2.16.31 Inventaris van het archief van de Buitengewone Raad voor de Scheepvaart te Londen, (1939) 1940-1946

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Bijlagen

Overzicht van geraadpleegde bronnen

Dirkzwager, Mr. A., 50 jaar Raad voor de Scheepvaart, 1959. Everdingen, Mr. H. van, De Buitengewone Raad voor de Scheepvaart. Bijdrage voor Het Nederlandsch Recht in oorlogstijd in Engeland ontstaan en toegepast, 1944. Schepenwet van 1 juli 1909, Stb. 219, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 januari 1968 Stb. 21, Hoofdstuk IV "Procedure voor de Raad van de Scheepvaart". Weekblad Vrij Nederland, Londen 1940 - 1945.

1. Curriculum vitae Mr. Herman van Everdingen

Mr. Herman van EVERDINGEN geboren te Geldermalsen, 23 februari 1890 overleden te Vevey (Zwtl.), 22 februari 1974.
Zijn loopbaan begon in Ned. Indië, alwaar hij achtereenvolgens optrad als griffier en waarnemend lid van de Raad van Justitie te Padang, voorzitter van de Landraad te Patjitan (Java) en vervolgens 3 jaar waarnemend notaris te Soerabaia was. Naderhand bekleedde hij in Nederland de functie van plaatsvervangend kantonrechter te Druten en was tevens waarnemend griffier bij de rechtbank te Tiel totdat dit college werd opgeheven.
In Engeland werd hij eerst enige tijd tewerkgesteld in het Stratton-House en was vervolgens werkzaam bij het Shipping Committee. Op 9 november 1940 kwam hij in dienst bij het ministerie van Waterstaat als juridisch adviseur, bij welk ministerie hij tegen het einde van de oorlog opklom tot Hoofd van de afdeling Juridische- en Algemene Zaken.
Bij Koninklijk Besluit van 11 december 1940 werd hij benoemd tot secretaris, tevens plaatsvervangend-voorzitter van de Buitengewone Raad voor de Scheepvaart. Na het overlijden van Mr. Dr. de Moor werd hij bij Koninklijk Besluit van 28 juli 1945, no. 30 met ingang van 10 juli 1945 benoemd tot voorzitter en in de vergadering van die Raad op 20 September 1945 als zodanig geinstalleerd. Op 4 September 1944 werd hij benoemd tot majoor bij het Militair Gezag. Van 27 oktober 1944 tot 18 januari 1945 trad hij op als Militair Commissaris van de provincie Gelderland in de rang van tijdelijk reserve kolonel.
Op 17 mei 1945 werd hij met ingang van 15 mei 1945 wederom in militaire dienst opgeroepen, zulks voor de duur van zijn functie bij het ministerie van Waterstaat.

2.1. Curriculum vitae Mr. Dr. Johannes Maarten de Moor

Mr. Dr. Johannes Maarten de MOOR geboren te Rotterdam, 25 januari 1896 overleden te Old-Windsor (GB), 30 mei 1945.
Na een tien-jarige ervaring op een advocatenkantoor, trad hij in dienst van de rechterlijke macht, waar hij 14 jaar de functie van rechter bekleedde, waarvan de laatste acht jaar als rechter bij de arrondissements-rechtbank te Rotterdam.
Na de bezetting van Nederland is hij met zijn echtgenote op 8 jun. 1940 uitgeweken en kwam tegen het einde van dat jaar via Portugal in Londen aan.
Bij Koninklijk Besluit van 11 december 1940 werd hij benoemd tot voorzitter van de Buitengewone Raad voor de Scheepvaart. In de vergadering van 27 februari 1941 werd hij door de minister van Waterstaat, Ir. J.W. Albarda, als zodanig geinstalleerd.
Bij Koninklijk Besluit no. 2876/ J 2139 werd hij met ingang van 15 oktober 1941 benoemd tot president van het 'Netherland Maritime High Court' (Nederlandse rechtbank te Londen).
Van de vele door hem beklede nevenfuncties vermelden wij nog:
  • Nederlands vertegenwoordiger in de United Nations War Crimes Commission, en
  • lid van de commissie 'Rijkens', sub commissie IIId, ter bestudering van de "internationale verbindingen, waaronder luchtverbindingen en wegennetten".

2.2. In Memoriam Mr. Dr. J.M. de Moor

"DE MOOR is plotseling overleden". Dat was de treurige tijding, die op den laatsten dag van Mei in de Nederlandsche gemeenschap te Londen van mond tot mond ging. Het leek zoo volkomen onwerkelijk. Nog vlak te voren was hij midden in zijn werk, met zijn vriendelijken glimlach, zijn aangeboren hoffelijkheid en zijn voortdurende bereidwilligheid om anderen te helpen. En nu was dit leven ineens afgesneden.
Gedurende de Londensche jaren heeft de Moor in het Nederlandsche Regeeringsapparaat een vooraanstaande plaats ingekomen. Reeds in het eerste jaar van den oorlog kwam hij hier om het presidentschap op zich te nemen van de Nederlandsche Rechtbank, die [...] zeelieden had te berechten. Het welslagen van de Rechtbank is in hoofdzaak zijn werk. Twee dingen hebben mij vooral in zijn leiding getroffen. In de eerste plaats de prettige, haas gemoedelijke wijze, waarop hij het onderzoek leidde, zoodat de zeelieden, die door de rechtbank kwamen, zich volkomen op hun gemak gevoelden. Aan deze welwillende manier van behandelen paarde hij een sterk gevoel voor recht, dat nimmer formalistisch was, maar waarbij altijd de mensch vooropstond. Hij bracht als president in de zittingen van de rechtbank een voorname atmospheer, die de rechtbank aller vertrouwen deed winnen. Voor den goeden geest op de koopvaardij, Nederland's belangrijkste bijdrage aan de oorlogvoering, is zijn werk daarom van groote beteekenis geweest.
Met de scheepvaart had de Moor ook bemoeienis door zijn Voorzitterschap van den Buitengewonen Raad voor de Scheepvaart. Maar van nog meer belang was zijn werk als vertegenwoordiger der Nederlandsche Regeering in de United Nations War Crime Committee. De behandeling der oorlogsmisdadigers is zeker wel een der moeilijkste na-oorlogsche vraagstukken. Het rechtsbewustzijn van de volkeren verlangt, volkomen terecht, een onmeedoogende behandeling van deze onheilstichters. Maar er moet niet minder worden gezorgd, dat recht word gedaan, zoodat wij ons niet verlagen tot het onzegbaar bestiale peil van onze vijanden. Ook hier wees het sterk ontwikkeld rechtsgevoel van de Moor hem den juisten weg. Bovendien had hij aangeboren eigenschappen om aan belangrijken internationale arbeid deel te nemen. Er was bij hem geen stugheid, maar beweeglijkheid en plooibaarheid, noodig om in de internationale spheer tot een resultaat te komen. Het is dan ook geen wonder, dat hij onder zijn medeleden in hoog aanzien stond en dat hij onder de belangrijkste Engelsche juristen warme vrienden maakte.
De Moor zag zijn arbeid te Londen als een voorbereiding van de toekomst. Hij zat vol plannen. Hij hoopte nog veel voor zijn Vaderland te kunnen doen. Vandaar dat hij zich in deze jaren volkomen in het internationale recht had ingewerkt. Verschillende artikelen in Vrij Nederland en eenige radiotoespraken getuigen daarvan. Er ligt daarom in zijn overlijden op dit oogenblik nog een bijzondere tragiek. Wij allen hier te Londen staan thans klaar om mede te gaan bouwen aan het herstel en de vernieuwing van Nederland. Maar de Moor, die zoo zielsgraag hieraan zou hebben deelgenomen, wordt dit voorrecht niet gegeven. Hij zal, als Mozes, het beloofde land niet binnentrekken.
Maar wij, zijn vrienden, blijven aan hem denken als den kundigen jurist, met het warme hart en het temperamentvolle karakter, die in de voorbereiding van een Nieuw Nederland op zijn terrein groot werk heeft gedaan.
Mr. Dr. A.A. van Bhijn.
"Vrij Nederland"
9 juni 1945

3. Installatie-rede, uitgesproken door minister Alberda op 27 februari 1941

Aangetroffen in het archief van het ministerie van Waterstaat te Londen.
 
Mijne heeren.
Namens de Regeering zeg ik U dank, dat gij u bereid hebt verklaard een plaats in en bij den Buitengewonen Raad voor de Scheepvaart in te nemen.
Het verheugt mij, mijnheer de Moor, dat wij een beroep op U hebben kunnen doen om het voorzitterschap op U te nemen. Uw ervaring als rechter in de grootste havenstad van Nederland geeft ons grond voor de verwachting, dat gij het moeilijke ambt waardig en met bekwaamheid en beleid zult vervullen.
Het verheugt mij niet minder, mijnheer van Everdingen, dat gij bereid zijt gevonden, U met het secretariaat te belasten. Ook van U weten wij, dat gij op het gebied der rechtspleging veel ervaring hebt opgedaan, die waarborgt, dat gij tegen de U thans toevertrouwde zware taak ten volle zult zijn opgewassen.
Ook op Uwe schouders, Overste den Hoedt, is in verband met de werkzaamheden van den Raad een zware en verantwoordelijke taak gelegd. De Regeering is erkentelijk, dat gij Uw sterke zeemansschouders daaronder hebt willen zetten. Ik weet, dat gij Uw taak met groote ernst en even groote nauwgezetheid zult vervullen.
U allen, mijneheeren, die door H.M. de Koningin zijt benoemd tot leden en buitengewone leden, zeg ik dank voor Uw bereidwilligheid. Zooals gij zult begrijpen, leverde de samenstelling te Londen van een Nederlandsch college als de Buitengewone Raad voor de Scheepvaart meer moeilijkheden op, dan in Nederland bij de samenstelling van een dergelijk lichaam worden ontmoet. Des te meer verheugt het de Regeering, dat gij U Uwe benoemingen hebt willen laten welgevallen. Zij heeft alle reden om te vertrouwen, dat gij aan het U toevertrouwde werk Uw beste krachten zult wijden en erin zult slagen het goed te verrichten.
De instelling van den Buitengewonen Raad is de vrucht van ampele overweging. Tot die overweging - ik wil het gaarne met erkentelijkheid vermelden - hebben de reeders, vertegenwoordigd door het Netherland Shipping and Trading Committee, den stoot gegeven. Zij hebben de aandacht der Regeering gevestigd op de behoefte aan een lichaam, dat in Engeland met betrekking tot de Nederlandsche Koopvaardijvloot een soortgelijke taak zou kunnen vervullen, als door de Wet aan den Raad voor de Scheepvaart in Nederland is opgedragen. De Regeering heeft het bestaan van die behoefte reedelijk erkend en daaraan is het K.B. van 18 October te danken, waarbij voor het gebied van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de Buitengewone Raad voor de Scheepvaart is ingesteld.
Het was uiteraard niet gemakkelijk den werkkring, de bevoegdheden en de werkwijze van den Buitengewonen Raad te regelen. Al stond op den voorgrond de wil om daarbij te sturen naar een zoo volkomen mogelijke analogie aan de regels, die de Scheepvaart en de daarbij behoorende Besluiten voor den Raad voor de Scheepvaart in Nederland hebben gegeven - de omstandigheden, waarin wij hier verkeeren, en die, waarin de vrije Nederlandsche scheepvaart thans wordt uitgeoefend, verschillen in zooveel opzichten en zoo belangrijk van de normale, dat op verschillende punten van de regels van de Scheepvaart moest worden afgeweken.
In de K.B.'s van 18 October 1940, van 27 November 1940 en van 7 Februari 1941 zijn nu de bijzondere bepalingen vervat, die voor den Buitengewonen Raad gelden. Het schijnt mij niet noodig, den inhoud van die bepalingen thans hier weer te geven.
Een bepaling echter verdient naar mijn gevoelen bij de installatie van den Raad wel onze zeer bijzondere aandacht. Ik bedoel die, volgens welke de zittingen van den Raad niet in het openbaar zullen worden gehouden.
Ziehier een bepaling, waaruit wel zeer treffend het abnormale karakter van de tegenwoordige omstandigheden spreekt.
Immers er zijn niet vele beginselen van de democratische rechtsorde te noemen, voor het algemeen welzijn zoo belangrijk en voor de democratic zoo kenmerkend als dit: dat de rechtspleging, behoudens uitzonderingsgevallen, in het openbaar behoort te geschieden. Dit beginsel is een van de voornaamste waarborgen voor de vrijheid, karakteristiek voor den rechtstaat.
Zeer noode is de Regeering ertoe overgegaan voor den Buitengewonen Raad voor de Scheepvaart van dat beginsel af te wijken. Het was echter noodzakelijk. Immers kunnen in dezen tijd geen mededeelingen over verblijfplaatsen en bewegingen van schepen in het openbaar worden gedaan, zonder de kans, dat zeer groote gevaren worden tevoorschijn geroepen: gevaar niet alleen voor de schepelingen, maar ook voor de landen, die in strijd zijn gewikkeld. Van openbare behandeling van de zaken, die voor den Raad worden gebracht, kan dus in de tegenwoordige omstandigheden geen sprake zijn. Publiek kan bij de zittingen niet worden toegelaten, ook de pers kan daarbij niet vertegenwoordigd zijn. Toch blijft het wenschelijk, dat de uitspraak van den Raad bekend wordt gemaakt. Daarom is bepaald, dat van het verhandelde in de zittingen een beknopt verslag zal worden aangeboden aan een of meer door de Regeering aangewezen bladen. Het spreekt van zelf, dat bij de opstelling van zoodanige berichten de uiterste behoedzaamheid moet worden in acht genomen, opdat daaruit niets blijke noch kunne worden afgeleid wat verblijfplaatsen en bewegingen van schepen, van welken aard ook, betreft.
Uit hetgeen ik zooeven zeide blijkt ook, van welk een vertrouwelijken aard de opdracht is, die de Regeering aan U, mijneheeren, heeft gegeven. Dat ik U aan H.M. de Koningin ter benoeming heb voorgedragen, moge voor U het bewijs zijn, dat de Regeering weet, op Uw nauwgezette stilzwijgendheid, in den door mij aangegeven zin, te kunnen rekenen.
Een gevolgtrekking, die uit het door mij aangevoerde gemakkelijk is af te leiden, is deze, dat ook van hen, die in de zittingen van de Raad in een of andere hoedanigheid hebben te verschijnen, wordt geëischt, dat zij aan hetgeen zij daar vernemen geenerlei ruchtbaarheid zullen geven. Het is onbetwistbaar, dat dit uit het karakter der besloten zittingen voortvloeit. Indien iemand dit uit het oog mocht verliezen, zou hij zich aan een onverantwoordelijke handeling schuldig maken. Uw voorzitter zal ongetwijfeld iedereen, die voor den Raad verschijnt, van dat besef doordringen.
Ziehier dan, mijneheeren, wat ik U had te zeggen bij de installatie van het college, dat bij K.B. van 18 October 1940 in het leven is geroepen.
Overgaande tot de installatie zelve heb ik daaraan nog slechts enkele woorden toe te voegen.
In de eerste plaats om den wensch uit te spreken, dat het werk van den Buitengewonen Raad moge strekken tot heil van de Nederlandsche scheepvaart en tot heil van alle Nederlandsche schepelingen en daarmee tot heil van ons Nederlandsche volk.
In de tweede plaats om daarop te doen volgen een wel ongewonen, maar niet minder diep gevoelden wensch: dezen, dat gij spoedig van uw taak zult kunnen worden ontheven en den Buitengewonen Raad spoedig kan ophouden te bestaan. Dit beteekent den wensch, dat Nederland spoedig weder een onafhankelijk en vrij land zal zijn, waarnaar de Nederlandsche schepen en de dappere, offervaardige Nederlandsche zeelieden ongehinderd kunnen terugkeeren.
Hiermede, mijneheeren, verklaar ik den Buitengewonen Raad voor de Scheepvaart te zijn geinstalleerd.
Ik geef aan U, mijnheer de voorzitter, de leiding van deze vergadering over.
 
De Voorzitter van den Buitengewonen Raad voor de Scheepvaart, Mr. Dr. J.M. de Moor, heeft daarop geantwoord:
Excellentie,
Nu U mij de leiding van deze vergadering hebt overgedragen, is het mij een behoefte, voor alles U dank te zeggen voor de vriendelijke woorden en de goede wenschen, die U zooeven hebt geuit, en voor het vertrouwen, dat Gij wel in ons hebt willen stellen door ons voor te dragen aan H.M. de Koningin, ter benoeming in onze verschillende functies.
Zooals U reeds deedt uitkomen, en ook blijkt uit den naam, heeft de zoo juist door U geinstalleerde Raad zijn ontstaan te danken aan buitengewone omstandigheden.
Toen bij de bezetting van Nederland bijna onze geheele, zoo belangrijke handelsvloot zich aan den greep van den vijand had weten te onttrekken, en zich vervolgens in Engeland in één groote organisatie wist dienstig te maken aan de voortzetting van den oorlog, bleek voor dit uitgebreide lichaam, waarbij ook vele duizenden Nederlandsche zeelieden waren betrokken, een onderzoekend en rechtsprekend orgaan, als in normale tijden in Nederland de Raad voor de Scheepvaart, niet te kunnen worden gemist. Dit leidde tot instelling van een "Buitengewonen" Raad voor de Scheepvaart.
Ook echter op de taak en de werkzaamheden van dezen Raad, - het onderzoek omtrent voorgekomen scheepsrampen, en omtrent bepaalde gedragingen van kapiteins, stuurlieden en machinisten, alsmede de beoordeling en de berechting daarvan, - kunnen de bijzondere omstandigheden, waaronder de Raad is ontstaan en moet werken, niet nalaten haren invloed te doen gelden.
Gelijk Uwe Excellentie vermeldde, was het reeds niet eenvoudig de bevoegdheden en de werkwijze van den Raad voor het gebied van Groot-Brittanië en Noord-Ierland te regelen, en aan te passen aan de Schepenwet. Definities, daarin neergelegd, konden hier niet zonder meer worden gehandhaafd. De procedure eischte grootere soepelheid, dan in Nederland reeds gold. Onze bevoegdheden moesten natuurlijkerwijze op vreemd grondgebied wat beperkter zijn. En de openbaarheid der behandeling, een wel zeer belangrijk beginsel onzer rechtspleging, waaraan Gij juist zoo welgekozen woorden van waardeering hebt gewijd, kon, behoudens eenig publicatie achteraf, helaas niet worden overgenomen.
Terwijl intusschen aan deze meer juridische bezwaren reeds zoo goed mogelijk, en m.i. op gelukkige wijze in de betreffende K.B.'s is tegemoet gekomen, blijven andere van meer materieelen aard bestaan.
Zoo ontbreken, bij een sterk gestegen percentage der scheepsrampen, hier o.m. geheel de uitstekende outillage en de staf van geschoold personeel, die in Nederland ter beschikking stonden van het hoofd van de Scheepvaartinspectie en van den Raad, terwijl ook, ondanks de welwillende medewerking van het "Shipping and Trading Committee", de grootere afstanden der havens, en de langere reizen, af te leggen door veelal verspreide getuigen, zeker eenigen last zullen veroorzaken bij het vooronderzoek, en ook voor de behandeling ter zitting.
Ik twijfel echter geenszins, of juist deze grootere moeilijkheden, tezamen met de overtuiging, dat thans, meer dan ooit, voor ons land en zijn bondgenooten "navigare necesse est", en dat het werk van den Raad van groote waarde kan zijn voor een goede navigatie en het welzijn van onze dappere zeelieden, en zoo voor de gehele Nederlandsche Scheepvaart en voor de Vaderlandsche Zaak, zullen voor allen, die aan of met den Raad verbonden zijn, een reden te meer op leveren, om hunne allerbeste krachten daaraan te geven.
Mijnerzijds zal ik niets nalaten om het werk van den Raad te doen slagen, en het voor U, allen, zoo aangenaam mogelijk te doen zijn.

4.1. Besluit opheffing van de Raad

Januari 1946 No. 34
Wij Wilhelmina, bij de gratie Gods, Koningen der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onzen Minister van Scheepvaart van 11 Januari 1946, No.26497 J-W;
Gelet op ons Besluit van 18 October 1940 (Staatsblad No.A 15) houdende instelling van een Buitengewonen Raad voor de Scheepvaart;
Overwegende, dat de omstandigheden sinds de bevrijding van het Rijk in Europa zoodanig zijn gewijzigd, dat niet langer behoefte bestaat aan de werkzaamheid van een Buitengewonen Raad voor de Scheepvaart in Groot Britannië en Noord Ierland;
HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN:
Artikel 1.
Ons Besluit van 18 October 1940 (Staatsblad No. A 15) houdende instelling van een Buitengewonen Raad voor de Scheepvaart, wordt ingetrokken met ingang van 1 Februari 1946.
Artikel 2.
Onze Minister van Scheepvaart is belast met de uitvoering van dit Besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 17 Januari 1946.
WILHELMINA.
DE MINISTER VAN SCHEEPVAART a.i. DE BOOY.
Overeenkomstig het Oorspronkelijke
DE SECRETARIS-GENERAAL BIJ HET MINISTERIE VAN SCHEEPVAART [...]

4.2. Bijlage bij besluit

Aan verschillende van de te Londen in verband met de buitengewone omstandigheden op het gebied van de Seheepvaart tot stand gekomen wettelijke maatregelen bestaat thans niet langer behoefte. Van de hierbedoelde besluiten had het onderwerp onder normale omstandigheden bij de wet geregeld moeten worden, zodat intrekking dier besluiten thans bij de wet moet geschieden.
Ten aanzien van de onderscheiden, in artikel 1 van het hiernevensgaande ontwerp van wet opgesomde besluiten valt het navolgende op te merken:
  1. Bij besluit van 18 October 1940 (Staatsblad no. A 15) werd ingesteld een Buitengewone Baad voor de Scheepvaart, ten einde de taak van de Baad voor de Scheepvaart, bedoeld in artikel 23 van de Schepenwet, onder de oorlogsomstandigheden waar te nemen. Daar de Baad voor de Scheepvaart zijn taak sinds 1 Februari 1946 wederom op normale wijze in Nederland uitoefent, bestaat er niet langer aanleiding voor een Buitengewone Raad voor de Scheepvaart. Bij besluit van 7 December 1945 no. 14 werd het mandaat van de Buitengewone Raad laatstelijk verlengd tot 1 Februari 1946 ter afwikkeling van de lopende zaken; sindsdien functfoneert deze Raad niet meer.
  2. Bij besluit van 10 Juli 1941 (Staatsblad no. B 57) werd een regeling getroffen voor de betaling bij aanvragen van scheepsbrieven en certificaten, voor zover dergelijke bescheiden door de buitengewone omstandigheden in Engeland moesten worden uitgereikt, ten einde belanghebbenden enige bijdrage te doen leveren in de door de Overheid ten behoeve van de Scheepvaart gemaakte onkosten, Dit betekende een afwijking van de hieromtrent in Nederland geldende wetgeving, waarbrj de uitreiking van scheepsbrieven en certificaten kosteloos geschiedt. Aangezien er in Engeland geen scheepspapieren meer worden uitgereikt, bestaat er geen aanleiding de bovengenoemde betalingsregeling te handhaven. Hoewel het besluit B 57 ingevolge artikel 14 automatisch buiten werking is getreden bij beëindiging van de werkzaamheid der Scheepvaartinspectie in Groot Britannië, komt het niettemin gewenst voor het besluit B 57 alsnog te doen vervallen.
  3. Bij besluit van 21 Augustus 1941 {Staatsblad no. B 65) werden te Londen bijzondere regelen gesteld met betrekking tot de afgifte van certificaten van uitwatering en voor de. houtvaart, alsmede ten aanzien van het bij het varen in acht te nemen vrijboord. Bedoelde certificaten kunnen wederom op normale wijze in Nederland worden afgegeven, terwijl de mogelijkheid om in verband met de buitengewone omstandigheden een geringer vrijboord toe te staan, dan ingevolge de Schepenwet was geoorloofd, niet langer behoeft open te staan.
  4. Bij besluit van 5 September 1941 (Staatsblad no. B 70) werd een Hulpscheepsregister ingesteld voor de te boekstelling van Nederlandsche zeeschepen in Groot Britannië en Noord-Ierland, zulks in verband met het feit, dat voor de uitgifte van zeebrieven de registratie der betrokken schepen in Het Scbeepsregister vereist wordt en het normale Scheepsregister wegen de bezetting van het Rijk in Europa niet kon worden gebruikt. Teboekstelling van zeeschepen kan thans wederom op normale wijze in Nederland plaats vinden.
Artikel 2. Het wordt wenselijk geacht het Hulpscheepsregister te doen bewaren te zaamen met het normale scheepsregister in Nederland. Om te voorkomen, dat de uitgifte van zeebrieven aanvankelijk zou stagneren, doordat voor het verkrijgen daarvan eerst volgens de voorgeschreven procedure een inschrijving in het Nederlandse scheepsregister moet worden bewerkt, is bepaald, dat de inschrijving in het Hulpscheepsregister nog gedurende zes maanden gelijkgesteld zal zijn met inschrijving in de normale scheepsregisters.
's-Gravenhage,
De Minister van Verkeer en Waterstaat,