2.15.92 Inventaris van de archieven van de Directie Tewerkstelling Erkende Gewetensbezwaarden Militaire Dienst van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het gedeponeerde archief van de Hoofdafdeling Dienstplichtzaken van het Ministerie van Defensie, (1917) 1957-1997 (1998)

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Sluiten

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Dienstplicht en de erkenning van gewetensbezwaarden

De Nederlandse Grondwet stelt: ’tot bescherming der belangen van de staat is er een krijgsmacht, bestaande uit vrijwillig dienenden en dienstplichtigen’. Om de in- en uitwendige veiligheid van het Koninkrijk te kunnen handhaven, dient de overheid zorg te dragen voor ‘het kwantitatief en kwalitatief zodanig voorzien van personeel van de operationele eenheden van de krijgsmacht, dat zij de hun gestelde operationele taken kunnen uitvoeren’. Het personeel dat werkzaam is bij het ministerie van Defensie bestaat uit burgerpersoneel en militair personeel. Deze laatste groep is naar status onder te verdelen in drie categorieën, te weten beroepsmilitairen, dienstplichtigen en reservisten.
De Dienstplichtwet was ingesteld in 1962 en bepaalde dat alle mannelijke Nederlanders van 18 jaar en ouder, die waren goedgekeurd en niet erkend als gewetensbezwaarde, verplicht waren op te komen wanneer ze werden opgeroepen ter inlijving. Na hun eerste oefening gingen zij dan met zogenaamd ‘groot verlof’. Daarna bleven zij afhankelijk van hun rang nog tot een bepaalde leeftijd verplicht reservist.
Op grond van de Dienstweigeringswet 1923 en zijn opvolger de Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst 1962 kon een goedgekeurde dienstplichtige, die voor inlijving was aangewezen, de minister van Defensie verzoeken zijn gewetensbezwaren tegen de vervulling van militaire dienst te erkennen. Erkenning van de gewetensbezwaren had tot gevolg dat de betrokkene op een andere wijze tewerk werd gesteld. Tot 1978 werd er onderscheid gemaakt tussen twee soorten gewetensbezwaarden: zij die alleen gewetensbezwaren hadden tegen de gewapende strijd, bij Defensie 'wapenbezwaarden' genoemd, en zij die verdergaande gewetensbezwaren hadden tegen het doden van medemensen. De eerste categorie werd belast met militaire dienst, niet gericht op gewapende strijd (meestal bij de Mobiele Colonnes der Bescherming Bevolking). De tweede categorie werd, onder opheffing van het militair verband, tewerk gesteld bij een burgerlijke tak van staatsdienst. Beide soorten dienst duurden aanzienlijk langer dan de werkelijke dienst zou hebben geduurd. De perioden werden echter in de loop van de naoorlogse periode langzamerhand verkort, waardoor de vervangende dienst uiteindelijk een derde langer duurde dan de eerste oefening voor de meeste dienstplichtigen. Deze langere duur was bedoeld als aanvulling op de toetsing van de ernst van de bezwaren en als tegenwicht voor de over het algemeen aangenomen zwaardere militaire dienstvervulling.Ook onder de nieuwe wet van 1962, die het erkenningscriterium ruimer stelde dan de wet van 1923 (in plaats van onoverkomelijke bezwaren tegen het doden van mensen, werd er nu uitgegaan van onoverkomelijke bezwaren tegen elk oorlogsgeweld) bleven de twee categorieën tewerkgestelden bestaan. Pas in 1978 werd dit onderscheid opgeheven. De tewerkstelling werd door het Ministerie van Oorlog en later door Defensie verzorgd. In 1975 werd deze taak door de minister van Sociale Zaken overgenomen.
Erkende gewetensbezwaarden hadden recht op verschillende vormen van verlof, bijvoorbeeld: compensatieverlof wegens het verrichten van onregelmatige diensten, vakantieverlof, klein verlof voor zaken, oogstverlof en buitengewoon verlof wegens bijvoorbeeld huwelijk, ziekte, stemmen, bevalling van echtgenote of verhuizing. Aangaande financiële aanspraken vielen aan de tewerkgestelde in principe alle betalingen toe die ook aan de dienstplichtige tegoed werden gedaan. De financiële aanspraken behelsden onder andere het zakgeld voor tewerkgestelden, de vakantie-uitkering, vergoeding voor voeding en huisvesting (tenzij deze van rijkswege ‘in natura’ werden verstrekt), een tegemoetkoming in de kantinekosten, vergoeding voor gebruik van eigen kleding, vergoeding van schade geleden tijdens het verblijf in vervangende dienst, vergoeding van gemaakte kosten voor bezinningsbijeenkomsten, vrij vervoer in het weekeinde, lokaal vervoer in standplaats, eventueel vervoer met eigen motorvoertuig, vergoeding voor het reizen tussen woon- en standplaats, de uitkering bij beëindiging van vervulling van de vervangende dienst, en dergelijke. Wanneer het verblijf in werkelijke vervangende dienst betekende dat een erkende gewetensbezwaarde over onvoldoende middelen tot levensonderhoud kwam te beschikken en hij geen vrijstelling had gekregen, kon hij in aanmerking komen voor een kostwinnersvergoeding (werd aan de verwanten uitgekeerd). Wanneer een erkende gewetensbezwaarde zich had misdragen of strafbare feiten had gepleegd, dan kon hij, afhankelijk van de aard en zwaarte van het gepleegde feit, met een tuchtrechtelijke of strafrechtelijke procedure te maken krijgen. Zodra erkende gewetensbezwaarden waren tewerkgesteld, vielen zij namelijk net als gewone dienstplichtigen onder het militair strafrecht en het militair tuchtrecht, zoals dat voor beroepsmilitairen was opgesteld. Een erkende gewetensbezwaarde kon ook door de minister worden ontslagen van de uit de Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst voortvloeiende verplichtingen, wanneer hij onherroepelijk was veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Een dergelijke veroordeling kon het gevolg zijn van het opzettelijk niet voldoen aan een wettige oproeping tot het vervullen van vervangende dienst, of het begaan van een misdrijf tijdens de vervangende dienst.
In 1948 werd op particulier initiatief de Contact Commissie Dienstweigeringswet ingesteld, waarin tewerkgestelden en vertegenwoordigers van vredesgroepen zitting hadden. De Commissie zag toe op de toestand van de tewerkgestelden en trachtte eventuele problemen, in samenwerking met het Ministerie van Defensie, op te lossen. Vanaf hetzelfde jaar 1948 tot 1969 bestond de Commissie Tewerkstelling Erkende Gewetensbezwaarden, waarvan het hoofd van de Afdeling Dienstplichtzaken voorzitter was en waarin vertegenwoordigers zaten van de ministeries van Defensie, Onderwijs en Justitie. Taak van de commissie was het adviseren van de minister van Defensie ten aanzien van de tewerkstelling. Het secretariaat werd gevoerd door de afdeling Dienstplichtzaken.
Ondanks de bemoeienis van deze adviesorganen groeide in de jaren zestig de onrust onder de tewerkgestelden, die regelmatig protesteerden tegen de kwaliteit van het werk dat zij bij de tewerkstellingsobjecten dienden te verrichten. Pas in 1967 organiseerden zij zich echter in de Bond voor Dienstweigeraars, die kort daarop werd omgevormd tot de overkoepelende Bond voor Dienstplichtigen. Als reactie hierop richtten tewerkgestelden in 1971 de Vereniging Dienstweigeraars (VD) op. De VD stelde zich ten doel de stoffelijke en geestelijke belangen te behartigen van allen die weigerden militaire dienst te vervullen, of zij nu wettelijk erkend waren of niet. Het doel was dus tweeledig. Enerzijds gaf men raad en voorlichting aan degenen die dienst (gingen) weigeren, anderzijds trad men op als ‘vakbond’ voor de tewerkgestelden. De tewerkstelling onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Defensie zelf, het feit dat de tewerkstellingsobjecten Defensie een vergoeding dienden te geven voor de geleverde arbeid, de kwaliteit en de zin van het werk dat moest worden verricht en toestanden zoals de verplichte collectieve huisvesting van tewerkgestelden in het kamp Vledder, werden door de tewerkgestelden steeds meer als misstanden gezien. Nadat de Commissie Fonteyn (1969-1971) haar advies had uitgebracht en de politiek de protesten van de tewerkgestelden had opgepikt, volgde na een kamerdebat in 1974 een wetswijziging. De voornaamste verandering was dat in 1975 de nieuw op te zetten Afdeling Tewerkstelling Erkende Gewetensbezwaarden Militaire Dienst (TEGMD) van het Ministerie van Sociale Zaken de tewerkstellingstaak van het Bureau Gewetensbezwaarden van het Ministerie van Defensie overnam. Verder werd het kamp Vledder opgeheven en verdween de verplichte collectieve huisvesting.
Voor een paar bijzondere groepen dienstweigeraars vormde de vervangende dienstplicht ook na de in 1975 doorgevoerde wijzigingen geen bevredigend alternatief voor de militaire dienst. Met name sinds de jaren tachtig is er sprake geweest van een groeiende groep zogenaamde ‘weigeryuppen’. Vaak betrof het hier hoger opgeleiden, bijvoorbeeld met uitzicht op een goede baan, die de dienstplicht als een belemmering voor hun carrière beschouwden. Om onder de verplichting tot het vervullen van de gewone militaire dienst uit te komen, maakten zij in toenemende mate oneigenlijk gebruik van de procedure om erkend te worden als gewetensbezwaarde. Eenmaal erkend maakten zij, vaak onder begeleiding van commerciële juristenbureaus, gebruik van verschillende vertragingstactieken. Er werd een beroep gedaan op de mogelijkheid tot het aanvragen van uitstel of vrijstelling, in de hoop dat van dit uitstel uiteindelijk afstel zou komen. Dit leidde tot een stijging in het aantal beroepen op de Wet Gewetensbezwaarden Militaire Dienst en daarmee tot een stijging in het aantal niet-erkenningen. Meerdere ‘weigeryuppen’ hebben dit gedrag moeten bekopen met een aanzienlijke gevangenisstraf, van circa acht tot twaalf maanden.
Naast bovengenoemde groep waren er ook nog de ‘totaalweigeraars’. Het ging hier om voor de dienstplicht goedgekeurde jongens, die bij wijze van protest besloten dienst te weigeren, zonder een beroep te doen op de Wet Gewetensbezwaarden Militaire Dienst. Een tweede groep totaalweigeraars bestond uit dienstplichtige Jehova’s Getuigen. Het weigeringsprincipe van laatstgenoemden berustte niet op pacifistische overwegingen, maar op neutraliteit ten opzichte van seculiere aangelegenheden. Dit wil zeggen dat Jehova’s Getuigen slechts loyaliteit verschuldigd zijn aan God, hetgeen strijdig is met onderworpenheid aan enige wereldse machthebber. Vanuit dit standpunt was zelfs de vervangende dienstplicht, hoe humaan deze ook mocht zijn ingekleed, een onverteerbaar compromis.
De ‘protest-totaalweigeraars’, wiens gedrag door de overheid als ‘maatschappelijk onaanvaardbaar’ werd gezien, belandden na een strafrechtelijk proces in de gevangenis. Jehova’s Getuigen daarentegen, werden op grond van hun godsdienstige regels vrijgesteld van de militaire dienstplicht. Dit verschil in behandeling werd door velen als discriminerend beschouwd. Het kabinet werd daarom gevraagd een gelijke regeling voor beide categorieën te treffen, waarbij het niet de bedoeling was dat ook de Jehova’s Getuigen zich voor de strafrechter zouden moeten verantwoorden. Een Zweedse totaalweigeraar had het probleem inmiddels echter al aan de Europese Commissie voor de Mensenrechten voorgelegd. Deze oordeelde dat de twee onderscheiden categorieën niet vergelijkbaar waren en daarom niet gelijk behandeld hoefden te worden. Enkele jaren later werd het probleem nogmaals beoordeeld door de Commissie voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties, die tot dezelfde conclusie kwam. Voor protesttotaalweigeraars bestonden er dan ook drie opties: of in militaire dienst gaan, of een beroep doen op de Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst, of totaalweigeren met als consequentie strafvervolging.
Uiteindelijk hoefde in de jaren negentig, als gevolg van de verbeterde veiligheidssituatie in Europa en het (mede daardoor) steeds verder inkrimpen van het leger, slechts circa 40 % van de Nederlandse jongens werkelijk in militaire dienst. Behalve dat er altijd jongens werden afgekeurd of van de dienstplicht werden uitgesloten, werden veel jongens vanwege een toenemend overschot aan dienstplichtigen namelijk buitengewoon dienstplichtig verklaard. Hierdoor ontstond de vraag of de ongelijke belasting binnen deze groep leeftijdgenoten nog wel aanvaardbaar was. Bovendien speelde het feit dat voor steeds meer technisch hoogwaardige functies beroepsmilitairen moesten worden ingezet een belangrijke rol.
Wegens bovengenoemde en vele andere redenen, besloot de regering in 1993 over te gaan tot een geheel uit vrijwilligers samengestelde krijgsmacht. Aan de Raad van State werd advies gevraagd over de verhouding tussen dan wel afschaffing, dan wel opschorting van de dienstplicht, ten opzichte van de Grondwet. Er is voor gekozen de dienstplicht formeel te handhaven, zodat in geval van herleefde grote dreiging kan worden overwogen opnieuw dienstplichtigen op te roepen. De opschorting van de dienstplicht wil zeggen dat alleen de opkomstplicht vanaf februari 1996 is afgeschaft. De Dienstplichtwet 1962 is in 1997 ingetrokken (Stb. 139). Hiermee is aan de invulling van de overheidstaken op het beleidsterrein dienstplicht met ingang van 1996 nagenoeg geheel een einde gekomen.

Tewerkstelling van erkende gewetensbezwaarden door het Ministerie van Defensie en taakvoorganger

In de periode 1945 - 1975 waren de volgende onderdelen belast met de tewerkstelling van erkende gewetensbezwaarden:
  • 1945-1950: Ministerie van Oorlog: Adjudant-Generaal: Afdeling A-III: Dienstplicht
  • 1950-1955: Ministerie van Oorlog: Directie Personeel: Afdeling Dienstplicht
  • 1955-1958: Ministerie van Oorlog: Directie Militair Personeel: Hoofdafdeling Dienstplichtzaken
  • 1959-1963: Ministerie van Defensie (samenvoeging van het Ministerie van Oorlog en de Marine): Directie Militair Personeel: Afdeling Dienstplichtzaken
  • 1963-1967: Ministerie van Defensie: Afdeling Dienstplichtzaken
  • 1968-1975: Ministerie van Defensie: Hoofdafdeling Dienstplichtzaken
Vanaf 1976 - 1997 is het organisatieonderdeel Afdeling / later Directie Tewerkstelling Erkende Gewetensbezwaarden Militaire Dienst (TEGMD) van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid belast met de tewerkstelling van de erkende gewetensbezwaarden.
Gewetensbezwaarden doorliepen grotendeels hetzelfde traject als gewoon dienstplichtigen. Na oproep en keuring konden zij aangeven gewetensbezwaren te hebben. De minister van Defensie besliste op dit verzoek, na het in de wet verplicht gestelde advies van de Dienstweigeringcommissie, sinds 1962 de Commissie van Advies Gewetensbezwaren. Deze door de minister ingestelde commissie bestond uit personen 'uit het maatschappelijk leven', die verplicht waren iedere verzoeker te horen. Hoewel het advies dat de commissie uitbracht niet bindend was, werd het vrijwel altijd door de minister opgevolgd. Na vervulling van de vervangende dienstplicht, ging de gewetensbezwaarde net als de gewone dienstplichtige met groot verlof en uiteindelijk kreeg hij ontslag.

Huisvesting van erkende gewetensbezwaarden door het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk

De erkende gewetensbezwaarden werden tijdens de vervulling van hun vervangende dienstplicht verplicht collectief gehuisvest onder meer in het kamp Vledder, bij Diever. Dit kamp was oorspronkelijk ingericht als werkverschaffingskamp, maar was in de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetter gebruikt als werkkamp. Na de oorlog werd het gebruikt voor de huisvesting van erkende gewetensbezwaarden die daar aanvankelijk werden tewerkgesteld in de ontginning en later in de schoenmakerij, drukkerij en boekbinderij. In 1952 stelde de minister van Oorlog een commissie in onder voorzitterschap van prof. mr. A.C. Josephus Jitta met de taak ‘hem te adviseren omtrent de pedagogische en psychologische aspecten van de tewerkstelling van gewetensbezwaarden’. De commissie gaf het advies om de dagelijkse leiding van het kamp Vledder over te dragen aan het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW). Dit advies werd in 1953 verwezenlijkt. Vanaf dat moment was de leiding van het kamp Vledder in handen van een directeur die ressorteerde onder de afdeling Bijzonder Jeugdwerk in Internaatsverband van het Ministerie van OKW. In 1965 werden de taken van deze afdeling overgenomen door de afdeling Bijzonder Jeugdwerk van het Directoraat Jeugdzaken, Volksontwikkeling en Sport van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM). De minister van Defensie behield de eindverantwoordelijkheid voor het kamp. De tewerkgestelden bleven echter erg ontevreden over de huisvesting en de toegewezen werkzaamheden. Deze klachten vormden de directe aanleiding voor de overdracht van de tewerkstellingstaak aan het Ministerie van Sociale Zaken en de opheffing van het kamp Vledder in 1975.

Tewerkstelling van erkende gewetensbezwaarden door het Ministerie van Sociale Zaken

Op 1 januari 1975 nam de minister van Sociale Zaken de taken met betrekking tot de tewerkstelling van dienstplichtigen met erkende gewetensbezwaren over van het Ministerie van Defensie. Voor de uitvoering van deze taken werd de Afdeling Tewerkstelling Erkende Gewetensbezwaarden Militaire Dienst (TEGMD) opgericht, die direct onder de secretaris-generaal ressorteerde. In 1989 werd de Afdeling TEGMD een dienst genoemd en in 1991 kreeg deze dienst de status van een directie.
De taken van TEGMD waren:
  • het voorbereiden en ontwikkelen van het tewerkstellingsbeleid voor erkende gewetensbezwaarden;
  • het collectief regelen en onderhouden van de rechtspositie voor, tijdens en na de tewerkstelling;
  • het individueel tewerkstellen van erkende gewetensbezwaarden in een de militaire dienst vervangende burgerdienst, het verlenen van vrijstelling en uitstel voor deze vervangende dienst en het afsluiten van vergoedingscontacten voor te leveren arbeidsprestaties;
  • het financieel, sociaal en rechtspositioneel begeleiden van de tewerkgestelden tijdens de vervangende dienst.
Na de overname van de tewerkstelling in 1975 door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bleef het beleid inzake het erkennen en tewerkstellen van gewetensbezwaarden in principe toch een Defensieaangelegenheid. Omdat de erkennings- en tewerkstellingsprocedure onderdeel uitmaakten van het totale dienstplichtbeleid, werd de ‘kaderstellende’ wet- en regelgeving op dit gebied ook na 1975 door het Ministerie van Defensie voorbereid en vastgesteld. De regels die door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werden opgesteld, waren meer van beleidsuitvoerende en rechtspositionele aard, bijvoorbeeld de Beschikking vrijstelling wegens kostwinnerschap (1976), het Reglement rechtstoestand tewerkgestelden (1992) of het Reglement bescherming persoonlijke levenssfeer registratie persoonsgegevens ingeschrevenen voor de vervangende dienst (1991). Ook na de overname van de tewerkstelling van gewetensbezwaarden door het Ministerie van Sociale Zaken, bleven de gewetensbezwaarden grotendeels hetzelfde traject doorlopen als gewoon dienstplichtigen. Enige tijd na de erkenning van zijn bezwaren werd de gewetensbezwaarde uitgenodigd voor een gesprek met de medewerkers van de Afdeling TEGMD. Hij kon een tewerkstellingsobject kiezen uit de vacaturebank, of zelf een object voordragen. Als hij zelf geen suggesties aandroeg, werd hij door de afdeling ergens geplaatst. Tewerkstelling was mogelijk bij alle overheidsinstellingen (behalve het Ministerie van Defensie) of bij niet-commerciële instellingen die werkzaam waren in het algemeen belang en voor de tewerkstelling geschikt waren.
In februari 1996 werd de opkomstplicht voor dienstplichtigen afgeschaft. De Directie TEGMD verloor haar functie en werd per 1 januari 1997 opgeheven. De nog resterende werkzaamheden werden per 1 maart overgenomen door de Directie Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden en de Directie Financieel-Economische Zaken.

Bronnen

  • Drs. Y.L. Bender, drs. F. van der Doe, drs. M.L. Loeff, Ieder zijn nummer: Een institutioneel onderzoek naar het handelen van de rijksoverheid op het beleidsterrein dienstplicht, 1945-1996. Concept-PIVOT rapport nr. 102, ’s-Gravenhage 1988.
  • Algemeen organisatie- en mandaatbesluit SZW 1995, Staatscourant 1995, nr. 100 / pag 8
  • Wijzigingsbesluit Algemeen organisatie- en mandaatbesluit SZW 1995, Staatscourant 1997, nr. 209 / p. 10.)
  • Encyclopedie Drenthe Online, 04-06-2009 http://www.encyclopediedrenthe.nl/Vledder
  • Dossier ‘Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen - overneming kamp “Vledder”, doosnr. 18434.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Op het moment van taakoverdracht had het Ministerie van Defensie nog 2.867 zaken in behandeling. Deze werden allen overgedragen aan het Ministerie van Sociale Zaken. (Bron: dossier 07.125 en beschrijving “(re)organisatie Afdeling TEGM 1974/1980”). De betreffende dossiers zijn niet in dit archief aangetroffen. Wel zijn er 8 dozen gedeponeerd archief van de Hoofdafdeling Dienstplichtzaken van het Ministerie van Defensie en taakvoorgangers aangetroffen.
Het archief van de actor Ministerie van Sociale Zaken was geordend volgens het algemene registratuurplan van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat is gebaseerd op de Universele Decimale Classificatie. Alle taakuitvoeringsdossiers waren onder de code 1.865.213.7 geplaatst. Om daarbinnen toch enige ordening te kunnen aanbrengen was deze code aangevuld met verschillende 07- en 08-codes. 1.865.213.7/07 staat in dit systeem voor de organisatie van de tewerkstelling en 1.865.213.7/08 staat voor persoonsaangelegenheden betreffende de gewetensbezwaarden. De dossiers inzake het beleid m.b.t. erkende gewetensbezwaarden hadden geen aanvullende code gekregen. In de praktijk was de code 1.865.213.7 vaak vervangen door -/. (een liggend streepje gevolgd door een forwardslash en een punt). Deze aanvullende codes moeten niet worden verward met de gewone 07-codes en 08-codes die waren gebruikt voor respectievelijk de organisatie van de Directie TEGMD en personeelsaangelegenheden.
Het archief was gedeeltelijk voorzien van een inventaris.
De dossiers betreffende tewerkgestelde erkende gewetensbezwaarden zijn in het verleden steeds gefilmd, waarna de originele archiefbescheiden zijn vernietigd. (Bronnen: dossier 07.353.221: “archief en registratuur” en Besluit houdende vervanging van archiefbescheiden, Staatscourant 3 juni 2003, nr. 104 / p. 12.). Er zijn in dit archief echter nog 11 dozen van dergelijke dossiers aangetroffen. De films zijn niet ter bewerking aangeboden en bevinden zich bij het Ministerie van SZW.

De verwerving van het archief

Het archief is in 2015 door Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overgebracht naar het Nationaal Archief, krachtens artikel 12 van de Archiefwet 1995