2.2. In Memoriam Mr. Dr. J.M. de Moor
"DE MOOR is plotseling overleden". Dat was de treurige tijding, die op den laatsten dag van Mei in de Nederlandsche gemeenschap te Londen van mond tot mond ging. Het leek zoo volkomen onwerkelijk. Nog vlak te voren was hij midden in zijn werk, met zijn vriendelijken glimlach, zijn aangeboren hoffelijkheid en zijn voortdurende bereidwilligheid om anderen te helpen. En nu was dit leven ineens afgesneden.
Gedurende de Londensche jaren heeft de Moor in het Nederlandsche Regeeringsapparaat een vooraanstaande plaats ingekomen. Reeds in het eerste jaar van den oorlog kwam hij hier om het presidentschap op zich te nemen van de Nederlandsche Rechtbank, die [...] zeelieden had te berechten. Het welslagen van de Rechtbank is in hoofdzaak zijn werk. Twee dingen hebben mij vooral in zijn leiding getroffen. In de eerste plaats de prettige, haas gemoedelijke wijze, waarop hij het onderzoek leidde, zoodat de zeelieden, die door de rechtbank kwamen, zich volkomen op hun gemak gevoelden. Aan deze welwillende manier van behandelen paarde hij een sterk gevoel voor recht, dat nimmer formalistisch was, maar waarbij altijd de mensch vooropstond. Hij bracht als president in de zittingen van de rechtbank een voorname atmospheer, die de rechtbank aller vertrouwen deed winnen. Voor den goeden geest op de koopvaardij, Nederland's belangrijkste bijdrage aan de oorlogvoering, is zijn werk daarom van groote beteekenis geweest.
Met de scheepvaart had de Moor ook bemoeienis door zijn Voorzitterschap van den Buitengewonen Raad voor de Scheepvaart. Maar van nog meer belang was zijn werk als vertegenwoordiger der Nederlandsche Regeering in de United Nations War Crime Committee. De behandeling der oorlogsmisdadigers is zeker wel een der moeilijkste na-oorlogsche vraagstukken. Het rechtsbewustzijn van de volkeren verlangt, volkomen terecht, een onmeedoogende behandeling van deze onheilstichters. Maar er moet niet minder worden gezorgd, dat recht word gedaan, zoodat wij ons niet verlagen tot het onzegbaar bestiale peil van onze vijanden. Ook hier wees het sterk ontwikkeld rechtsgevoel van de Moor hem den juisten weg. Bovendien had hij aangeboren eigenschappen om aan belangrijken internationale arbeid deel te nemen. Er was bij hem geen stugheid, maar beweeglijkheid en plooibaarheid, noodig om in de internationale spheer tot een resultaat te komen. Het is dan ook geen wonder, dat hij onder zijn medeleden in hoog aanzien stond en dat hij onder de belangrijkste Engelsche juristen warme vrienden maakte.
De Moor zag zijn arbeid te Londen als een voorbereiding van de toekomst. Hij zat vol plannen. Hij hoopte nog veel voor zijn Vaderland te kunnen doen. Vandaar dat hij zich in deze jaren volkomen in het internationale recht had ingewerkt. Verschillende artikelen in Vrij Nederland en eenige radiotoespraken getuigen daarvan. Er ligt daarom in zijn overlijden op dit oogenblik nog een bijzondere tragiek. Wij allen hier te Londen staan thans klaar om mede te gaan bouwen aan het herstel en de vernieuwing van Nederland. Maar de Moor, die zoo zielsgraag hieraan zou hebben deelgenomen, wordt dit voorrecht niet gegeven. Hij zal, als Mozes, het beloofde land niet binnentrekken.
Maar wij, zijn vrienden, blijven aan hem denken als den kundigen jurist, met het warme hart en het temperamentvolle karakter, die in de voorbereiding van een Nieuw Nederland op zijn terrein groot werk heeft gedaan.
Mr. Dr. A.A. van Bhijn.
"Vrij Nederland"
9 juni 1945
3. Installatie-rede, uitgesproken door minister Alberda op 27 februari 1941
Aangetroffen in het archief van het ministerie van Waterstaat te Londen.
Mijne heeren.
Namens de Regeering zeg ik U dank, dat gij u bereid hebt verklaard een plaats in en bij den Buitengewonen Raad voor de Scheepvaart in te nemen.
Het verheugt mij, mijnheer de Moor, dat wij een beroep op U hebben kunnen doen om het voorzitterschap op U te nemen. Uw ervaring als rechter in de grootste havenstad van Nederland geeft ons grond voor de verwachting, dat gij het moeilijke ambt waardig en met bekwaamheid en beleid zult vervullen.
Het verheugt mij niet minder, mijnheer van Everdingen, dat gij bereid zijt gevonden, U met het secretariaat te belasten. Ook van U weten wij, dat gij op het gebied der rechtspleging veel ervaring hebt opgedaan, die waarborgt, dat gij tegen de U thans toevertrouwde zware taak ten volle zult zijn opgewassen.
Ook op Uwe schouders, Overste den Hoedt, is in verband met de werkzaamheden van den Raad een zware en verantwoordelijke taak gelegd. De Regeering is erkentelijk, dat gij Uw sterke zeemansschouders daaronder hebt willen zetten. Ik weet, dat gij Uw taak met groote ernst en even groote nauwgezetheid zult vervullen.
U allen, mijneheeren, die door H.M. de Koningin zijt benoemd tot leden en buitengewone leden, zeg ik dank voor Uw bereidwilligheid. Zooals gij zult begrijpen, leverde de samenstelling te Londen van een Nederlandsch college als de Buitengewone Raad voor de Scheepvaart meer moeilijkheden op, dan in Nederland bij de samenstelling van een dergelijk lichaam worden ontmoet. Des te meer verheugt het de Regeering, dat gij U Uwe benoemingen hebt willen laten welgevallen. Zij heeft alle reden om te vertrouwen, dat gij aan het U toevertrouwde werk Uw beste krachten zult wijden en erin zult slagen het goed te verrichten.
De instelling van den Buitengewonen Raad is de vrucht van ampele overweging. Tot die overweging - ik wil het gaarne met erkentelijkheid vermelden - hebben de reeders, vertegenwoordigd door het Netherland Shipping and Trading Committee, den stoot gegeven. Zij hebben de aandacht der Regeering gevestigd op de behoefte aan een lichaam, dat in Engeland met betrekking tot de Nederlandsche Koopvaardijvloot een soortgelijke taak zou kunnen vervullen, als door de Wet aan den Raad voor de Scheepvaart in Nederland is opgedragen. De Regeering heeft het bestaan van die behoefte reedelijk erkend en daaraan is het K.B. van 18 October te danken, waarbij voor het gebied van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de Buitengewone Raad voor de Scheepvaart is ingesteld.
Het was uiteraard niet gemakkelijk den werkkring, de bevoegdheden en de werkwijze van den Buitengewonen Raad te regelen. Al stond op den voorgrond de wil om daarbij te sturen naar een zoo volkomen mogelijke analogie aan de regels, die de Scheepvaart en de daarbij behoorende Besluiten voor den Raad voor de Scheepvaart in Nederland hebben gegeven - de omstandigheden, waarin wij hier verkeeren, en die, waarin de vrije Nederlandsche scheepvaart thans wordt uitgeoefend, verschillen in zooveel opzichten en zoo belangrijk van de normale, dat op verschillende punten van de regels van de Scheepvaart moest worden afgeweken.
In de K.B.'s van 18 October 1940, van 27 November 1940 en van 7 Februari 1941 zijn nu de bijzondere bepalingen vervat, die voor den Buitengewonen Raad gelden. Het schijnt mij niet noodig, den inhoud van die bepalingen thans hier weer te geven.
Een bepaling echter verdient naar mijn gevoelen bij de installatie van den Raad wel onze zeer bijzondere aandacht. Ik bedoel die, volgens welke de zittingen van den Raad niet in het openbaar zullen worden gehouden.
Ziehier een bepaling, waaruit wel zeer treffend het abnormale karakter van de tegenwoordige omstandigheden spreekt.
Immers er zijn niet vele beginselen van de democratische rechtsorde te noemen, voor het algemeen welzijn zoo belangrijk en voor de democratic zoo kenmerkend als dit: dat de rechtspleging, behoudens uitzonderingsgevallen, in het openbaar behoort te geschieden. Dit beginsel is een van de voornaamste waarborgen voor de vrijheid, karakteristiek voor den rechtstaat.
Zeer noode is de Regeering ertoe overgegaan voor den Buitengewonen Raad voor de Scheepvaart van dat beginsel af te wijken. Het was echter noodzakelijk. Immers kunnen in dezen tijd geen mededeelingen over verblijfplaatsen en bewegingen van schepen in het openbaar worden gedaan, zonder de kans, dat zeer groote gevaren worden tevoorschijn geroepen: gevaar niet alleen voor de schepelingen, maar ook voor de landen, die in strijd zijn gewikkeld. Van openbare behandeling van de zaken, die voor den Raad worden gebracht, kan dus in de tegenwoordige omstandigheden geen sprake zijn. Publiek kan bij de zittingen niet worden toegelaten, ook de pers kan daarbij niet vertegenwoordigd zijn. Toch blijft het wenschelijk, dat de uitspraak van den Raad bekend wordt gemaakt. Daarom is bepaald, dat van het verhandelde in de zittingen een beknopt verslag zal worden aangeboden aan een of meer door de Regeering aangewezen bladen. Het spreekt van zelf, dat bij de opstelling van zoodanige berichten de uiterste behoedzaamheid moet worden in acht genomen, opdat daaruit niets blijke noch kunne worden afgeleid wat verblijfplaatsen en bewegingen van schepen, van welken aard ook, betreft.
Uit hetgeen ik zooeven zeide blijkt ook, van welk een vertrouwelijken aard de opdracht is, die de Regeering aan U, mijneheeren, heeft gegeven. Dat ik U aan H.M. de Koningin ter benoeming heb voorgedragen, moge voor U het bewijs zijn, dat de Regeering weet, op Uw nauwgezette stilzwijgendheid, in den door mij aangegeven zin, te kunnen rekenen.
Een gevolgtrekking, die uit het door mij aangevoerde gemakkelijk is af te leiden, is deze, dat ook van hen, die in de zittingen van de Raad in een of andere hoedanigheid hebben te verschijnen, wordt geëischt, dat zij aan hetgeen zij daar vernemen geenerlei ruchtbaarheid zullen geven. Het is onbetwistbaar, dat dit uit het karakter der besloten zittingen voortvloeit. Indien iemand dit uit het oog mocht verliezen, zou hij zich aan een onverantwoordelijke handeling schuldig maken. Uw voorzitter zal ongetwijfeld iedereen, die voor den Raad verschijnt, van dat besef doordringen.
Ziehier dan, mijneheeren, wat ik U had te zeggen bij de installatie van het college, dat bij K.B. van 18 October 1940 in het leven is geroepen.
Overgaande tot de installatie zelve heb ik daaraan nog slechts enkele woorden toe te voegen.
In de eerste plaats om den wensch uit te spreken, dat het werk van den Buitengewonen Raad moge strekken tot heil van de Nederlandsche scheepvaart en tot heil van alle Nederlandsche schepelingen en daarmee tot heil van ons Nederlandsche volk.
In de tweede plaats om daarop te doen volgen een wel ongewonen, maar niet minder diep gevoelden wensch: dezen, dat gij spoedig van uw taak zult kunnen worden ontheven en den Buitengewonen Raad spoedig kan ophouden te bestaan. Dit beteekent den wensch, dat Nederland spoedig weder een onafhankelijk en vrij land zal zijn, waarnaar de Nederlandsche schepen en de dappere, offervaardige Nederlandsche zeelieden ongehinderd kunnen terugkeeren.
Hiermede, mijneheeren, verklaar ik den Buitengewonen Raad voor de Scheepvaart te zijn geinstalleerd.
Ik geef aan U, mijnheer de voorzitter, de leiding van deze vergadering over.
De Voorzitter van den Buitengewonen Raad voor de Scheepvaart, Mr. Dr. J.M. de Moor, heeft daarop geantwoord:
Excellentie,
Nu U mij de leiding van deze vergadering hebt overgedragen, is het mij een behoefte, voor alles U dank te zeggen voor de vriendelijke woorden en de goede wenschen, die U zooeven hebt geuit, en voor het vertrouwen, dat Gij wel in ons hebt willen stellen door ons voor te dragen aan H.M. de Koningin, ter benoeming in onze verschillende functies.
Zooals U reeds deedt uitkomen, en ook blijkt uit den naam, heeft de zoo juist door U geinstalleerde Raad zijn ontstaan te danken aan buitengewone omstandigheden.
Toen bij de bezetting van Nederland bijna onze geheele, zoo belangrijke handelsvloot zich aan den greep van den vijand had weten te onttrekken, en zich vervolgens in Engeland in één groote organisatie wist dienstig te maken aan de voortzetting van den oorlog, bleek voor dit uitgebreide lichaam, waarbij ook vele duizenden Nederlandsche zeelieden waren betrokken, een onderzoekend en rechtsprekend orgaan, als in normale tijden in Nederland de Raad voor de Scheepvaart, niet te kunnen worden gemist. Dit leidde tot instelling van een "Buitengewonen" Raad voor de Scheepvaart.
Ook echter op de taak en de werkzaamheden van dezen Raad, - het onderzoek omtrent voorgekomen scheepsrampen, en omtrent bepaalde gedragingen van kapiteins, stuurlieden en machinisten, alsmede de beoordeling en de berechting daarvan, - kunnen de bijzondere omstandigheden, waaronder de Raad is ontstaan en moet werken, niet nalaten haren invloed te doen gelden.
Gelijk Uwe Excellentie vermeldde, was het reeds niet eenvoudig de bevoegdheden en de werkwijze van den Raad voor het gebied van Groot-Brittanië en Noord-Ierland te regelen, en aan te passen aan de Schepenwet. Definities, daarin neergelegd, konden hier niet zonder meer worden gehandhaafd. De procedure eischte grootere soepelheid, dan in Nederland reeds gold. Onze bevoegdheden moesten natuurlijkerwijze op vreemd grondgebied wat beperkter zijn. En de openbaarheid der behandeling, een wel zeer belangrijk beginsel onzer rechtspleging, waaraan Gij juist zoo welgekozen woorden van waardeering hebt gewijd, kon, behoudens eenig publicatie achteraf, helaas niet worden overgenomen.
Terwijl intusschen aan deze meer juridische bezwaren reeds zoo goed mogelijk, en m.i. op gelukkige wijze in de betreffende K.B.'s is tegemoet gekomen, blijven andere van meer materieelen aard bestaan.
Zoo ontbreken, bij een sterk gestegen percentage der scheepsrampen, hier o.m. geheel de uitstekende outillage en de staf van geschoold personeel, die in Nederland ter beschikking stonden van het hoofd van de Scheepvaartinspectie en van den Raad, terwijl ook, ondanks de welwillende medewerking van het "Shipping and Trading Committee", de grootere afstanden der havens, en de langere reizen, af te leggen door veelal verspreide getuigen, zeker eenigen last zullen veroorzaken bij het vooronderzoek, en ook voor de behandeling ter zitting.
Ik twijfel echter geenszins, of juist deze grootere moeilijkheden, tezamen met de overtuiging, dat thans, meer dan ooit, voor ons land en zijn bondgenooten "navigare necesse est", en dat het werk van den Raad van groote waarde kan zijn voor een goede navigatie en het welzijn van onze dappere zeelieden, en zoo voor de gehele Nederlandsche Scheepvaart en voor de Vaderlandsche Zaak, zullen voor allen, die aan of met den Raad verbonden zijn, een reden te meer op leveren, om hunne allerbeste krachten daaraan te geven.
Mijnerzijds zal ik niets nalaten om het werk van den Raad te doen slagen, en het voor U, allen, zoo aangenaam mogelijk te doen zijn.