van Arbeid en Bedrijfsverenigingen, welke instellingen naast elkander een onafhankelijk bestaan leiden, welft zich de koepel van het Departement, dat met alle uitvoeringsorganen in verbinding staat en daardoor aangewezen is om de onderscheidene organen tot samenwerking te brengen, waar samenwerking de goede uitvoering der verzekering kan bevorderen".
    Mr. H. W. Groeneveld, "De Taak van het Departement bij de uitvoering der sociale verzekering", in Tien jaren Raden van Arbeid, Haarlem 1930, blz. 63.
Een goed voorbeeld van zulk een samenwerking was de instelling van een commissie voor centraal overleg waarin de uitvoeringsorganen vertegenwoordigd waren en waar problemen welke zich bij de uitvoering der verzekeringswetten voor deden, werden besproken met het doel een bevredigende oplossing te vinden.
F. Beroepsinstanties
Ter bescherming van de belangen voortvloeiende uit de wetten zijn ook maatregelen genomen waarbij zowel werkgevers als werknemers de mogelijkheid kregen om hun bezwaren voor te leggen aan onpartijdige beroepsinstanties voor het geval zij van mening waren onrechtvaardig behandeld te worden. Met betrekking tot beslissingen die genomen waren door de Rijksverzekeringsbank en de Raden van Arbeid was in eerste aanleg beroep mogelijk bij de Raden van Beroep.
Voor hoger beroep was men aangewezen op de Centrale Raad van Beroep.
De uitspraken van deze colleges zijn gepubliceerd in: Maandblad, bevattende de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en de Raden van Beroep. Utrecht 1915-1934.
Met betrekking tot beslissingen die genomen waren door niet-overheidsorganen, de bedrijfsverenigingen, was in eerste aanleg beroep mogelijk bij de verschillende beroepscolleges die de onderscheidene wetten kenden. Bij de Landen Tuinbouwongevallenwet waren dit de Commissies van Scheidslieden, bij de Ziektewet een Scheidsgerecht en bij de Zee-ongevallenwet twee Scheidsgerechten (voor Koopvaardij en Zeevisserij) of de burgerlijke rechter. Hoger beroep was mogelijk bij de Centrale Raad van Beroep.
G. De sociale verzekering tijdens en na de Duitse bezetting
In de uitvoering der sociale verzekering zijn later nog grote veranderingen doorgevoerd. Tijdens de Duitse bezetting gaf de in Londen zetelende Nederlandse regering opdracht om een rapport uit te brengen over de sociale zekerheid ten einde richtlijnen te schetsen voor de toekomstige ontwikkeling der sociale verzekering en om in de rijke schakering van uitvoeringsorganen meer eenheid te brengen.
De Londense Commissie van Rhijn (onder voorzitterschap van Mr. Dr. A.A. van Rhijn) bracht in 1945 haar rapport in deze uit.
Sociale Zekerheid. Rapport van de Commissie met de opdracht algemene richtlijnen vast te stellen voor de toekomstige ontwikkeling der sociale verzekering in Nederland, Den Haag, I en II 1945, III en Bijlagen 1946.
Een na de oorlog ingestelde zgn. Gemengde Commissie, eveneens onder voorzitterschap van Mr. Dr. A.A. van Rhijn en bestaande uit vertegenwoordigers van de Minister van Sociale Zaken en van de Stichting van de Arbeid, bracht in 1948 een rapport uit dat de grondslag zou vormen voor een herziene wettelijke regeling van de organisatie der sociale verzekering, de Organisatiewet Sociale Verzekering van 1952.
Rapport inzake de herziening van de Sociale Verzekering, Den Haag 1948.

Lotgevallen van de afdeling

Het archief is gevormd onder een afdeling die achtereenvolgens vier verschillende benamingen heeft gedragen: Arbeid en Fabriekswezen, Arbeid, Arbeidersverzekering en Sociale Verzekering. De afdeling Arbeid en Fabriekswezen is opgericht bij ministeriële beschikking van 13 februari 1893, no. 107, Secr. B van het Ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Haar naam werd veranderd in afdeling "Arbeid" toen ingevolge het Koninklijk besluit van 26 augustus 1901 (S.206) de taak met betrekking tot de uitvoering van de Ongevallenwet 1901 van het Ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid overging naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
De naamsverandering in "Arbeidersverzekering" is in maart 1908 ontstaan. Ministeriële beschikkingen van de Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel van 9 maart en 20 maart 1908 (Nederl. Staatscourant 1908, nrs. 60 en 70) geven blijk van het feit dat in de tijd gelegen tussen deze data de naamsverandering in Arbeidersverzekering heeft plaats gehad. Een Koninklijk besluit heeft de naamsverandering niet geregeld en een ministeriële beschikking in deze is niet gevonden.
Vanaf februari 1946 krijgt de afdeling Arbeidersverzekering de naam "Sociale Verzekering". De naamsverandering is geregeld bij ministeriële beschikking van 14 februari 1946, no. 1172 P., afd. Compt. van het Ministerie van Sociale Zaken. Tot op heden is deze naam gehandhaafd.
De afdeling heeft achtereenvolgens van een groot aantal ministeries deel uitgemaakt. Het hierna volgende schema geeft daar een overzicht van. Tevens worden de Koninklijke besluiten en wetten vermeld die de overgang van de afdeling van het ene naar het andere ministerie regelen.
De besluiten en wetten die de overgang regelen van het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel naar Financiën en van Financiën naar Waterstaat zijn in het archief aanwezig (zie inventarisnummer 1 en 2).
    Overzicht van Koninklijke Besluiten en Wetten, welke de overbrenging van de zorg m.b.t. de arbeidersverzekering van het ene naar het andere departement betreffen
  • K.b. van 26 augustus 1901, S. 206.
  • K.b. van 7 september 1905, S. 264.
  • K.b. van 17 februari 1906, S. 35.
  • Wet van 28 april 1906, S. 100.
  • K.b. van 25 juni 1906, S. 135.
  • K.b. van 25 juni 1906, S. 136.
  • K.b. van 25 juni 1906, S. 137.
  • K.b. van 2 november 1914, S. 514.
  • Wet van 30 december 1914, S. 630.
  • K.b. van 7 januari 1915, S. 7.
  • K.b. van 12 februari 1916, S. 67.
  • Wet van 24 juni 1916, S. 296.
  • K.b. van 28 juni 1916, S. 313.
  • K.b. van 28 juni 1916, S. 314.
  • K.b. van 25 september 1918, S. 551.
  • Wet van 21 februari 1919, S. 48.
  • K.b. van 6 maart 1919, S. 63.
  • K.b. van 24 november 1922, S. 606.
  • K.b. van 27 december 1922, S. 735.
  • K.b. van 8 december 1931, S. 501.
  • K.b. van 23 april 1932, S. 178.
  • K.b. van 8 juni 1933, S. 311.
  • Wet van 25 oktober 1933, S. 533.
Overzicht van de Ministeries waar het archief is ontstaan
Ministerie Afdeling
1893-1901Ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid 1893-1901Arbeid en Fabriekswezen
1901-1905Ministerie van Binnenlandse Zaken 1901-1908Arbeid
1906-1915Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel 1908-1946Arbeidersverzekering
1915-1916Ministerie van Financiën
1916-1918Ministerie van Waterstaat
1918-1923Ministerie van Arbeid
1923-1932Ministerie van Arbeid, Handel en Nijverheid
1932-1933Ministerie van Economische Zaken en Arbeid
1933-1951Ministerie van Sociale Zaken 1946-hedenSociale Verzekering
  • Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel: ingesteld 7 september 1905
  • Ministerie van Arbeid: ingesteld 25 september 1918
  • naam veranderd in "Arbeid, Handel en Nijverheid" bij besluit van 22 nov. 1922.
  • naam veranderd in "Economische Zaken en Arbeid" bij besluit van 8 dec. 1931 (Stbl. 501). Wijziging in werking getreden op 1 mei 1932 (Besluit van 23 april 1932, Stbl. no. 178)
  • Ministerie van Sociale Zaken: ingesteld bij besluit van 8 juni 1933 (Stbl. no. 311).

Geschiedenis van het archiefbeheer

Het archief van de Afdeling Arbeidersverzekering

Op 25 september 1918 werd ingesteld het Ministerie van Arbeid, de rechtstreekse voorloper van het Ministerie van Sociale Zaken (ingesteld 8 juni 1933). De Afdeling Arbeidersverzekering ging deel uit maken van het nieuwe ministerie.
Voordien waren reeds diverse zaken op het gebied van de arbeidersverzekering afgedaan door andere ministeries, waaronder de afdeling heeft geressorteerd.
De desbetreffende archiefbescheiden zijn echter steeds onder de Afdeling Arbeidersverzekering (Sociale Verzekering) blijven berusten en zijn geïnventariseerd als behorende tot het archief van de afdeling. De bovenbedoelde stukken, welke vóór 25 september 1918 zijn afgedaan door de betreffende ministers van andere departementen, behoren derhalve alsnog in de betreffende departementale archieven te worden teruggebracht. De desbetreffende inventarisnummers zijn daartoe in een afzonderlijke lijst bijeengebracht.
    Lijst van archiefbescheiden van andere departementen
  1. Archiefbescheiden van het Departement van Binnenlandse ZakenInventarisnrs. 49, 200, 222, 312.
  2. Archiefbescheiden van het Departement van Landbouw, Nijverheid en HandelInventarisnrs. 3, 6, 7, 66, 68, 69, 117, 118, 127, 115, 157, 178, 180, 189, 201, 204, 210, 223, 224, 225, 277, 278, 282, 292, 313, 329, 375, 437, 463, 490, 491, 492, 513, 600, 622, 624, 644.
  3. Archiefbescheiden van het Departement van FinanciënInventarisnrs. 1, 141, 181, 190, 279, 293, 376.
  4. Archiefbescheiden van het Departement van WaterstaatInventarisnrs. 2, 8, 93, 182, 191, 206, 211, 212, 213, 229, 639.
Daar de betreffende archiefbescheiden ouder zijn dan vijftig jaar en overeenkomstig de wettelijke bepalingen naar het Algemeen Rijksarchief zullen worden overgebracht, ware de bovenbedoelde hereniging bij voorkeur alsdan te realiseren.
Het is te betreuren dat alle archiefbescheiden van de Afdeling Arbeid en Fabriekswezen uit de jaren 1893 tot 1901 in hun totaliteit ontbreken. De afdeling ressorteerde toen onder het Ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Onder de ontbrekende stukken bevinden zich ook de ontwerpen van de eerste sociale verzekeringswet van deze eeuw in Nederland, de Ongevallenwet 1901, die is tot stand gekomen onder het ministerschap van Dr. C. Lely. In hun totaliteit zijn het de bescheiden, die de voorbereiding, de ontwerpen, de totstandkoming en de eerste uitvoering van de Ongevallenwet 1901 betreffen.
In de loop der jaren is diverse malen getracht de bovenvermelde archiefbescheiden op te sporen.
Uit een correspondentie van 1961 tot 1966 van de 2e Afdeling van het Algemeen Rijksarchief
Nrs. 61-220, 62-219, 63-45, 66-63b.
blijkt dat men reeds in 1961 tot de conclusie was gekomen dat de archiefstukken in principe als verloren beschouwd moesten worden. Het onderzoek ondernomen tijdens de inventarisatie van dit archief heeft eveneens geen positief resultaat tengevolge gehad. Ook aanwijzingen op welke wijze en onder welke omstandigheden de stukken eventueel verloren kunnen zijn gegaan, zijn niet gevonden.
Het archief van de sociale verzekeringswetten omvatte voor de inventarisatie ca. 40 strekkende meter archiefstukken, opgeborgen in portefeuilles en groepsgewijs verdeeld naar de verschillende wetten.
Het onderstaand schema geeft een indruk van de aanvankelijke opstelling en verdeling van het archief.
Ongevallenwet 1901-1949 7,5 m
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922-1949 1,5 m
Zee-ongevallenwet 1915-1945 1,5 m
Ziektewet 1925-1943 6 m
Invaliditeitswet 1913-1949 4,5 m
Ouderdomswet 1919-1949 2 m
Radenwet 1919-1933 1,5 m
Wet op de Rijksverzekeringsbank en Raden van Arbeid 1934-1949 1,5 m
Verordeningen van de Secretaris-Generaal 1940-1944 1 m
Personeelsstukken van de Rijksverzekeringsbank 1901-1949 8 m
Stukken betreffende uiteenlopende onderwerpen aangaande de verschillende wetten 4m
Totaal 39 m
Het tijdsbestek van het archief loopt vanaf 1901 tot 1950. De oudste stukken archief betreffen de uitvoering van de Ongevallenwet 1901, de eerste wet op het gebied van de sociale verzekering in Nederland.
De jongste stukken dateren uit 1949. Vanaf die tijd is de afdeling, toen Sociale Verzekering genaamd, haar archief-administratie gaan inrichten volgens het fichedoorschrijfsysteem en is de archiefordening opgezet volgens een decimaal ingericht registratuurplan. Deze omschakeling in archiefsysteem was de overweging om het archief tot 1950 als een afgerond geheel te beschouwen en als zodanig definitief te ordenen en te inventariseren om het te gelegener tijd over te dragen aan het Algemeen Rijksarchief.

Het Kabinetsarchief van de Afdeling Arbeidersverzekering

De Kabinet-, zeer geheime en geheime stukken werden behandeld door het Afdelingshoofd, of diens plaatsvervanger. Noodzakelijkerwijs moest ook de secretaresse van het Afdelingshoofd van deze stukken kennis nemen. De Kabinetstukken werden bij de Afdeling Sociale Verzekering bewaard in het "Kabinetkastje", dat in het gangetje hing dat toegang gaf tot de kamer van het Afdelingshoofd en steeds gesloten was.
Het archief werd aangetroffen in het Centraal Historisch Archief van het Ministerie van Sociale Zaken. Het omvat de periode 1921-1958.

De verwerving van het archief

Overbrenging van een overheidsarchief