Het ontstaan van de Buitengewone Raad voor de Scheepvaart
Op 27 augustus 1940 richtte de heer D. Hudig, voorzitter van the Netherlands Shipping & Trading Committee Ltd. zich in een schrijven tot de minister van Waterstaat met de volgende woorden:
"Door ons Comite wordt het gemis aan een "Raad voor de Scheepvaart" in zoo ernstige mate gevoeld, dat wij meenen Uwe Excellentie te mogen verzoeken wel in overweging te willen nemen of niet tot de instelling van een tijdelijke "Raad voor de Scheepvaart" moet worden overgegaan. Zooals ongetwijfeld aan Uwe Excellentie bekend is, was de taak van den "Raad voor de Scheepvaart" in de eerste plaats een onderzoek in te stellen naar de oorzaken van plaats gehad hebbende scheepsrampen voor zooverre dit noodig is na het voorlopig onderzoek door de Scheepvaartinspectie. In de tweede plaats, het nemen van tuchtmaatregelen tegen den schipper, die zich misdragen heeft tegen reeder of passagier en tegen den schipper, stuurman of machinist, door wiens daad of nalatigheid de scheepsramp veroorzaakt is
Archief van het ministerie van Waterstaat, Londen, 1940 - 1946, afd. Scheepvaartzaken, Buitengewone Raad voor de Scheepvaart.
."
Ter staving van zijn stelling gaf de schrijver een overzicht van de tot dat tijdstip plaats gevonden hebbende scheepsrampen
Zie onderstaande lijst.
. Op 21 September daaraanvolgende stelde de minister van Waterstaat zich daaromtrent in verbinding met zijn ambtgenoten van Justitie en Handel, Nijverheid en Scheepvaart. Met hun schrijven van resp. 27 September en 4 oktober 1940 betuigden deze hun instemming met het plan om te komen tot de instelling van een "Buitengewone Raad voor de Scheepvaart" te Londen.
Op 10 oktober werd het voorstel naar de Ministerraad gezonden, die het ontwerp, na het aanbrengen van enkele kleine wijzigingen, goedkeurde.
Op 16 oktober 1940 bood de minister van Waterstaat het ontwerp aan H.M. de Koningin ter bekrachtiging aan. Zij tekende het Besluit op 18 oktober hetwelk werd gepubliceerd in het Staatsblad no. A 15 op 21 oktober 1940. Nadere aanvullingen en wijzigingen van dit Staatsblad werden gegeven in de Staatsbladen no. B 2 d.d. 6 januari 1941, B 11 d.d. 12 februari 1941 en in B 13, eveneens van 12 februari 1941
Archief van het ministerie van Waterstaat, Londen, 1940 - 1946, afd. Scheepvaartzaken, Buitengewone Raad voor de Scheepvaart.
.
Ongevallen voor 13 augustus 1940
| m.v. Boekelo |
het laatste nieuws over dit schip is vernomen op 14/5/40, toen het gerapporteerd is in de South Downs. |
| m.v. Pia |
op 18/5/40 bij Newport op een mijn geloopen en gezonken. Niet in bezit van een lijst der bemanning. Er was een overlevende, matroos R. Radema. |
| m.v. Prinses Juliana |
nabij Poole op mijn geloopen waarbij kap. Blom gewond werd. Op 12/6/40 stierf hij in het ziekenhuis. |
| m.v. Mercurius |
verliet Newcastle op 19/6/40, waarna niets meer van het schip vernomen werd. De bemanning bestond uit 4 personen. |
| m.v. Moordrecht |
op 20/6/40 op weg naar Bermuda naar La Coruna getorpedeerd en gezonken, waarbij 23 leden der bemanning om het leven kwamen. |
| s.s. Berenice |
op 21/6/40 in de Golf van Biscaje getorpedeerd en gezonken, waarbij 18 leden der bemanning om het leven kwamen. |
| s.s. Amstelland |
op 1/7/40 in het Kanaal op weg van Southampton naar Buenos Aires via Dakar getorpedeerd, waarbij 1 lid der bemanning om het leven kwam. |
| m.v. Tubo |
op 2/7/40, terwijl het schip aan de kade te Plymouth lag, brak er op het schip brand uit, hetgeen 2 leden der bemanning het leven kostte. Brand werd gebluscht. |
| s.s. Deucalion |
op 4/7/40 op weg van Gravesend naar St. Johns, Newfoundland, gebombardeerd op 20 mijl vanaf Weymouth. Schip gezonken. Bemanning gered. |
| s.s. Britsum |
op 4/7/40 op weg van Hull naar Fowey in het Kanaal gebombardeerd en gezonken, waarbij 9 leden der bemanning om het leven kwamen. |
| s.s. Alwaki |
op 10/7/40 op weg van Londen naar Calcutta via Durban bij de Pentland Firth op een mijn geloopen en gezonken. Bemanning gered. |
| m.v. Mies |
op 11/7/40 op weg van Southend naar Porthleven gebombardeerd en gemitrailleerd, waarbij 2 leden der bemanning gedood werden. Schip kon reis voortzetten tot Weymouth, waar het voor anker ging. |
| s.s. Ajax |
op 8/8/40 op weg van Southampton naar Falmouth gebombardeerd en gezonken, waarbij 3 leden der bemanning om het leven kwamen. |
| m.v. Albula |
op 12/8/40 berichtte Lloyds, dat een boot die naar Stornoway op 11 Aug. terugkeerde, na uitgebreid onderzoek geen spoor van genoemd schip heeft gevonden. |
Samenstelling en bevoegdheden van de Raad voor de Scheepvaart
Deze zijn geregeld in de hoofdstukken III, IV en V van de Schepenwet en in artikel 23 van het Schepelingenbesluit. De Raad bestaat uit een voorzitter, twee gewone leden, 14 buitengewone leden, een plaatsvervangend voorzitter en enige plaatsvervangende leden. Aan de Raad zijn verbonden een secretaris en een plaatsvervangend secretaris.
De gewone leden zijn een zee-officier of oud-zee-officier en een kapitein of oud-kapitein ter koopvaardij. De buitengewone leden behoren tot de categorieën van: reders, kapiteins van de grote en de kleine vaart, van de zeevisserij, districtshoofden en schippers van het loodswezen, werktuigkundigen, electrotechnici, scheepsbouwers en machinisten.
De taak van de Raad voor de Scheepvaart, zoals geregeld in de Schepenwet, is drieledig.
- De Raad doet een onderzoek naar de oorzaken van plaats gevonden hebbende scheepsrampen. Het doel hiervan is eventueel gemaakte fouten aan het licht te brengen, teneinde herhaling daarvan zoveel mogelijk te beperken en voorts gegevens te verkrijgen betreffende de toepassing van de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen en eventuele leemten hierin te doen uitkomen.
- De Raad kan, al dan niet naar aanleiding van een scheepsramp, een onderzoek doen naar de geschiktheid van koopvaardij-officieren en hen, indien hij termen daartoe aanwezig acht, onbevoegd verklaren hun functie uit te oefenen, waarop zij krachtens hun diploma recht hebben.
- De Raad kan een onderzoek instellen tegen kapiteins, tegen wie een klacht wegens misdraging is ingesteld en hen, indien hij dit nodig acht, disciplinair straffen.
Ingevolge het bepaalde in art. 23 van het Schepelingenbesluit komt de Raad bovendien de bevoegdheid toe het monsterboekje van een schepeling voor ten hoogste 1 jaar in te houden, indien de schepeling zijn arbeidsovereenkomst met de reder op onrechtmatige wijze heeft verbroken.
Het vooronderzoek in alle vorengenoemde gevallen geschiedt door het hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Samenstelling en bevoegdheden van de Buitengewone Raad te Londen
De samenstelling was nagenoeg gelijk aan die van de Raad voor de Scheepvaart. Slechts het gebrek aan voldoende deskundige krachten is aanleiding geweest het aantal buitengewone leden van de Raad te beperken tot zes. Aangezien in Londen geen districtshoofd noch schipper van het Loodswezen beschikbaar waren, was, zulks in tegenstelling tot de andere in de Schepenwet genoemde categorieën, het Loodswezen in de Buitengewone Raad niet vertegenwoordigd. Dit werd in de praktijk echter niet als een gemis gevoeld. De benoeming van de verschillende functionarissen, welke in Nederland telkens voor de tijd van ten hoogste 4 jaren plaats heeft, geschiedde in Londen, wegens het tijdelijke karakter van de Buitengewone Raad, telkens voor 1 jaar. De eerste benoeming van de leden van deze Raad vond plaats bij K.B. van 11 december 1940. Het veelvuldig veranderen van de oorlogsbestemming van de leden, in dienst van de koopvaardij en de Kon. Marine, was er oorzaak van dat de Raad meerdere malen van samenstelling wisselde. Een overzicht, van hen die in de Raad zitting hebben gehad, moge dit duidelijk maken.
De bevoegdheden van de Buitengewone Raad waren gelijk aan die, welke volgens de Schepenwet aan de Raad toekomen. De bij het Schepelingenbesluit aan de Raad toegekende bevoegdheid tot het intrekken van monsterboekjes werd echter aan de Buitengewone Raad niet verleend, aangezien in verband met de toen geldende bijzondere omstandigheden daaraan geen behoefte bestond.
De procedure was in hoofdzaak gelijk aan die welke in Nederland werd gevolgd, met dien verstande, dat betekening van oproepingen en uitspraken geschiedde bij aangetekend schrijven instede van bij deurwaardersexploit. De voorzitter was in verband met de heersende oorlogsomstandigheden, bevoegd uit veiligheidsoverwegingen af te wijken van de gebruikelijke formaliteiten. Tevens waren de zittingen en de vonnissen niet openbaar. Om de geheimhouding echter tot het strikt noodzakelijke te beperken werd bepaald, dat de voorzitter omtrent het verhandelde en de uitspraak, voorzover hij een en ander voor openbaarmaking geschikt achtte, zo spoedig mogelijk een verslag zou opmaken, dat in de Staatscourant openbaar gemaakt werd
Koninklijk Besluit d.d. 7 februari 1941, Stb. B 11, art. 1, lid 5.
.
Tot September 1942 werden deze 'verslagen' eveneens gepubliceerd in 'VRIJ NEDERLAND'
Inv.nr. 231.
.
Aangezien de bij de - in het Verenigd Koninkrijk ingestelde - scheepvaartinspectie werkzame ambtenaren door hun taak met betrekking tot het toezicht op de naleving van de veiligheidsvoorschriften geheel in beslag waren genomen, werd bij Koninklijk Besluit van 27 november 1940 de Kapitein-luitenant ter Zee K.M.R. L. den Hoedt benoemd tot Inspecteur in buitengewone dienst voor de Scheepvaart, in het bijzonder belast met de werkzaamheden van de Scheepvaartinspectie ten behoeve van de Buitengewone Raad voor de Scheepvaart.
Bij Koninklijk Besluit van 28 april 1941 werd de Inspecteur-titulair voor de Scheepvaart M.J. van der Hoek, bij verhindering of ontstentenis van Overste den Hoedt, als diens plaatsvervanger benoemd.
In eerste instantie was de bevoegdheid van de Buitengewone Raad beperkt tot die schepen, welke met een Nederlandse Zeebrief voeren. Toch werd dit als een gemis gevoeld, immers een aanzienlijk deel der Nederlandse vloot voer met Ned. Indische-, Curaçaose- of Surinaamse zeebrieven. Weliswaar was er een Raad voor de Scheepvaart in Ned. Indië, doch vele schepen, welke met Ned. Indische zeebrieven voeren, kwamen nimmer binnen de jurisdictie van die Raad. Dit leidde tot de totstandkoming van het K.B. d.d. 19 juni 1941, Stb. no. B 51, waarin bepaald werd dat de Buitengewone Raad tevens de bevoegdheid kreeg om zaken te behandelen tegen schepen, die:
- Curaçaose of Surinaamse zeebrieven bezaten,
- Nederlands-Indische zeebrieven bezaten.
Ten aanzien van de onder b genoemde schepen, die vielen onder de bevoegdheden van de Buitengewone Raad te Londen en onder de Raad voor de Scheepvaart in Ned. Indië, werd bepaald dat die Raad bevoegd was, bij welke het eerst het onderzoek was begonnen. Dit Koninklijk Besluit werd nader uitgebreid en aangevuld met het K.B. van 25 februari 1943, Stb. no. D 7. Sedert juni 1945 behoorden de zaken betreffende de Buitengewone Raad voor de Scheepvaart tot de competentie van de minister van Scheepvaart
Archief ministerie van Scheepvaart, afd. Juridische Zaken, oorlogsperiode, dossier Buitengewone Raad voor de Scheepvaart.
.
Dat de Raad te Londen veel en nuttig werk verricht heeft, moge blijken uit de navolgende cijfers.
Er werden 216 zaken in behandeling genomen, waarvan 98 door een commissie uit de Raad werden afgedaan. Van de overige 118 waren er op 1 februari 1946 16 nog niet afgedaan. Deze werden ter verdere afdoening overgedragen aan de Raad voor de Scheepvaart in Nederland. In 23 gevallen werd een tuchtmaatregel toegepast, in 2 gevallen werd een betrokkene ongeschikt verklaard. Bij de behandeling van al deze gevallen diende de Raad bij zijn beoordeling steeds rekening te houden met de eisen, die onder telkens wisselende oorlogsomstandigheden aan de koopvaardijvloot werden gesteld en met de talrijke wijzigingen, die door de Nederlandse regering te Londen in het Schepenbesluit werden aangebracht.
Zoals reeds uit het vorenstaande blijkt, werden de werkzaamheden van de Buitengewone Raad voor de Scheepvaart te Londen op 1 februari 1946 beëindigd. Dit was een gevolg van het K.B. van 17 januari 1946, no. 34, waarbij het K.B. van 18 oktober 1940 Stb. A 15 werd ingetrokken
Bijlage 4.1.
. Aan het bestaan van de Buitengewone Raad voor de Scheepvaart kwam door de afkondiging van de wet van 4 december 1947, Stb.no. H 408 een definitief einde
Archief ministerie van Scheepvaart, afd. Juridische Zaken, oorlogsperiode, dossier Scheepvaartwetgeving.
. Blijkens de Memorie van Toelichting geschiedde de opheffing bij Wet aangezien de instelling van dit college eveneens bij Wet had behoren te geschieden
Bijlage 4.2.
.
Samenstelling van de Buitengewone Raad voor de Scheepvaart
-
| Datum | Gebeurtenis |
Voorzitters en hun plaatsvervangers
| dec.'40 - feb. '46 |
Everdingen, Mr. H. van (vz. en plv.) |
| dec.'40 - mei '45 |
Moor, Mr. J.M. de (vz.)
In Engeland overleden.
|
-
| Datum | Gebeurtenis |
Secretarissen en hun plaatsvervangers
| jul.'45 - feb.'46 |
Akkerman-Weber, Mevr. Mr. E.P.A. (plv.) |
| feb.'41 - okt.'43 |
Dortmond, Mr. P.A.J.M. (plv.) |
| dec.'40 - jul. '45 |
Everdingen, Mr. H. van (secr.) |
| dec.'40 - feb.'41 |
Tets, Mr. W.van (plv.) |
| sep.'44 - feb.'46 |
Warendorf, Mr. J.C.S. (plv. en secr.) |
| okt.'43 - sep.'44 |
Zeeman, Dr. J.H. (plv.) |
-
| Datum | Gebeurtenis |
Leden, Buitengewone leden en hun plaatsvervangers
| dec.'40 - jan.'42 |
Asbeck, C.J. baron van |
| nov.'44 - feb.'46 |
Booy, O. de |
| nov.'43 - feb.'46 |
Dekker, K.C. |
| dec.'42 - mei '44 |
Dik, K.E. |
| dec.'40 - feb.'46 |
Ernste, Ir. J.W. |
| dec.'40 - feb.'46 |
Grootenboer, C. |
| dec.'40 - okt.'44 |
Kuur, G. |
| nov.'43 - feb.'46 |
Lier, W. van |
| dec.'40 - dec.'42 |
Nadort, J.H.
in Engeland overleden.
|
| dec.'40 - feb.'46 |
Rahusen, D. |
| jan.'42 - okt.'43 |
Schagen van Leeuwen, J.J.A. |
| dec.'42 - nov.'44 |
Schoo, M. |
-
| Datum | Gebeurtenis |
Leden, Buitengewone leden en hun plaatsvervangers (vervolg)
| dec.'40 - nov.'45 |
Smit, A. |
| okt.'45 - feb.'46 |
Visser, W. |
| nov.'42 - feb.'46 |
Wagemaker, R. |
| dec.'40 - feb.'46 |
Zulver, C. |