ALGEMEEN
De achtereenvolgende ministers die de waterstaatszorg in hun takenpakket hadden, maakten gebruik van de diensten van diverse adviesinstanties in de vorm van commissies en raden. De adviezen van deze instanties hadden enerzijds betrekking op de waterstaatswetgeving, anderzijds op de uitvoering van de waterstaatszorg: de zorg voor de toestand van de kust, rivieren, kanalen, havens, dijken, polders en wegen, alsmede de beheersing van de waterkwantiteit en in toenemende mate van de waterkwaliteit. De minister had daarbij behalve de zorg voor de rijkswerken ook het toezicht op de zorg welke door de lagere overheidsorganen werd uitgeoefend.
Voordat de Raad van de Waterstaat in 1952 met zijn advieswerk begon, waren er op waterstaatsgebied reeds diverse commissies en raden werkzaam. Zo werd in 1892 de Staatscommissie voor de Waterstaatswetgeving ingesteld die de minister moest bijstaan bij de wet- en regelgeving. Op deelgebieden van het waterstaatsbestuur volgden de instelling van de Zuiderzeeraad (1918), de Commissie van Overleg voor de Wegen (1932), de Commissie voor de Waterverontreiniging (1934) en de Raad voor de Waterhuishouding (1942).
Genoemde adviesorganen werden in 1952 (de Commissie voor de Waterontreiniging in 1969 en de Zuiderzeeraad in 1970) tot vaste commissie van de Raad van de Waterstaat omgevormd. Daarna volgde nog de omvorming tot of instelling als vaste commissie van: de Commissie voor de Scheepvaartwegen (1953), de Commissie Veiligheid Wegverkeer (1954), de Commissie voor Ontgrondingen (1967), de Noordzeecommissie (1982) en de Commissie Oppervlaktedelfstoffen (1984). De Commissie Financieel Bestel Waterschapswezen (1953) was geen onderdeel van de Raad. Wel voerde de Raad er het secretariaat van.
In de commissies zaten meestal vertegenwoordigers van bij de waterstaat betrokken departementen, lagere overheden, belangenorganisaties en deskundigen. Er waren de bovengenoemde vaste commissies en de tijdelijke of bijzondere commissies die zich bezighielden met deelgebieden die niet op het terrein van de vaste commissies lagen. Leden van de Raad van de Waterstaat vervulden het voorzitterschap van de commissies. De secretaris van de Raad was er tevens de secretaris van. Hij had een raadgevende stem in de Raad en de commissies. Binnen een commissie kon de voorzitter, in overleg met de secretaris, subcommissies benoemen ter voorbereiding van zaken die nader onderzoek vereisten.
De werkwijze van de Raad en zijn commissies was als volgt: na de adviesaanvraag door de minister zond de Raad deze door naar de betrokken vaste of tijdelijke commissie. De commissie bestudeerde stukken, hoorde zonodig deskundigen, volgde een inspraakprocedure of ging ter plekke de zaak onderzoeken. Vervolgens bracht zij advies uit aan de Raad. Deze adviseerde rechtstreeks, met bijsluiting van het commissie-advies, aan de minister.